Hulp

boek vrijdag 09 november 2007

Ralf Bodelier en Mirjam Vossen

We hebben het nog nooit zo goed gehad. Nog nooit kenden we wereldwijd zoveel welvaart, was de kindersterfte zo laag en de gemiddelde levensverwachting van de mens zo hoog. Die evolutie is merkbaar op zowat alle continenten behalve in Afrika. Daar trappelt men ter plaatse of gaat men er zelfs op achteruit. Niet te verwonderen dat steeds meer Afrikanen op de vlucht slaan naar Europa om er asiel aan te vragen of er illegaal onder te duiken. De oorzaken zijn gekend: honger, tribalisme, etnisch geweld, kortom een gebrek aan perspectief. Daar trachten de rijke landen via ontwikkelingshulp al jaren aan te verhelpen maar de resultaten lijken ondermaats. Sommige politici en opiniemakers vragen zich dan ook luidop af of die hulp wel nuttig is en of we er niet beter zouden mee ophouden. Volgens sceptici zorgt ontwikkelingshulp alleen maar tot een vorm van afhankelijkheid en heel wat geld dat bedoeld is om de armen te helpen komt terecht bij corrupte leiders en ambtenaren. Toch zijn er ook lichtpunten. De voorbije jaren werden heel wat positieve resultaten geboekt die maken dat miljoenen mensen eindelijk kunnen beschikken over onderwijs, inenting tegen ziektes en proper water. Nog belangrijker is evenwel het groeiende besef bij westerse regeringen en particulieren dat we dringend in actie moeten komen.

Over de zin en onzin van ontwikkelingshulp schreven de publicist Ralf Bodelier en de ontwikkelingsgeograaf Mirjam Vossen het boek Hulp. Waarom ontwikkelingshulp moet, groeit en verandert. Het is een boeiende en informatieve tekst waarin de heersende opinies over de hulp aan het Zuiden onder de loep worden gehouden, de oorzaken van de armoede worden ontleed, diverse concepten van hulpverlening worden doorgelicht en ook concrete voorstellen worden aangereikt. Zowat alle facetten passeren de revue: de impact van de officiële hulp, de opmars van private hulpverlening door bedrijven en celebrities als Bono, Madonna en Angelina Jolie, de rol van de blauwhelmen in de rampzalige conflicten in Centraal Afrika en Sierra Leone, het nefaste effect van brain drain in Afrika maar ook de positieve keerzijde ervan, het belang van microkredieten, en de dubieuze rol van China in de hedendaagse hulpverlening. Beide auteurs maken zelf deel uit van de groeiende groep van doe-het-zelf ontwikkelingshelpers, mensen die aansluiten bij wat de auteurs de ‘morele globalisering’ noemen. Via hun stichting Het Goede Doel staan ze zevenduizend Malawianen terzijde in hun poging om een menswaardig bestaan op te bouwen. Ze zorgen voor schoolgeld voor de kinderen, slaan waterputten en voeren er – in overleg met de lokale bevolking – landbouwprojecten door. Hun ervaringen lopen als een rode draad doorheen het boek.

Hun stichting is ‘één van de vele duizenden in Nederland die zich aan de keukentafel inzetten voor Afrika. Al is het maar omdat je in Afrika nog het verschil kunt maken’, zo schrijven de auteurs die duidelijk blijk geven van idealisme en positivisme. Dat bleek al uit het vorige boek van Ralf Bodelier (Tegen de angst, 2005) waarin hij pleit voor een principieel optimisme zonder te vervallen in naïviteit, en dit tegen het negativisme en catastrofe denken van zowel extreem linkse als extreem rechtse populisten, radicale milieuactivisten en antiglobalisten. Ook in Hulp verdedigt hij samen met Mirjam Vossen een bij uitstek liberale visie, ‘met “liberaal” in de brede, ruimdenkende en sociale zin van het woord’. Ze steunen op de ideeën van Nobelprijswinnaar en ontwikkelingseconoom Amartya Sen, auteur van het boek Vrijheid is vooruitgang. Volgens Sen is ontwikkelingshulp niets meer of minder dan ‘het elimineren van onvrijheid, van armoede en tirannie, van het gebrek aan economische kansen, van de verwaarlozing van openbare faciliteiten, van intolerantie of van onderdrukkende regimes’. Het gaat bij Sen niet alleen om economische groei, maar in eerste instantie om ‘vrijheid van onderwijs, vrijheid van gezondheidszorg, vrijheid voor vrouwen en vrijheid om deel te nemen aan politieke besluitvorming’.

De auteurs vertalen deze bevlogen idealen in heel concrete zaken zoals het slaan van waterputten om dorpelingen te bevrijden van diarree of het betalen van schoolgeld om tieners te bevrijden uit hun onwetendheid. ‘Hulp moet de absoluut armen aan de vrijheid helpen die nodig is om zichzelf te ontwikkelen’, schrijven ze. Hulp blijft dus absoluut nodig, waarmee Bodelier en Vossen zich afzetten tegen diegenen die geloven dat een absolute vrije markt en het opengooien van grenzen alleen voldoende zijn om Afrika uit de misérie te tillen. In feite sluiten ze aan bij de visie van ondermeer Benjamin Barber die in zijn boek Jihad vs McWorld duidelijk maakte dat geen enkele natie nog onbekommerd van overvloed en welvaart zal kunnen genieten zolang andere naties daar ook geen kans toe krijgen. ‘Ook het lijden is gedemocratiseerd en de mensen die het het moeilijkst hebben, zullen middelen vinden om de mensen die het verst verwijderd zijn in hun pijn te laten delen. Als de rechtvaardigheid niet gelijk kan worden verdeeld, zal de onrechtvaardigheid gelijk worden verdeeld; als niet iedereen kan delen in de welvaart, zal verpaupering – in materiële en spirituele zin – ons allen ten deel vallen. Dat is de harde les die wederzijdse afhankelijkheid ons leert’, aldus Barber. De vraag is dus niet óf we moeten helpen, maar hoe we moeten helpen.

Hulp kan, in tegenstelling tot wat velen denken, inderdaad effectief zijn. Tegen het doemdenken in geven de auteurs enkele succesvolle voorbeelden. Zo nam wereldwijd de kindersterfte gevoelig af, gingen meer kinderen dan ooit tevoren naar school, en daalde in landen waar men aan aids-preventie doet (door het promoten en gratis verdelen van condooms zoals in Thailand) het aantal besmettingen. Ze verwijzen naar het succes van family planning in Bangladesh waar het aantal kinderen per gezin halveerde en naar het terugdringen van de gevaarlijke rivierblindheid in Centraal Afrika. Bijna zeventig procent van alle hulpprojecten zijn succesvol. Maar de auteurs erkennen dat hulp vooral werkt wanneer die wordt ingezet in landen met ‘goed bestuur’. Dat is ook logisch, want waar niet goed bestuurd wordt, worden de middelen massaal achterover gedrukt door leiders en ambtenaren. Intussen beseffen de donoren dat zelf ook zodat er nu tal van projecten lopen om corruptie zelf te bestrijden. Dit leidde tot veel scepsis bij heel wat (westerse) burgers tegenover de officiële hulp en zelfs tegenover de acties van grote NGO’s. Maar de solidariteit en belangloze inzet voor de armen in het Zuiden blijft volgens de auteurs intact. Zo is er een onmiskenbare opmars bezig van kleinschalige projecten waarvan de initiatiefnemers, doorgaans vrijwilligers, weten dat er niets aan de strijkstok blijft hangen.

Recent is ook de toenemende inzet van bekende artiesten en bedrijfsleiders voor het goede doel. Hier zijn de auteurs heel wat kritischer. Ze verwijzen naar Bob Geldof die in de jaren tachtig miljoenen dollars inzamelde voor hongerige kinderen in Ethiopië. Volgens onderzoekers was dit evenwel een fiasco en stierven door dit initiatief onrechtstreeks tienduizenden Ethiopiërs. Veel voedselhulp zou naar het Ethiopische leger zijn gegaan in de strijd tegen Eritrea en Somalië. Essentieel voor een goede hulpverlening is dat er eerst komaf wordt gemaakt met geweld en oorlog. Bodelier en Vossen verwijzen naar Sierra Leone waar goedgetrainde Britse militairen een rebellenleger versloegen waarna het land weer de weg insloeg van de democratie. En naar Liberia waar een hard optreden van de Amerikanen zorgde voor de overgave van de beruchte warlord Charles Taylor (die inmiddels terechtstaat voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag), waarna verkiezingen werden gehouden. Ook hier is sprake van een positieve evolutie al was het maar omdat het principe van de soevereiniteit van staten langzaam maar zeker plaats moet ruimen voor de soevereiniteit van burgers. ‘Hoe soeverein landen ook moge zijn, geen regering heeft het recht haar burgers uit te moorden of te laten uitmoorden’, schrijven de auteurs. Dat is trouwens de reden waarom de internationale gemeenschap voluit de jacht moet openen op rebellenleider Joseph Kony, die verantwoordelijk is voor de moordenpartijen door kindsoldaten in Oeganda.

De auteurs zijn uitgesproken voorstanders van de globalisering in die zin dat het Westen moet helpen om ‘de dictators en de concentratiekampen op te ruimen, door de rechtstaat en de democratie in te voeren, door kinderen naar school te sturen voor onderwijs en langs de kliniek voor vaccinaties, en door iedereen aan te sluiten op internet. Kortom, door de globalisering een handje te helpen.’ Ze pleiten voor twee legers: een aanvalsleger en een ontwikkelingsleger. Het eerste uitgerust met wapens, het tweede met schoolbenodigdheden, medicijnen, technieken voor de landbouw en microkredieten. Sommigen zullen deze visie afdoen als een nieuwe vorm van kolonialisme, maar ook daar zijn Bodelier en Vossen heel duidelijk in. Essentieel is dat de hulp gebeurt in overleg en ten bate van de lokale bevolking, zodat ze zelf de hefbomen in handen krijgen om hun land en zichzelf uit de armoede te tillen. Wat ze in feite willen is ‘empowerment’ van mensen en geen paternalisme of afhankelijkheid. Daarin is het begrip ‘ownership’ of ‘eigenaarschap’ essentieel. Spijtig genoeg werken de auteurs dit niet verder uit. Dat doet de Peruaanse ontwikkelingseconoom Hernando de Soto wél. In zijn werk Het mysterie van het kapitaal wijst De Soto op de noodzaak van het eenvoudig toekennen van eigendomsrechten aan de armen. Het omzetten van hun illegale bezittingen in legale zou een enorme toename van welvaart voor de armen betekenen.

De auteurs pleiten voor ‘praktisch idealisme’ waarbij het uiteindelijke doel de zelfontplooiing van de armen is. Een progressieve liberale gedachte waarmee ze aantonen dat traditioneel altruïsme en modern individualisme niet hoeven te botsen. Bodelier en Vossen doen, in tegenstelling tot heel wat antiglobalisten, dan ook niet denigrerend over bedrijfsleiders die aan hulpverlening doen. Zo besteedt Bill Gates meer dan een derde van zijn reusachtige vermogen aan allerlei ontwikkelingsprojecten. Net zoals in zijn commerciële activiteiten kijkt Gates hierbij naar de rentabiliteit van zijn ‘investeringen’, niet ten bate van zichzelf, maar ten bate van de armen. Vaccinatieprojecten die hij financiert moeten hun doelstellingen halen zoniet schort hij de steun op. Dergelijke vorm van hulpverlening is dan ook bijzonder efficiënt. Dat bedrijfsleven en hulp samen gaan is volgens de auteurs ook logisch. ‘Ze vullen elkaar aan. Hulp helpt extreem arme landen met goede gezondheidszorg en fatsoenlijk onderwijs. Ondernemers verschaffen een land werkgelegenheid en scheppen goederen. Een multinational kan niks met zieke en ondervoede analfabeten. En het onderwijzen van mensen zonder uitzicht op werk is een activiteit zonder rendement.’ Het zal neomarxisten hard in de oren klinken maar zaken als eigendom, private hulpverlening en rendement zijn belangrijke middelen in de strijd tegen de wereldwijde armoede.

Even controversieel is de visie van Bodelier en Vossen op migratie. Dat zorgt voor brain drain en is dus slecht voor arme landen, maar er zijn ook grote voordelen. Zo sturen migranten enorme bedragen terug naar hun land van herkomst (161 miljard dollar of twee keer zoveel als alle ontwikkelingshulp van de westerse landen; in de praktijk is dit allicht nog veel meer), waar het door de ontvangers zelf en efficiënt wordt ingezet. Migratie leidt ook tot brain circulation en brain gain. Westerse landen zouden creatiever moeten zijn en migranten voor enkele jaren toelaten zodat ze hier geld kunnen verdienen. De auteurs doen daarbij een interessant voorstel: waarom laten we wie hier binnenkomt geen borgsom betalen (ter hoogte van wat ze nu moeten betalen aan mensensmokkelaars) dat ze na het verlaten terugkrijgen met rente. Ook hier gaan de auteurs in tegen de verstarring en het conservatisme van westerse politici die – vaak uit electorale redenen – blijven vasthouden aan een Fort Europa.

Helpen: iedereen wordt er beter van, zo eindigen Bodelier en Vossen hun enthousiaste pleidooi voor een ‘morele globalisering’. ‘Wanneer het Westen zich inzet voor het Zuiden, wordt het Westen nog gelukkiger, nog veiliger en nog rijker dan het nu al is’, schrijven ze. Het is een schitterend en overtuigend antwoord op de westerse politici die hun burgers voortdurend angst inblazen voor de anderen. ‘Als het Zuiden aan zijn extreme armoede ontsnapt en zich economisch ontwikkelt, kan het niet alleen goedkope goederen, diensten en arbeid aan het Westen leveren. Dan dient het ook als afzetgebied voor westerse goederen en diensten. Hoe groter de markt, hoe hoger de economische groei en hoe minder de armoede’. Dat betekent niet dat we onze hulp moeten stopzetten, integendeel. De auteurs verwijzen naar de Indiase vrijemarkt-econoom Jagdish Bhagwati die stelt dat ontwikkelingshulp geen verstoring is voor de vrije markt. Het kan er juist voor zorgen dat landen die momenteel te zwak staan hierdoor in een betere positie komen om aan te sluiten bij de globalisering. Een andere belangrijke stap zou alvast de afschaffing zijn van het protectionisme, in het bijzonder de importheffingen en exportsubsidies, door de rijke landen. Dit zou miljoenen armen in het Zuiden kansen bieden en uit hun armoede tillen.

Dit boek is een antidotum voor het doemdenken en het cynisme rond de problematiek van de armoede en ontwikkelingshulp. Met een aanstekelijk optimisme tonen de auteurs aan dat het ondenkbare mogelijk is: een wereld zonder extreme armoede. Dit boek is niet alleen een must voor politici en andere maatschappelijke verantwoordelijken maar voor elke burger. Het koppelt het belang van de bestrijding van armoede aan ons eigen belang. ‘Wordt een advocaat van de armen’ is de eerste van veertien tips die Bodelier en Vossen op het einde van hun boek geven aan mensen die op een of andere manier willen helpen. In navolging van liberale denkers als Amartya Sen, Martha Nussbaum en Hernando de Soto bieden ze een overtuigende visie op ontwikkelingshulp en een sterk argument waarom we het budget voor ontwikkelingshulp snel en fors moeten optrekken.


Recensie door Dirk Verhofstadt



Het boek is ook te koop op de website www.wordsunlimited.nl



Op zondag 11 november a.s. is Liberales opnieuw present op de Boekenbeurs te Antwerpen (Antwerp Expo). Om 16u.30 wordt een debat georganiseerd in zaal Architectura Rechts met Ralf Bodelier en Mirjam Vossen over het boek 'Hulp. Waarom ontwikkelingssamenwerking moet, groeit en verandert'. Jos Geysels modereert.

Ralf Bodelier en Mirjam Vossen, Hulp, Inmerc, 2007

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be