War of the World

boek vrijdag 20 april 2007

Niall Ferguson

Volgens de vooraanstaande historiograaf Jay Winter kan geschiedschrijving aan het begin van de éénentwintigste eeuw enkel nog een pessimistische toon aanslaan. De oorlogen en conflicten tijdens de afgelopen honderd jaren waren zo bloedig en zo omvangrijk dat het onmogelijk is om nog positief te zijn over het verleden. Historici kunnen alleen nog maar terugblikken met een grote mate van nederigheid. Voor triomfalistische geschiedschrijving is er geen ruimte meer. Het boek War of the World. History’s Age of Hatred van de Britse historicus Niall Ferguson is hier een uitstekend voorbeeld van. Uiteraard is hij niet de eerste historicus die zich pessimistisch uitlaat over de geschiedenis van het westen en het Europese contitent tijdens de afgelopen eeuw. Denken we maar aan het populaire boek Dark Contintent van Mark Mazower uit 1998 of de werken van linkse historici zoals Tzvetan Todorov en Eric Hobsbawm. In tegenstelling tot de visie van deze auteurs echter, is de ellende volgens Ferguson nog niet voorbij.

Uitgesmeerd over 655 bladzijden geeft hij zijn relaas weer van de ontwikkelingen in de westerse wereld tijdens de twintigste eeuw. Dat beeld is schokkend en geeft een zeer pessimistische analyse van de aard van mens weer. Zoals gezegd is er echter niet alleen sprake van een ontnuchterende kijk op het verleden maar wordt er ook een verwachting geponeerd met betrekking tot de toekomst. Volgens Ferguson is de turbulente periode die begon met de eerste wereldoorlog niet ten einde, verre van. Hij beweert dat de westerse wereld nog steeds verwikkeld is in een proces waarbij het zichzelf langzaam maar zeker ten gronde aan het richten is.

De Britse schrijver H.G. Wells schreef in zijn roman War of the Worlds dat de beschaafde menselijke wereld zal vernietigd worden door buitenaardse wezens. Volgens Ferguson zijn het niet buitenaardse wezens die het grootste gevaar vormen. Het is de mensheid zelf die er voor zorgt dat we gedoemd zijn om uitgeroeid te worden. Alleen al wegens de omvang van het boek is het waarschijnlijk dat het de komende jaren veel stof zal doen opwaaien. De inhoud werd in 2006 reeds uitgezonden in een documentairereeks op het Britse Channel Four. Ook de vorige boeken van de historicus konden op ruime aandacht rekenen. In de Angelsaksische media werpt hij zich op als een veelzijdig intellectueel met een mening over allerhande belangrijke politieke en economische problemen. Wat zijn echter de onderliggende argumenten van Ferguson? Zijn ze geloofwaardig? En vooral, is de westerse wereld inderdaad nog steeds bezig om zichzelf te vernietigen?

Het lijkt er sterk op dat Ferguson door zijn pessimistische kijk heel wat ontwikkelingen over het hoofd ziet. Ik zal betogen dat het mensbeeld dat Ferguson presenteert in zijn boek ronduit strijdig is met de basisprincipes van het liberalisme en humanistische theorieën over de mensheid zoals we die terugvinden bij de filosofen Martha Nussbaum en Michael Ignatieff. Ik zou het boek ook willen gebruiken om stil te staan bij de relatie tussen geschiedschrijving en theorievorming. In het bijzonder wil ik bekijken wat de invloed is van het gebruik van metatheorieën op de interpretatie van het verleden. Het is mijn stelling dat theorievorming in het geval van dit boek een negatieve invloed uitoefent.

Het Gouden Tijdperk

Aan het begin van de twintigste eeuw zag de wereld er heel anders uit dan vandaag. De Westerse mogendheden regeerden met veel praalvertoon over de rest van de wereld en de interne sociale en economische orde binnen hun grenzen was stabiel. Het begin van de eerste wereldoorlog was volgens Ferguson dan ook een totale verrassing. Hierover schrijft hij het volgende: “The reality is that the First World War was a shock, not a long anticipated crisis”. Natuurlijk waren er voor 1914 reeds tekenen aan de wand dat niet alles gesmeerd liep. Zo was er de opkomst van Japan dat in 1905 Rusland vernederde tijdens een kortstondige militaire confrontatie. Het was de eerste maal dat een niet-Europees land er in slaagde een westerse grootmacht te verslaan. De historische omvang van deze gebeurtenis was voor veel Europeanen in 1905 onmiddellijk duidelijk: “The revelation that there was, after all, no inherent advantage to being a European swept like an enormous wave not just over Russia, but over the whole of the Western world “.

Ten tweede was er de behandeling van de Joden in het Tsaristische Rusland. Sinds 1881 werd de Joodse minderheid er systematisch vervolgd in lokale maar hevige pogroms. Als reactie hierop vluchtten vele Joden uit Rusland naar landen in Centraal Europa. Daar werden ze niet met open armen onthaald. Hun komst zorgde voor veel onrust en wekte latente racistische en antisemitische gevoelens op. Ten derde was er de opkomst van het sociaaldarwinisme. Deze stroming beweerde dat rassenzuiverheid een voorwaarde was voor het succesvolle voortbestaan van een volk of een natie op basis van pseudo-wetenschappelijke theorieën. Het zorgde voor groeiende animositeit tussen landen onderling en een onderdrukking van etnische minderheden binnen de grenzen van de Europese keizerrijken.

Ondanks deze onheilspellende fenomenen beweert Ferguson dat Europa zich aan het begin van de twintigste eeuw bevond in een Gouden Tijdperk. De negatieve processen die hierboven zijn beschreven werden beteugeld door economische voorspoed ten gevolge van economische globalisering en de aanwezigheid van stabiele keizerrijken. Het einde van economische globalisering en de instorting van de keizerrijken waren volgens Ferguson dan ook de directe oorzaken voor het begin van de gruwelijkheden van de twintigste eeuw. Er begon een fatale kettingreactie die tot op heden niet tot stilstand gekomen is. Het was het begin van de oorlog van de wereld.

Het einde van globalisering Globalisering en keizerrijken staan centraal binnen het denken van Ferguson. In voorgaande werken analyseerde hij uitvoerig de opkomst en ondergang van empires in de wereldgeschiedenis. Zonder diep in te gaan op zijn visies op keizerrijken is het belangrijk om te benadrukken dat hij ze aanziet als overwegend positief. In zijn boek Colossus uit 2004 beweert hij bijvoorbeeld dat de poging van de Amerikaanse president G.W. Bush en zijn neoconservatieve regering om een Amerikaans wereldrijk uit te bouwen een positieve onderneming is. Het is volgens hem de enige manier om aan het begin van de éénentwintigste eeuw de wereldorde te herstellen. De keizerrijken van de negentiende eeuw hadden het voordeel dat ze er in slaagden om op een vreedzame manier om te gaan met etnische diversiteit. Ze waren raciale melting pots waarbinnen de dominante cultuur ruimte liet voor minderheden om hun eigen identiteit te behouden. De keizerrijken zorgden ook voor economische groei en globalisering. Zo schrijft hij over de economische groei die aan het einde van de negentiende eeuw in Europa plaatsvond: “It is inconceivable that such high levels of economic integration would have come about in the absence of empires.” Keizerrijken leverden met andere woorden de noodzakelijke politieke context voor nationale en internationale, politieke en economische stabiliteit. Hun langzame ontmanteling na het einde van de eerste wereldoorlog zorgde voor endemische economische onzekerheid en een toename van raciale spanningen binnen territoriale natiestaten.

De eerste wereldoorlog was in de ogen van Ferguson het eindpunt van een proces van economische globalisering dat was begonnen tijdens de achttiende eeuw. Het einde van globalisering betekende het begin van de oorlog van de wereld. Onduidelijk blijft echter wat dan precies de oorzaak was van de eerste wereldoorlog. Meerdere historici hebben beweerd dat het net de machtspolitiek tussen de keizerrijken was die de wereldoorlog heeft veroorzaakt. Vooral de imperialistische politiek van het verenigde Duitsland onder leiding van Bismarck en later Bethmann-Hollweg wordt door velen aanzien als de hoofdoorzaak van het einde van een vreedzame periode op het Europese contitent. Aangezien Ferguson de nadruk legt op de heilzaamheid van het bestaan van deze rijken (empires) haalt hij dit argument onderuit. Hij geeft echter geen alternatief. Er was sprake van sociaaldarwinisme, het antisemitisme en de geopolitieke angst voor de opkomst van Japan.

Maar zoals gezegd, beweert hij dat deze negatieve tendensen werden beteugeld door de keizerrijken. De enige aannemelijke verklaring zou kunnen zijn dat de omvang van deze fenomenen zulke grote proporties had aangenomen dat ze niet meer controleerbaar waren door de empires aan het begin van de twintigste eeuw. Dit argument zou Ferguson bijvoorbeeld kunnen onderbouwen met de visie dat het sociaaldarwinisme sterk toenam aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Vooral in Duitsland vond deze Darwinistische benadering van de rassenleer door denkers als Gobineau en Houston Chamberlain grote geloofwaardigheid in brede lagen van de samenleving. Deze theorie is onder ander terug te vinden bij de Britse historicus George Mosse. Hierover is er in het boek echter geen duidelijkheid. De eerste wereldoorlog verschijnt op het toneel als een deus ex machina die het einde van de westerse beschaving inleidt. Bovendien is dit einde onomkeerbaar.

Oorlog met andere middelen Na het einde van de eerste wereldoorlog was er een korte periode van economische heropleving. Vooral onder invloed van de sterke Amerikaanse economie was er sprake van een lichte economische groei. Deze groei was echter van korte duur. De depressie na 1929 was niets minder dan de grootste economische catastrofe in de hele geschiedenis. Economische instabiliteit leidde bijna automatisch tot een opkomst van het fascisme in Italië en Duitsland: “It is hard to ignore the correlation between the magnitude of a country’s economic difficulties and the magnitude of its fascist vote.” Ook in de andere Europese landen was er sprake van een toename van autoritaire regeringen. De economische crisis zorgde ook overal in Europa voor een toename van de haat ten aanzien van de Joden. De crash van de Amerikaanse beurs was echter niet het enige probleem tijdens het Interbellum. Zo waren er de negatieve gevolgen van het principe van nationale zelfbeschikking in etnisch heterogene landen in Centraal Europa en Oost Europa. Hiermee komen we terug op het gegeven dat Ferguson een voorkeur heeft voor empires in vergelijking met natiestaten.

Vooral in regio’s waar en sprake is van grote culturele diversiteit bieden ze een betere politieke constellatie dan natiestaten. De val van het Ottomaanse en het Habsburgse Rijk wierpen het grootste deel van Centraal en Oost Europa in een draaikolk van etnische haat. Tijdens het Interbellum was er ook de toenemende militarisering van Japan onder keizer Hirohito . Dit proces resulteerde in toenemende territoriale spanningen tussen China en Japan. Met name het gebied Manchoerije zorgde voor aanhoudende onenigheid. Tijdens het jaar 1937 begon Japan met een reeks territoriale annexaties die zouden leiden tot een bloedige oorlog op grote schaal. De instabiliteit van het mondiale politieke systeem ten gevolge van de opkomst van Japan werd met andere woorden na het einde van de eerste wereldoorlog alleen maar groter.

Het Interbellum was in de ogen van Ferguson geen periode van vrede en stabiliteit. Vooral het feit dat de wereld er niet in slaagde om de internationale economische handel te doen herleven, lijkt binnen de analyse van Ferguson een grote rol te spelen. Er was nooit echt sprake van een terugkeer van de economische globalisering. Fascisme en protectionisme voorkwamen een structurele economische heropleving van Europa. Processen die voor het begin van de eerste wereldoorlog hun opwachting maakten, werden bovendien na het einde er van alleen maar versterkt of namen toe in omvang. Voorts was er het definitieve einde van de hegemonie van de keizerrijken in Europa en hun vervanging door soevereine natiestaten, een proces met catastrofale gevolgen.

De gemiste kans

Ferguson hekelt het Appeasement beleid van de Britse premier Neville Chamberlain. Deze kritiek is vrij traditioneel en algemeen bekend. Op basis van uiteenlopende argumenten besliste de toenmalige Britse premier om in 1938 een akkoord te sluiten met Hitler nadat deze onrechtmatig Sudetenland had geannexeerd. Vernieuwend is het argument van Ferguson dat de Britten in 1938 een oorlog hadden moeten beginnen tegen nazi-Duitsland. Hij beweert dat nazi-Duitsland in september van dat jaar geheel niet klaar was voor een oorlog. Het akkoord van München gaf Hitler de noodzakelijke tijd om een grootschalige continentale oorlog voor te bereiden. Indien Chamberlain in 1938 had besloten om nazi-Duitsland te bestrijden dan was de tweede wereldoorlog veel minder omvangrijk geweest: “It would prove much harder to fight Germany in 1939 it would have proved in 1938”. Impliciet beweert Ferguson hiermee dat de Holocaust waarschijnlijk nooit had plaatsgevonden zonder het Appeasement beleid van Chamberlain. In verband met de poging tot het uitroeien van de Europese Joden in concentratiekampen verdedigt Ferguson de theorie van cumulatieve radicalisering. Deze visie impliceert dat de nazi’s, en Hitler in het bijzonder, aanvankelijk niet noodzakelijk een fysieke uitroeiing van de Europese Joden voorstonden. Het belangrijkste argument voor deze visie zijn de pogingen om de Duitse Joden te exporteren naar Madagaskar of naar Poolse reservaten in de buurt van Lublin. De beslissing tot uitroeiing van de Joden werd pas genomen in oktober 1941, op het moment dat de Duitse invasie van de Sovjet-Unie aan het uitdraaien was op een mislukking.

Britse diplomaten in 1938 overschatten de militaire en economische macht van het Derde Rijk schromelijk. Hierdoor kon Hitler zijn gang gaan en tijdens het jaar 1940 op enkele maanden tijd heel Frankrijk onder de voet lopen. Het was het begin van een oorlog die voorgoed de morele status van Europa aan diggelen zou slaan. Chamberlain was niet de enige die de macht van Hitler had onderschat. Zo was Stalin totaal onvoorbereid toen Hitler op 22 juni 1941 operatie Barbarossa in gang schoot. Stalin reageerde op deze Duitse zet met totaal ongeloof. Hij was er van overtuigd dat Hitler het zogenaamde Duivelspact zou respecteren waarin zijn minister van buitenlandse zaken Von Ribbentrop enkele jaren voordien plechtig had beweerd dat nazi-Duitsland de Sovjet Unie niet zou binnenvallen. Het beleid van de Soviet dictator ten aanzien van Hitler was catastrofaal volgens Ferguson: “Stalin’s policy of trusting Hitler was a calamitous blunder without equal in the history in the 20th century”.

Het voorgaande suggereert dat de tweede wereldoorlog had kunnen voorkomen worden. Ongekende politieke misrekeningen van respectievelijk de Sovjet-Unie en Groot-Brittannië zorgden er voor dat de nazistische legers jarenlang het Europese continent konden terroriseren. De sterkte van de nazistische militaire middelen en de economische macht van het Derde Rijk waren volgens Ferguson immers niet zo groot als in het algemeen wordt aangenomen. Dankzij het kader van de theorie van cumulatieve radicalisering staat het zelfs niet vast dat er zonder wereldoorlog een Holocaust had plaatsgevonden. Binnen de algemene teneur van het boek is deze wending moeilijk begrijpbaar. Herhaaldelijk schetst de auteur het beeld dat de spiraal van geweld en de bijbehorende ondergang van het westen onoverkomelijk was geworden sinds het einde van de eerste wereldoorlog. Enerzijds wordt er gesproken van een onvermijdbare evolutie naar totale chaos, anderzijds is het begin van de tweede wereldoorlog afhankelijk van contingente factoren zoals het beleid van twee staatslieden. Deze paradox zorgt voor een irriterende onduidelijkheid met betrekking tot de oorzaken voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog.

Het ergste moet nog komen

Het einde van de tweede wereldoorlog betekende echter niet het einde van de oorlog van de wereld. Onmiddellijk na het einde van de hostiliteiten vonden er in heel Centraal en Oost Europa represailles plaats. Voornamelijk etnische Duitsers werden hardhandig aangepakt door de soldaten van het Rode Leger en door rancuneuze bewoners van landen die jarenlang brutaal waren onderdrukt door het Nazi regime. De zege van de geallieerden was met andere woorden niet meer dan een besmette zege in de ogen van Ferguson: “A tainted victory if indeed it was a victory at all.” Te meer omdat de tweede wereldoorlog naadloos overging in de Koude Oorlog . Op 25 juni 1950 viel Noord Korea zijn buurland Zuid Korea binnen. Tijdens de daaropvolgende oorlog met Amerikaanse interventie vonden drie miljoen mensen de dood. Daarna volgde de oorlog in Vietnam. Ook waren er de bijzonder brutale doodseskaders van de Cambodjaanse dictator Pol Pot.

De interpretatie dat de Koude Oorlog een relatief onschuldige wapenwedloop was tussen de Verenigde Staten en de Sovjet Unie, klopt niet volgens Ferguson: “It is sometimes claimed that the advent of mutually assured destruction ushered in an era of world peace. This is to misunderstand the nature of the Cold War.” De oorlog van de wereld had zich simpelweg verplaatst van het Europese continent naar gebieden in de derde wereld. Volgens hem is het daarom beter om te spreken van de derde wereldoorlog. Hierbij is Ferguson kritisch voor de rol van de Verenigde Staten in Latijns-Amerika. Dit is opvallend omdat hij in 2004 nog fel van leer trok tegen intellectuelen zoals Noam Chomsky die het Amerikaanse buitenlandse beleid tijdens de Koude Oorlog zwaar aan de kaak stellen. De Koude Oorlog betekende dus de verderzetting van de oorlog van de wereld.

Maar er is meer. Aan het einde van het boek plaatst hij ook de oorlogen in ex-Joegoslavië tijdens de jaren negentig van de twintigste eeuw en de genocide in Rwanda binnen het kader van deze oorlog. Het ‘einde van de geschiedenis’, aangekondigd door de Amerikaanse politieke filosoof Francis Fukuyama, is een utopie. Het boek krijgt op deze manier een verwarrend einde. Waarom worden al deze gebeurtenissen na 1945 op éénzelfde lijn geplaatst? Volgens de auteur is er weinig tot geen verschil tussen de oorlog in Vietnam, de genocide in Rwanda en de twee wereldoorlogen. Ze maken allemaal deel uit van de oorlog van de wereld. Bovendien geeft hij de lezers op de laatste bladzijden van de epiloog nog een uitsmijter mee. Indien China in de nabije toekomst Taiwan binnenvalt dan is de kans op nieuw mondiaal conflict bijzonder groot.

Deze strategie is alleen maar begrijpbaar wanneer we het mensbeeld van Ferguson in ogenschouw nemen. Ik zal tot slot van deze bespreking beweren dat dit theoretische mensbeeld de bovenhand neemt op de historische feiten die hij probeert weer te geven in zijn boek. Door alles in één theoretisch kader te plaatsen, worden ongelijksoortige fenomenen onder één noemer geplaatst. Er wordt ook een beeld geschetst van de mensheid en zijn toekomst dat overdreven pessimistisch is. Interessant is het daarbij om even stil te staan bij de relatie tussen geschiedschrijving en het gebruik van metatheoretische kaders binnen de context van dit boek.

Aard van de mens

De conflicten tijdens de twintigste eeuw hebben volgens Ferguson één ding met elkaar gemeen. Iedere keer is er sprake van een vergaande poging om een bepaalde bevolkingsgroep uit te roeien of om de status van de eigen bevolkingsgroep ten koste van alles te versterken. Bovendien was er telkens sprake van een opvallende aanwezigheid van een seksuele dimensie. Tegenstanders in de conflicten tijdens de twintigste eeuw moesten niet alleen fysiek worden uitgeschakeld ze werden ook telkens seksueel geïntimideerd of vernederd. Dit is duidelijk bij de genocide in Rwanda waarbij een groot aantal mannen zich vergrepen aan Hutu-vrouwen. Hetzelfde gebeurde tijdens de vergeldingsacties van de Russische soldaten van het Rode Leger na de bevrijding van de landen uit Centraal en Oost Europa uit de greep van het nazisme in 1945. Ook tijdens de invasies, uitgevoerd door Japanse soldaten, in China tussen 1937 en 1940 vonden er ontelbare verkrachtingen plaats. Ten slotte waren ook de nazi’s geobsedeerd door seksualiteit. Getuige hiervan de paranoïde obsessie om seksueel contact tussen Arische Duitsers en Joodse vrouwen te voorkomen op hetzelfde moment dat meerdere topfiguren binnen de partij er seksuele relaties met Joodse vrouwen op nahielden.

Volgens Ferguson valt de oorlog van de wereld dan ook te verklaren aan de hand van de aard van de mens. Deze wordt gekenmerkt door een drang naar zelfbehoud. Het manifesteert zich in twee gedragingen: een neiging tot fysieke destructie van iedereen die wordt aanzien als anders, en een streven naar seksuele onderdrukking en vernedering van mensen van het andere geslacht, zeker als deze ook nog eens behoren tot een ander ras. Deze biologische aard van de mens is evolutionair en dus onontkoombaar. Het is in dit opzicht dat de oorlog van de wereld volgens mij kan begrepen worden. Het is een oorlog die ontstaan is vanwege de evolutionaire geaardheid van de mens en is bijgevolg een oorlog die onvermijdbaar is. De aard van de mens is immers onveranderbaar. De enige manier waarop er een einde aan kan komen is de destructie van de mensheid zelf. Ieder militair conflict of interetnische strijd die sinds het begin van de twintigste eeuw heeft plaatsgevonden brengt ons een stap dichter bij het logische einde van de evolutionaire ontwikkeling van de mens.

Ferguson is uiteraard niet de eerste met een pessimistische analyse over de aard van de mens. Zo was er de Britse filosoof Thomas Hobbes tijdens de zeventiende eeuw. Hij beweerde dat de mens inherent geneigd is tot het voeren van strijd en oorlog. Hij bood echter meteen ook een oplossing. Door de macht over te dragen aan een soeverein kunnen burgers op een vreedzame manier met elkaar samenleven. Politieke instellingen kunnen met andere woorden de wreedachtige natuur van de mens kanaliseren. Sigmund Freud legde aan het begin van de twintigste eeuw de verborgen seksuele verlangens van de mens bloot. Ook hij koppelde het verlangen naar seks en voorplanting aan het steven naar fysiek zelfbehoud. Nergens in de werken van Freud is volgens mij echter het idee terug te vinden dat de seksuele driften van de mens zullen leiden tot de ondergang van de mensheid.

Het boek van Ferguson vertrekt vanuit een bijzonder pessimistisch mensbeeld. Het is een ingewikkelde en complexe discussie of dit mensbeeld ook strookt met de realiteit. In contradictie met Hobbes beargumenteerde Hugo Grotius bijvoorbeeld dat de mens niet wordt voortgedreven door zelfbehoud maar door mededogen. Hij trad hiermee in de voetsporen van Stoïcijnse denkers uit de Klassieke Oudheid zoals Seneca. Dit mensbeeld wordt tegenwoordig nieuw leven ingeblazen door de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum. Volgens haar is de mens van nature ook medelevend en niet alleen zelfzuchtig. Zij detecteert in de loop van de menselijke geschiedenis een streven naar saamhorigheid en wederkerigheid gebaseerd op gedeelde emoties zoals medeleven. Uiteraard is er in de geschiedenis sprake van veel bloedvergieten en terreur, toch is dit volgens haar geen bewijs van het feit dat de mens van nature en inherent geneigd is tot oorlog en destructie.

De discussie over de aard van de mens is een prominent thema binnen de wetenschappelijke discipline van internationale relaties en vormt de basis voor realistische en idealistische theorieën over de inrichting van de wereldorde. Deze discussie werd in populaire en politieke debatten de laatste jaren nieuw leven ingeblazen door Amerikaanse neoconservatieve denkers zoals Robert Kaplan en Robert Kagan. Net als Ferguson beschrijven zij de aard van de mens in apocalyptische terminologieën. Het dient echter te worden benadrukt dat hij er in slaagt om de onheilspellende tijdingen van zijn realistische collega’s te doen vervagen in het niets. Het is niet de bedoeling om hier het verschil tussen deze stromingen binnen de discipline van internationale relaties te beschrijven. Wel belangrijk is het gegeven dat Ferguson met zijn mensbeeld aansluit bij een reeks van hedendaagse denkers met een negatieve visie over de menselijke aard en het feit dat hij zijn boek baseert op een duidelijke filosofische en theoretische veronderstelling. Het is ook mijn overtuiging dat deze negatieve visies over de menselijke aard afkomstig uit de traditie van het realisme, tegenstrijdig zijn met het ideaal van een open samenleving gebaseerd op een overlappende consensus. In dit stuk werk ik deze kritiek niet verder uit. Wel wil ik benadrukken dat de visie van Nussbaum aansluit bij een brede liberale en humanistische traditie van filosofisch denken over de aard van de mens.

Filosofische debatten over de aard van mens: volledig genegeerd door Ferguson

De geschiedenis van de twintigste eeuw is inderdaad catastrofaal. Dat wisten we echter al voor het boek van Ferguson verscheen in het najaar van 2006. Historici zoals Mark Mazower, Tzvetan Todorov en Eric Hobsbawm hebben er voor gezorgd dat we nooit zullen vergeten welke gruweldaden er de afgelopen honderd jaren hebben plaatsgevonden. Betekenen de gebeurtenissen van de afgelopen decaden echter dat de mens gedoemd is om te verdwijnen? Deze vraag kan volgens mij alleen maar negatief worden beantwoord. Zoals al aangehaald, is het nog maar de vraag of de mens inderdaad inherent geneigd is om de uitroeiing van zijn soortgenoten na te streven. Zelfs indien dit zo zou zijn, dan nog zijn er politieke instellingen die er voor kunnen zorgen dat deze brutale menselijke aard kan worden beteugeld.

Zoals de Duitse filosoof Jürgen Habermas beargumenteert, is de invoering van het concept van universele mensenrechten binnen de internationale rechtspraak na 1945 ontegensprekelijk een bewijs van morele vooruitgang. De meest overtuigende verdediging van deze visie vinden we terug bij de Canadese filosoof (tegenwoordig politicus) Michael Ignatieff. Hij maakte als journalist nochtans van dichtbij de gruwelheden die plaatsvonden tijdens de etnische conflicten na de instorting van Joegoslavië mee. Ignatieff was toen in de gebieden aanwezig als journalist en zag de brutaliteiten die werden begaan in de naam van etnische zuiverheid van op eerste rij. Toch beweert hij in een uitvoerig essay in 2001 nog steeds dat het westen sinds het einde van de tweede wereldoorlog morele vooruitgang heeft geboekt dankzij de invoering van het concept van de universele mensenrechten.

Het grootste probleem bij het lezen van het boek is echter niet het mensbeeld van Ferguson. Als intellectueel heeft hij het recht om een realistisch mensbeeld aan te hangen. Het feit dat er niet dieper wordt ingegaan op de theoretische onderbouwing van de oorlog van de wereld is echter wel problematisch. Nergens treedt Ferguson in dialoog met andere denkers die zich hebben beziggehouden met bespiegelingen over de aard van de mens en de gevolgen hiervan op de politieke in het bijzonder. Van een intellectueel met zo een reputatie zoals Ferguson mogen we toch ten minste verwachten dat hij ons iets zou vertellen over een positief mensbeeld zoals we dat zien bij Martha Nussbaum of andere denkers. Hij schrijft echter gewoon zijn boek, somt alle conflicten op die hij kan bedenken en beweert dan aan het einde van het boek dat er een oorlog van de wereld aan het plaatsvinden is, een oorlog die zich ook nog zal verderzetten tijdens de éénentwintigste eeuw. Als China beslist om Taiwan aan te vallen is het immers al zo ver. Het zal dan ook niet verbazen indien Ferguson binnen afzienbare tijd op de proppen zal komt met een boek waarin hij voorspelt dat de opkomst van Islamfundamentalisme en Al-Qaeda de volgende fase is in de oorlog van de wereld.

Geschiedschrijving en theorie

Ik wil echter nog even stilstaan bij de relatie tussen geschiedschrijving en het gebruik van metatheorie binnen het boek dat ik heb besproken. Onder een metatheorie versta ik een theorie die pretendeert dat ze een veelheid van gebeurtenissen kan omsluiten binnen haar kader. Ferguson gebruikt een metatheorie. Deze kan kort beschreven worden: de mens is inherent slecht en zal strijden met andere mensen tot het bittere einde. De mensheid zal onvermijdelijk verdwijnen als slachtoffer van de oorlog van de wereld. Zoals hierboven al gezegd, ben ik het niet eens met de theorie van Ferguson. Het is een beeld van de mensheid dat niet overeenkomst met de basisbeginselen van het humanisme en de liberale traditie binnen de westerse filosofie.

Ik wil echter nog een volgende vraag opwerpen. Is het gebuik van zijn metatheorie goed of slecht voor zijn boek? Hij zelf zou antwoorden dat hij er op deze manier in slaagt om vele disparate gebeurtenissen die plaatsvonden tijdens de twintigste eeuw te verklaren. Alle conflicten zijn volgens hem een onderdeel van de oorlog van de wereld. Deze oorlog is het gevolg van de evolutionaire aard van de mens die streeft naar dominantie van zijn eigen ras en tussendoor ook zijn seksuele verlangens bevredigt door vrouwen van andere rassen te verkrachten. Maar was de Koude Oorlog niet eerder ideologisch dan etnisch of biologisch? Volgens mij zijn er tijdens de Koude Oorlog maar weinig Amerikanen naar de Sovjet Unie gereisd om daar de vrouwelijke onderdanen van de dictatoriale regimes van Lenin, Stalin of Chroestjov te gaan verkrachten. Wat ik hiermee duidelijk wil maken is dat niet alle conflicten tijdens de afgelopen eeuw kunnen beschreven worden als oorlogen die het gevolg zijn van de biologische aard van de mens. Ik denk bijvoorbeeld ook aan de oorlog in Vietnam. Of wat te denken van de oorlog op de Falklands? Een oorlog die door Ferguson zelfs helemaal niet aangehaald wordt. Ook de Suez crisis in 1956 ziet hij jammer genoeg over het hoofd. De gevolgen van de invoering van een metatheorie in het boek van Ferguson zijn in mijn ogen dan ook zeer nadelig. Het is wel erg moeilijk om alle oorlogen die tijdens de afgelopen eeuw hebben plaatsgevonden te plaatsen binnen het theoretische kader van de oorlog van de wereld. Misschien is het daarom dat belangrijke oorlogen en conflicten, zoals in de Falklands, gewoon niet worden besproken.

Daarom zou ik willen besluiten door toekomstige lezers van het boek aan te raden om het boek van Ferguson toch te lezen, maar om tegelijkertijd zijn metatheorie te negeren. Deze metatheorie is inhoudelijk betwistbaar omdat het een éénzijdig mensbeeld behelst dat strijdig is met de principes van het liberalisme en het humanisme waarin altijd wordt uitgegaan van het goede in de mens. Ik heb ook proberen te beargumenteren dat ze er ook niet in slaagt om alle oorlogen die tijdens de twintigste eeuw hebben plaatsgevonden thuis te brengen onder haar vleugels. Het boek bevat echter wel meerdere mooie hoofdstukken die de moeite waard zijn om te lezen. Zo is er zijn stelling dat een oorlog tegen nazi-Duitsland in 1938 de Holocaust waarschijnlijk had kunnen voorkomen. Vele andere interessante inzichten worden doorheen het boek aangeboden. Deze zijn zonder meer het lezen waard en zullen gedurende de komende jaren volgens mij zeker ingezet worden tijdens historische debatten.

Bijzonder helder zijn ook zijn beschrijvingen van de alomtegenwoordige rassenhaat en haar invloed op het dagelijkse leven van Joden over heel Europa tijdens het eerste deel van de vorige eeuw. Zijn passages over de vervolging van de Joden en de opkomst van het sociaaldarwinisme bieden ons lessen aan die we in een multiculturele en open samenleving die streeft naar een overlappende consensus zeker niet mogen vergeten. Interessant is ook het feit dat Ferguson uitvoerig gebruikmaakt van de dagboeken van Victor Klemperer. Dat is een Joodse filoloog uit Dresden die schrijft over de periode voor de tweede wereldoorlog in nazi-Duitsland, over de gruweldaden tijdens de oorlog en de moeizame herintegratie van de Joden in het nieuwe Duitsland na 1945. Deze drie belangrijke fases in de geschiedenis van Duitsland beschrijft Klemperer als Jood in een Oost Duitse stad bijzonder helder en levendig. Zijn dagboeken bieden een onbetaalbare bron aan informatie over het leven onder het nazisme en de tweede wereldoorlog. Misschien kan ik daarom besluiten met een oproep aan Ferguson zelf. Ik zou hem willen aanraden om verder te blijven schrijven als historicus maar om metatheoretische filosofische beschouwingen zo veel mogelijk uit zijn volgende werken te bannen. Laat debatten over de aard van de mens over aan de filosofie, beste Niall.


Recensie door Christophe Andrades



De recensent is docent politieke filosofie en politieke geschiedenis aan de Universiteit van Maastricht.



Literatuur



Ferguson, N. (2006). The War of the World. History’s Age of Hatred, London: Allan Lane.



Ferguson, N. (2004). Colossus. The Price of America’s Empire, New York: The Penguin Press.



Freud, S. The Essays on the Theory of Sexuality, in, James Strachly(Eds.), The Standard Edition of the Complete Psychological Works of Sigmund Freud, London: Hoghart Pess.



Habermas, J. (2006). Interpreting the Fall of a Monument, In Amy Bartholomew (Eds.), Empire’s Law. The American Imperial Project and the War to Remake the World, London: Pluto Books.



Hobbes, T. (1989). Leviathan, Meppel: Boom Klassiek



Hobsbawm, E. (1994/2000). Een Eeuw van Uitersten. De Twintigste Eeuw 1914-1991,Amsterdam: Het Spectrum.



Ignatieff, M. (2001). Human Rights as Politics and Idolatry. Princeton: Princeton University Press.



Kagan, R. (2004) Balans van de Macht. De Kloof tussen Amerika en Europa, Amsterdam: De Bezige Bij.



Kaplan, R. (2002) Krijgspolitiek. Lessen voor de Toekomst van Klassieke Denkers, Utrecht: Het Spectrum.



Mazower, M. (1998/2000). Dark Continent. Europe’s Twentieth Century, New York: Vitange Books.



Mosse, G. (1981). The Crisis of German Ideology: Intellectual Origins of the Third Reich. New York: Howard Fertig.



Nussbaum, M. (2004). Hiding from Humanity. Disgust, Shame, and the Law, Princeton en Oxford: Princeton University Press.



Nussbaum, M. (2001). Upheavals of Thought. The Intelligence of Emotions. Cambridge : Cambridge University Press.



Todorov, Z. (2000). Mémoire du mal,tentation du bien. Enquete sur le Sciècle, Paris : Robert Laffont.



Winter, J. (2006). Remembering War. The Great War Between Memory and History in the Twentieth Century, New Haven: Yale, University Press.

Ferguson, N., War of the World. History’s Age of Hatred, London: Allen Lane, 2006

Links
C.Andrades@PHILOSOPHY.unimaas.nl
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be