Het kleine zwarte visje

boek vrijdag 07 oktober 2011

Samad Behrangi

Vóór het ontstaan van het geschreven woord, bestond er al een millenia-oud en uitermate efficiënt communicatiesysteem om weetjes, roddels maar ook cruciale informatie die bijdroeg tot de overleving van de groep, namelijk mondelinge kennisoverdracht. Kennis over de meest uiteenlopende thema’s werd in dichtvorm, liedvorm, verhaalvorm of via mantra’s overgedragen. Zelfs ver na de ontwikkeling van het geschreven woord kenmerkten vele samenlevingen zich door een traditie van memoriseren van geschreven teksten. Zo werden de Veda, nog lang nadat ze aan het papier waren toevertrouwd, door leerlingen van buiten geleerd. De Veda is het product van eeuwen filosofische discussies, literaire gedachtestromen over het leven, de functie van vrouw en man in de samenleving, de complexiteit van relaties, het ontstaan en de zin van het leven maar ook regels voor overspel. Normen en waarden die in een bepaalde tijd als ideaal golden, worden door latere denkers bekritiseerd, op hun houdbaarheid getoetst en indien nodig aangepast. Zo ontstond een corpus van eeuwenlange filosofische bedenkingen en discussies. Een corpus dat men zo essentieel vond voor de ontwikkeling van de mens, dat deze van buiten leren een must was/is.

De overdracht van normen en waarden zijn een gegeven dat ook in onze orale traditie heel sterk verweven zit. De meest bekende verzameling van onze verhalende traditie danken we aan de gebroeders Grimm. Hun doel was een vergelijkende linguïstische studie. Het resultaat was een verzamelwerk van de meest uiteenlopende verhalen, legenden en sagen die in het hele Germaanse grondgebied de ronde deden. Naar deze verhalen werd verwezen met het woord ‘sproke’ daaruit groeide ons woord sprookje, het gesproken woord. Dit werd zo genoemd omdat men deze verhalen niet opschreef maar doorvertelde van generatie op generatie. Nog steeds is er een prachtige uitgave te verkrijgen met achteraan duiding bij de verschillende thema’s die naar voor komen. De sprookjes van Grimm, uitgegeven bij Lemniscaat, vrouw Holle die haar dekbed opschudt, siert de kaft. De symboliek die in deze, ons allen bekende, verhalen verwerkt zit, maakt het ook voor iemand die reeds lang zelf kan lezen, toch nog steeds een boeiende ontdekkingstocht.

Dit is enigszins logisch, gezien deze verhalen vroeger helemaal niet of zeker niet uitsluitend voor kinderen bedoeld waren. Soms zijn het werkelijk gruwelijke gebeurtenissen die de protagonisten moeten doorstaan, om meestal gelouterd door een heftige strijd tegen het kwade, lang en gelukkig te leven. Voor de linguïsten komt dit misschien niet echt als een verrassing, toch blijft het een eerder schokkende vaststelling dat er in de verzamelde werken van Grimm bijvoorbeeld een sprookje staat dat nauwgezet overeenkomt met het verhaal van Ali Baba en de veertig rovers. Alleen de naam van de grot is gewijzigd en de geografisch setting is enigszins aangepast. Het toont maar weer hoe lang reeds uitwisselingen bestaan tussen de verschillende volkeren op deze planeet.

Lang voor het geschreven woord hadden verhalen een bindende waarde voor de groep waarin ze verteld werden. De sterke beelden van goed en kwaad spreken ook nu nog die weinige gelukkigen aan, waarvan de ouders nog de tijd willen nemen iedere avond een sprookje voor te lezen. Niet alleen zorgt het voor een speciaal moment tussen ouder en kind, ook op andere gebieden vaart het kind hier wel bij. De rijke woordenschat die in bovenvermelde uitgave gebruikt wordt, draagt bij tot de taalontwikkeling van het kleine kind. Het geeft niet dat een kleuter van vier niet weet wat een ‘prachtig smaragdgroen livrei’ betekent, ooit zal dat begrip komen. Deze beeldende, rijke taal vormt echter de prille taalvaardigheid van het kleine kind. Een woordenschat ontwikkelt zich die het kind zullen helpen, zowel in het dagdagelijkse leven als in minder alledaagse situaties, zijn emoties, gevoelens, gedachten en ideeën vorm te geven.

Maar wat nog belangrijker is, ze zullen het kind helpen het innerlijke leven in al zijn facetten te verduidelijken naar de buitenwereld. Ze zullen het beschermen tegen de agressieval, waarin menig kind dezer dagen tuimelt omdat het niet meer de vaardigheid meekreeg zichzelf adequaat te uiten. Het onbegrip bij de buitenwereld dat hieruit resulteert, roept grote frustraties op bij deze kleine mens. Frustraties die zich uiteindelijk zullen uiten in gedrag dat door de buitenwereld veelal gecatalogeerd wordt onder termen als ongepast of zelfs gestoord. Met alle gevolgen van dien voor het kind dat in deze nog louter slachtoffer is van een verarmde omgeving. De prachtige klank van de woorden die men in deze sprookjes hanteert, is voldoende om het kind mee te nemen naar een wereld die niet de onze is. Een wereld die steunt op ons krachtigste wapen tegen problemen en tegenslagen, onze fantasie. Doornroosje prikt zich door de vloek van een vreselijke fee, maar wordt gered door de kus van een prins. Hans en Grietje worden opgesloten en behandeld als slaaf en toekomstige hoofdschotel maar uiteindelijk duwt het moedige Grietje de heks in het vuur en ze moet schreeuwend verbranden. De koning die zich zo hoogmoedig gedraagt en een pasgeboren boerenkind in het water gooit, moet knarsetandend toezien hoe dit kind enkele jaren later toch zijn enige dochter trouwt, zoals voorspeld.

Het zijn sterke beelden van goed en kwaad, ze vormen het rechtvaardigheidsgevoel en wakkeren empathische gevoelens aan, broodnodig om zich als een sociaal wezen in de samenleving te kunnen bewegen. Deze verhalen zijn oud maar er zijn ook nieuwe sprookjes, zo ook dat van Het kleine zwarte visje. Saman Behrangi schreef dit verhaal veertig jaar geleden neer, speciaal voor de kindjes uit zijn klas, ergens in een dorpje in Iran. Onderdrukt door een harteloos en gruwelijk regime van een megalomane Shah, erkende deze beroemde schrijver de kracht van het woord, de kracht van ‘sproke’. Een vissenoma vertelt haar immense kroost een verhaaltje voor het slapengaan, over een klein zwart visje. Zo steekt het verhaal van wal. Het kleine zwarte visje is het beu om in zijn oude vertrouwde beekje rondjes te zwemmen en besluit de wijde wereld in te trekken.

Dit valt niet in goede aarde bij de andere beekbewoners. Het visje krijgt dan ook een boel verwijten naar het hoofd geslingerd, toch zet hij door. Met wat hulp van vrienden ontsnapt hij aan de woedende buren, kennissen, bemoeizieke onbekenden en vertrekt stroomafwaarts. Op zijn tocht komt hij allerhande dieren tegen die hem allemaal op hun manier iets bijbrengen. Is het niet door hun eigenwaan dan wel door hun vriendelijkheid of hun hoogmoed, hun levensvreugde of hun angst voor de vreselijke pelikaan en de aalscholver. Uiteindelijk bereikt het dappere visje de zee en komt er een school gelijkgezinde visjes tegen. Hij besluit zich aan te sluiten doch eerst wil hij nog even de zee verkennen. Daar ligt de vreselijk aalscholver op de loer.

Hoe het uiteindelijk met het visje afloopt, vist u zelf maar uit door het boekje te lezen. Wat ik wel nog wil meegeven is dat er minstens één visje van oma’s kroost is, dat die nacht de slaap niet kan vatten, de zee laat het niet meer los. Op het moment dat Saman Behrangi dit werkje schreef ging het Iraanse volk gebukt onder het juk van de Shah, de almachtige heerser van het niet meer zo machtige Perzië. Saman’s engagement voor de vrijheid koste hem zijn leven. Toch, zwarte visjes werden talrijker en wierpen het regime van de Shah omver. Een nieuw regime kwam in de plaats dat als eerste maatregel de grondwet afschafte en de Sharia invoerde. Niet alleen is muziek, zang en dans er nu verboden ook het sprookje van het Zwarte visje mag niet worden verkocht of gelezen. Uiteraard lappen de Iraniërs dit bevel vlijtig aan hun laars. Ook komen ze regelmatig op straat om hun ongenoegen te uiten, jongeren gebruiken hun auto’s als rijdende discotheken waarbij ze elkaar ontmoeten op bergwegen en hun autoradio’s loeihard laten spelen, even op straat dansen en dan weer snel wegrijden.

Een ludiek antwoord op een stompzinnig, onrealistisch systeem dat hier op grappige wijze omzeild wordt maar voor velen gruwelijke gevolgen heeft. De orgaanhandel in Iran is hier een schrijnend voorbeeld van. Mensen met gezonde organen verkopen deze om hun auto, school, huishuur of andere levensnoodzakelijke middelen aan te schaffen. Een jonge vrouw die één nier verkoopt voor enkele honderden euro’s, zodat haar vriend/echtgenoot een taxilicentie kan betalen, is zo’n geval. Uiteindelijk kan hij geen taxi bekomen en is heel het donorgebeuren voor niets geweest. Uiteraard kan het meisje geen tweede nier missen en zo zit dit jonge koppel weer bij af, met één gezonde nier minder. Onze regeringscrisis lijkt wel peanuts bij de hallucinant draconische maatregelen die de Ayatholla treft. Niet om hun volk te dienen en te helpen maar om hen op alle mogelijke manieren onder de knoet te houden. Sprookjes worden verboden en ondertussen moeten jonge gezonde mensen zich laten opensnijden om hun huishuur te kunnen betalen. Surrealisme is een Belgische uitvinding maar heeft zich ondertussen duidelijk verspreid over de rest van de planeet. De Ayatholla van Iran gaf er een nieuwe dimensie aan. De hoop, dat de president van Iran over net iets meer gezond verstand zou beschikken, werd vakkundig de grond in geslagen door zijn uitlatingen over een Westers complot dat er voor zorgt dat de regen Iran niet bereikt.

Ann De Craemer die het werkje uit het Perzisch vertaalde, heeft haar eigen gereide reden waarom ze dit kleine sprookje ook voor ons begrijpelijk maakt. Voor haar is het in de eerste plaats een eerbetoon aan een andere leraar, die zijn politieke en pedagogische inzichten moest bekopen met zijn leven. Op 9 mei 2010 werden vijf mannen geëxecuteerd, een hobby die de Shah en de Ayatollah gemeen hebben. Farzad Kamangar, Ali Heydarian, Farhad Vakili, Mehdi Eslamian en Shirin Alam Holi waren vijf politieke gevangen uit Koerdistan die allen werden opgehangen. De vijf zouden banden hebben gehad met ‘antirevolutionaire groeperingen’. De executie gebeurde in de beruchte Evin gevangenis, dezelfde gevangenis waar nu weer een golf van zelfmoorden kostbare mensenlevens wegvaagt. Laatste nieuwe slachtoffer is de bloedmooie, sterk politiek geëngageerde Nahal Sahabi, een tragisch einde voor een prachtige jonge vrouw. Farzad Kamangar was twaalf jaar lang leraar in een Koerdisch dorpje Kamiaran. Hij wordt wel eens vergeleken met Samad Behrangi, schrijver van het zwarte visje. De afscheidsbrief die hij schreef is niet te vatten in woorden behalve in de zijne.

”Wees sterk, kameraden Er was eens een vis die 10.00 eitjes had gelegd. Alleen één zwart visje overleefde. Hij leeft samen met zijn moeder in een beek. Op een dag zei het kleine visje tegen zijn moeder: “Ik wil hier weg.” De moeder zei: “Waar naartoe?” Het kleine visje antwoordde: “Ik wil gaan kijken waar de beek eindigt.” Gegroet, celgenoten. Gegroet, vrienden in pijn! Ik ken jullie goed: jullie zijn de leraren, de buren van de sterren van Khavaran (Een kerkhof in het oosten van Teheran waar veel politiek gevangenen geëxecuteerd werden), de klasgenoten van tientallen mensen wier teksten tegen hen werden gebruikt, de leraren van studenten wier enige misdaad hun gedachten waren. Ik ken jullie goed: jullie zijn de collega’s van Samad en Ali Khan. Jullie herinneren zich mij, toch? Ik ben het, degene die vastgeketend zit in de Evin-gevangenis. Ik ben het, de stille student die in de kapotte schoolbanken zit en verlangt om de zee te zien in een afgelegen dorp in Kurdistan. Ik ben het, die net als jullie de verhalen van Samad aan zijn studenten vertelde. Ik ben het die graag de rol van het kleine zwarte visje op mij neemt.

Ik ben het, jullie kameraad die ter dood veroordeeld is. De valleien en de bergen liggen nu achter hem en de rivier stroomt door een vlakte. Links en rechts voegen andere riviertjes zich bij de rivier, die nu vol water is. Het kleine visje geniet van zo overvloedig veel water…het kleine visje wilde naar de bodem van de rivier gaan. Hij kon zoveel zwemmen als hij wilde en botste nergens tegenaan. Plots zag hij een grote groep vissen. Er waren er 10.000, waarvan één tegen het kleine zwarte visje zei: “Welkom in de zee, vriend!” Mijn gevangen collega’s! Is het mogelijk om achter dezelfde schoolbank als Samad te zitten, te kijken in de ogen van de kinderen van dit land en te zwijgen? Is het mogelijk om een leraar te zijn en aan de kleine vissen van dit land niet de weg naar de zee te tonen? Wat doet het er toe of ze uit de Aras komen, of de Karoon, de Sirvan, of de Sarbaz Rood? Wat doet het er toe, als de zee een gemeenschappelijk doel is, dat ons allen verenigt? De zon is onze gids. Laat de gevangenis onze beloning zijn – het zij zo! Is het mogelijk om de zware last te torsen van het leraarschap en verantwoordelijk te zijn voor het planten van de zaadjes van kennis, en toch stil te blijven? Is het mogelijk om de krop in de keel van onze leerlingen te zien en hun dunne en ondervoede gezichten, en stil te blijven?

Ik kan me niet voorstellen een leraar te zijn in het land van Samad, Khan Ali en Ezzati en me niet bij de eeuwige Aras-rivier te voegen. Ik kan me niet voorstellen om getuige te zijn van de pijn en armoede van de inwoners van dit land en niet onze harten aan de rivier en de zee te geven, te bulderen en te overstromen. Ik weet dat op een dag deze harde en ongelijke weg voor de leraren geplaveid zal zijn, en dat jullie lijden een ereteken zal zijn, zodat iedereen kan zien dat een leraar een leraar is, zelfs wanneer zijn weg geblokkeerd wordt door gevangenis en executie. Het kleine zwarte visje en niet de reiger is de eer van de leraar. Het kleine visje zwom rustig in de zee en dacht: De dood ontmoeten is niet lastig voor mij, noch heb ik spijt. Plots dook de reiger naar beneden en greep het kleine visje. Oma vis beëindigde haar verhaal en vertelde haar 12.000 kinderen en kleinkinderen dat het bedtijd was. 11.999 kleine visjes zeiden ‘goedenacht’ en gingen slapen. Ook de grootmoeder ging naar bed. Alleen één klein rood visje kon de slaap niet vatten. Hij dacht diep na… Farzad Kamangar Een leraar, ter door veroordeeld, Evin-gevangenis.”

Over één ding zijn we het eens, de Ayatholla en ik. Sprookjes zijn krachtige wapens. Het zijn verhalen die mensen sterken, verhalen die ons en onze kinderen een onevenaarbaar inzicht geven in de menselijke natuur, de eeuwige strijd tussen het goede en het kwade, het rechtvaardige en het lasterlijke, het nabootsingwaardige en het te verafschuwen. Het maakt dat we ons kunnen verplaatsen in de positie van de ander, kunnen wennen aan diens gedachtegoed en dit eventueel in ons eigen leven nastreven. Het maakt ons dapperder. Het maakt ons moediger. Het maakt ons gevaarlijk voor zij die monotone, inspiratie- en fantasieloze, volgzame massa’s willen creëren. Het maakt van ons de drakendoder, de dappere jongeling die tot in de hel gaat en terug, voor de drie gouden haren van de duivel zelf, het zusje dat haar pinkje afsnijdt om haar broers te redden, het kleine hummeltje dat de reus zijn laarzen uittrekt om zijn broertjes veilig thuis te brengen, het bange meisje dat de moed vindt de gruwelijke heks eigenhandig in de oven te duwen en ellendig te laten verbranden. Het sprookje leert ons desnoods honderd jaar te wachten maar altijd te winnen.

Oh ja, een sprookje is het verbieden waard maar de Ayatollah vergeet één ding. Een sprookje kan men niet uitroeien. Men kan tv en radio verbieden, internet afsluiten, telefoons in beslag nemen, boeken verbranden, vrouwen verstoppen onder massa’s stof maar verhalen roei je niet uit. Ze zijn vervat in onze tweehonderdduizend jaar oude talige evolutie. Onze gevoeligheid voor de inhoud van het gesproken woord, is zo oud als taal zelf. Ons talent om verhalen op te slaan in ons geheugen, is ontwikkeld als cruciaal element om te kunnen overleven in een soms erg vijandige omgeving. Het is onuitroeibaar. Sprookjes gaan verder en de normen en waarden die erin vervat zitten, zoals vrijheid en rechtvaardigheid leven er voor altijd oppermachtig in voort, nog lang en gelukkig. Het is dan ook de verdienste van vertaalster Ann De Craemer om het verhaal van het zwarte visje verder te doen leven.


Recensie door Sara De Mulder


Samad Behrangi, Het kleine zwarte visje, vertaald door Ann De Craemer, Lannoo, 2011

Links
mailto:Sara.DeMulder@UGent.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be