De joods-Hongaarse schrijver György Konrad is een van belangrijkste levende schrijvers. Onlangs schreef hij Het verdriet van de hanen, zijn nieuwste, ronduit schitterende boek. Het hoofdpersonage is een zekere Kalligaro, maar het is een handigheidje van de auteur om over zichzelf te spreken met weer een autobiografie als resultaat. Terwijl zijn twee vorige werken Geluk en Zonsverduistering een chronologische volgorde hebben, overstijgt hij dit genre en krijgt het de vorm van een filosofisch traktaat over de zin en onzin van zijn leven, over de gebeurtenissen in zijn land en diegenen die hem dierbaar waren. Het boek is een lyrische, soms melancholische tekst waarin de oude meester blijk geeft van een groot inlevingsvermogen en tegelijk van zijn scherp bewustzijn van de relativiteit het leven. Ik zocht Konrad op in zijn buitenverblijf in het dorpje Hegymagas. Eerst nam hij me mee naar een oud gebouw op een heuvel met uitzicht op het betoverende Balatonmeer. Minutenlang staarde hij naar het indrukwekkende panorama, een heuvelachtig landschap en het water waarvan de kleur voortdurend verandert. Daarna zetten we ons in de veranda van zijn ‘datsja’ met uitzicht op zijn kleurrijke tuin vol bloemen en planten en praten we over het leven, de dood en zijn dierbaarste herinneringen.

Het hoofdpersonage in je boek is Kalligaro terwijl het duidelijk over uzelf gaat. Waarom hebt u niet gewoon in de ikvorm geschreven?

György Konrad: Het is vervelend om steeds over uzelf te schrijven. Over ik, ik, ik of mij, mij, mij. Dit boek is geen echte autobiografie. Het is een bespreking van mijn leven vanuit het standpunt van een derde. De grens tussen realiteit en herinnering is bijzonder dun. Ik denk dat het onmogelijk is om een juist onderscheid te maken tussen realiteit en fantasie. Net daarom heb ik de fictieve naam ‘Kalligaro’ gebruikt. Maar zo fictief is hij niet. Ik kwam die naam tegen op een betonsteen. Blijkbaar ging het om iemand uit het begin van de 20ste eeuw die beton produceerde. Het leek me een leuke naam voor een fictief personage.

Ik had bij het lezen regelmatig de indruk dat u afscheid aan het nemen bent van het leven? Is dat een juiste indruk?

György Konrad: Ik schreef dit boek toen ik net zeventig werd. Dat was voor mij een bepaalde grens. Toen besloot ik om al mijn academische activiteiten (György Konrad was voorzitter van de Berlijns-Brandenburgse Kunstacademie) neer te leggen en mij terug te trekken. Noem het maar een late midlifecrisis, een soort zelfgekozen infantilisme. Maar nadien werd ik 71 en dan 72 en vond ik het wat ridicuul om voortdurend bezig te zijn in een sfeer van sentimentaliteit en afscheid nemen. Nu leef ik van dag tot dag en schrijf ik verder. Schrijven is geconcentreerde levenswil en ik probeer me opnieuw te overtreffen.

Kalligaro ervaart bijna lichamelijk hoe de hem nog toegemeten tijd verstrijkt’. Hebt u daar aanwijzingen voor?

György Konrad: Ja, maar meer zeg ik daar niet over.

U schrijft dat u onopvallend zou willen sterven en zonder hinder voor uw medemensen. Bent u dan liever alleen?

György Konrad: Zeker. Ik hou er bijvoorbeeld niet van om mensen uit te nodigen voor mijn verjaardag. Toen ik zestig en nadien zeventig jaar oud werd, hebben anderen voor mij iets georganiseerd. Maar ik heb liefst niet teveel mensen rondom mij. Zelfs op een kerkhof ligt het mij te vol. Na mijn dood laat ik mij tot as verbranden zoals dat vroeger met mijn klasgenootjes is gebeurd. Die laat ik dan verstrooien op een stukje grond dat ik wil kopen op een heuvelrug met zicht op het Balatonmeer.

‘Onze tekortkomingen worden in een reusachtig kasboek bijgehouden’, zo schrijft u. En wat verder ‘Hij is geen atheïst, maar heeft het gevoel dat de totaliteit God is.’ Hoe staat u tegenover geloof en godsdienst?

György Konrad: Ik geloof niet in een persoonlijke God maar woorden zelf zijn een goddelijke creatie. Van religies hou ik niet, die zijn mij niet heilig genoeg. Religies zijn teveel verbonden met macht en bezit, ze zijn te materialistisch, te middelmatig en dus te menselijk. En dan heb ik het nog niet over de geestelijken die grenslijnen trekken tussen mensen en elke humanistische empathie op de achtergrond dringen. Ook zij zijn al te menselijk.

Als alles menselijk is, wat kan dan nog zorgen voor transcendentie?

György Konrad: De wereldliteratuur want die omvat, beschouwt en bespot de religies. Je kent toch het verhaal van kalief Omar die de bibliotheek van Alexandrië in brand stak waardoor talloze boekrollen verloren gingen? Dat gebeurt nu opnieuw en ik ben er bang voor. Bang dat er nieuwe mensen zullen opstaan die boeken verbranden uit fanatisme. Religieus fanatisme is naast fascisme en communisme de derde vorm van totalitarisme waarbij men één enkel boek als de samenvatting ziet van alle wijsheid. Dat leidt tot bloedige catastrofes.

Hoe staat u dan tegenover godsdienstonderwijs?

György Konrad: Het is niet goed dat kinderen maar over één godsdienst en één boek leren. Ze zouden beter filosofieles krijgen zodat ze in contact komen met verschillende zienswijzen. Als ik al een religie heb dan is het de religie van de bibliotheek. Toen ik klein was had ik een eigen godsdienstleraar want ik wou niet naar de Talmoedschool gaan. Die leraar wist dat kinderen graag sprookjes lezen en hij las dan ook voor uit de Bijbel dat vol dergelijke sprookjes staat. Toen ik van mijn grootvader een mooie Bijbel kreeg, schreef hij er een opdracht in: ‘Je moet niet alles geloven wat je hierin leest maar je moet er over nadenken’. In het begin van je boek schrijft u dat het leven in 1943 nog dragelijk was omdat uw klasgenoten toen nog leefden. Die kinderen werden in 1944 door de nazi’s vergast. Was uw leven vanaf dan ondragelijk?

György Konrad: Neen, dat bedoel ik niet. Ook nadien was mijn leven dragelijk, maar dat ik dit overleefde was gewoon een toevalligheid. Mijn moeder protesteerde tegen de aanhouding van mijn vader en we trokken weg uit mijn geboortestad Berettyóújfalu naar Boedapest. Dat heeft mijn leven gered want één dag later werden alle joden uit Berettyóújfalu gedeporteerd. Niet alleen mijn klasgenoten, maar ook vijf van mijn neven en nichten, drie zusters van mijn vader en twee zusters van mijn moeder zijn in Auschwitz en Mauthausen omgebracht en een oom van moederskant werd doodgeschoten door de Hongaarse fascisten. Ik heb gewoon geluk gehad en dan mag ik niet zeggen dat de rest van mijn leven ondragelijk was.

U schrijft dat het meest gewaagde avontuur van de twintigste eeuwse intelligentsia het radicale etatisme was met een almachtige staat. Kan u dit toelichten?

György Konrad: De 19de eeuw was nog de periode van de behoudsgezindheid met klassieke dynastieën zoals de Habsburgers, de Romanovs, de Hohenzollern en in Groot-Brittannië de het Victoriaanse tijdperk. De 20ste eeuw werd de periode van de radicale intelligentsia. Geen rijke en adellijke mensen meer zoals een Otto von Bismarck maar mensen die van onder kwamen zoals Vladimir Iljitsj Oeljanov (Lenin), Iosif Dzjoegasjvili (Stalin), Benito Mussolini en de zoon van Alois Schicklgruber (Hitler). Allemaal onbekende mensen die plots wereldleiders werden. Het was ook de periode van de politieke, filosofische en artistieke avant-garde. Tegelijk de religie van de wil in het zog van Friedrich Nietzsche en het gevecht om de sterkste te zijn in het zog van Marx en Darwin. Dit alles vormde het grote keerpunt in de eeuw die duurde van 1914 tot 1989. Zelfs de Balkanoorlog van de jaren negentig was er nog een overblijfsel van. In West Europa eindigde die vreselijke eeuw met de creatie van de Europese Unie. Daarin kwam opnieuw het individu en niet langer de staat centraal te staan.

Toch hebben heel wat filosofen en schrijvers dat radicale etatisme zo vurig verdedigd. Ik denk aan Jean-Paul Sartre

György Konrad: Ik schrok daarvan. Zo hoorde ik hem de Culturele Revolutie in China verdedigen waarbij talloze intellectuelen in concentratiekampen verdwenen. Hij zei dat die mensen een heropvoeding nodig hadden. Ik kon niet geloven dat hij zoiets stom zei. Het was trouwens niet alleen Jean Paul Sartre. Ik ervoer tijdens mijn leven dat heel wat erudiete, goed opgevoede, slimme en intelligente collega’s van mij, hun huik naar de wind hingen, dat ze blind bleven voor misstanden en gemakkelijk vergaten dat andere mensen pijn leden. Maar ook voor die intellectuelen die eerst hadden geloofd in de gepreekte ideologieën en er nadien teleurgesteld in raakten heb ik geen medelijden. Wie zich had laten beetnemen was een onbenul. Weet je, die blindheid kom ik ook vandaag nog tegen. In de jaren negentig was ik op een PEN-congres (PEN is een niet-politieke, onafhankelijke vereniging een organisatie die het opneemt voor schrijvers, die vanwege hun werk vervolgd worden, of gevangen worden genomen of gehouden, vaak zonder enige vorm van proces, nvdv) en voerde er een gesprek met twee mooie zwarte dames. Een van hen was een schrijfster. Toen ik haar vroeg waarom die Hutu’s zoveel Tutsi’s hadden vermoord, moest ze even nadenken en gaf me het volgende onthutsende antwoord: ‘Omdat ze Tutsi’s zijn’.

We zitten hier in Hegymagas, een nog onbedorven streek. ‘De achterstand van dit gebied is een kostbare schat. Waarom zouden we de vergissingen van het Westen herhalen?’ Maar aan de andere kant bent u opvallend positief over de stad. Is dit geen tegenstelling?

György Konrad: Zeker niet, ik hou van allebei. Heel wat Duitsers kopen hier een huis in de buurt omdat ze van de streek houden. Het eerste dat ze doen is beton in de tuin gieten tegen de modder of om hun auto dichter bij het huis te kunnen parkeren. In Hegymagas kennen ze mij en bieden inwoners mij een drankje aan. Hier komt niemand die iets van mij gedaan wil hebben waar ik geen zin in heb. Daarnaast hou ik van de anonimiteit van de stad. In tijden van bezetting en dictatuur is de stad de plaats waar je een schuilplaats en beschermers kunt vinden. Toen ik elf was kwam ik naar Boedapest en daar was het eenvoudig om me te verbergen of te vluchten. Ook tijdens de communistische periode vond ik de stad aantrekkelijk omdat ik er gemakkelijk mijn manuscripten kon verbergen zodat de politie niet al mijn kopieën kon vinden.

Na de opstand van 1956 zijn tal van uw vrienden naar het buitenland vertrokken. U deed dat niet. Waarom bent u zelf niet vertrokken?

György Konrad: Omdat ik steeds aan dezelfde tafel wil schrijven. Of op zijn minst een stabiele tafel. Ik vreesde dat ik die nergens anders kon vinden dan hier. Ik wou ook niet van anderen afhankelijk zijn of elders het burgerschap aanvragen. Kijk, ik was niet te bekeren, niet te overtuigen, niet bereid om in het gareel te lopen, niet te hanteren, niet om te kopen, niet tot gemeenschapsmens om te vormen. Eigenlijk ben ik meer een kat dan een hond. Katten houden van een vaste plek. En om heel eerlijk te zijn, ik ben altijd lui geweest.

Hoe staat u tegenover het nationalisme en het begrip natie?

György Konrad: Ik hou van sommige mensen maar niet van naties. Ik hou niet van abstracties als een staat of een volk. Je hebt in elke staat en in elk volk goede en slechte mensen. Ik kan alleen maar van iemand houden als ik in zijn of haar ogen kan kijken.

‘De schrijver is een onderzoeker en daarmee de tegenpool van de strijder.’ Kan u dit toelichten?

György Konrad: Wat een schrijver drijft is nieuwsgierigheid en niet de wil om mensen te ‘overwinnen’. Het beroep van een schrijver is totaal verschillend van dat van sportmensen, zakenmensen, politici en militairen. Zij gebruiken een terminologie zoals vechten, winnen en verliezen. Voor schrijvers zijn die woorden irrelevant.

Voor elke schrijver?

György Konrad: Neen. Als ik een bestseller zou willen worden dan zou ik ook de taal van de strijder moeten gebruiken, maar dat wil ik niet.

‘Een komeet is over het huis gevlogen, over vierduizend jaar komt hij weer terug.’ Dat is een prachtig beeld om onszelf te relativeren. De vraag stelt zich of we er als mens iets toe doen?

György Konrad: Alles is relatief. Het langzaam verdwijnen in het niets is een perspectief waar we ons moeten bij neerleggen. Ons tijdelijke verblijf hier op aarde is gewoon ‘un séjour’.

‘Tot wat hij verlaat, kunnen anderen geen toegang meer geven’. Dat lijkt me een drama en een bijzonder pessimistische visie. Bent u bevreesd dat nieuwe generaties de geschiedenis gaan vergeten?

György Konrad: Vergeten maakt deel uit van het leven. Vraag maar eens aan mensen rondom u wat ze nog weten van de dertigjarige oorlog waarbij miljoenen mensen stierven in de 17de eeuw. Toch ben ik niet zo pessimistisch. Het is moeilijker geworden om alles te vergeten dank zij de foto’s, de films, de literatuur en de media. Neem de beelden van de stapels lijken in de concentratiekampen. Die zullen nooit verdwijnen.


Interview door Dirk Verhofstadt

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be