Van totem tot verrezen Heer van Johan Leman presenteert een historisch-antropologische kijk op het ontstaan van het christendom. Onmiddellijk na zijn inleiding beschrijft hij de antopologische bril waardoor hij zijn onderwerp bekijkt. Dat is al een eerste teken van zijn wetenschappelijke bezorgdheid. Johan Leman ken ik enkel vanuit de media, toen hij directeur was van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding. Als leraar Niet-confessionele zedenleer heb ik mijn leerlingen ooit laten discussiëren vertrekkende van een krantenartikel dat een interview met Leman bevatte. Op Wikipedia las ik dat hij filosofie, theologie, en Oosterse filologie studeerde en sociale en culturele antropologie doceerde. Deze kennis is uitgebreid terug te vinden in zijn boek en in het bijzonder is ook zijn beschrijving van het Oude Testament als etnocentrisch in overeenstemming met zijn vroegere taak als racismebestrijder.

Etienne Vermeersch die het voorwoord in het boek schreef, heb ik tweemaal persoonlijk ontmoet. Een eerste maal voor een interview over euthanasie ter voorbereiding van een thesis voor een aanvullende studie Toegepaste ethiek onder het mentorschap van professor Schotsmans aan de KuLeuven; een tweede maal via e-mailverkeer naar aanleiding van mijn bespreking van het boek Provencaalse gesprekken. Van hem wordt beweerd dat hij altijd gelijk wil hebben. Ik denk dat dit niet waar is, maar dat het eerder zo is dat hij meestal gelijk heeft. Net als Aristoteles koestert hij liefde voor de waarheid. Leman citeert Vermeersch in zijn boek in verband met de dissonantietheorie. Deze theorie stelt dat iets dat met de eigen overtuiging in strijd is weggeredeneerd wordt. Aangezien Jezus, het hoofdpersonage uit het boek, moet verrijzen, zal dat dan ook zo gebeurd zijn, of dat nu evident onmogelijk is of niet. Leman ontkent dat niet, maar vindt, als gelovige, die uitleg toch te beperkt als verklaring voor de verrijzenis.

Wat de inhoud van het boek Van totem tot verrezen Heer betreft, Leman houdt in zijn uiteenzetting rekening met archeologische vondsten, met mythische verhalen die relevant kunnen zijn voor de levenshouding van de betrokkenen, en met bijbelse informatie, aan een kritische analyse onderworpen. Die bijbelkritiek houdt, wat het wetenschappelijke aspect betreft, in dat een onderscheid gemaakt wordt tussen vermoedelijke feiten en bijhorende, evidente verzinselen, om welke reden dan ook in het leven geroepen. Daarnaast is er ook nog het theologische aspect dat niet het voorwerp van onderzoek is, maar toch indirect mee in rekening wordt genomen.

Aan een dergelijk onderzoek is een groot risico verbonden, want daar is al een en ander om te doen geweest en zelfs prominente historici hebben zich nogal eens vergaloppeerd. Om het met een hedendaags voorbeeld duidelijk te maken: het is niet omdat de misdaadromans van Aspe zich in een herkenbaar Brugge afspelen dat ze ook echt gebeurd zouden zijn. Het mooie verhaal over de val van Jericho dat ik in de godsdienstlessen meer dan 50 jaar geleden voorgeschoteld kreeg, blijkt, ontdekte ik in Lemans boek, helemaal niet gebeurd te zijn. De bedoeling van dat verhaal was enkel de tegenstelling tussen nomaden, semi-nomaden en dorpelingen enerzijds en stedelingen anderzijds in de verf te zetten, een wij-zij verhaal dus.

In de godsdienstlessen leerde ik vroeger de bijbelse uitdrukking voor de naam van God: ‘Ik ben die ben’. Leman benoemt die God: Ik zal er zijn. Het is maar hoe je het vertaalt. Dat heeft echter niets te maken met de Bijbel in Gewone Taal dat dit jaar (2014) is verschenen, maar met een aanleunen bij de oorspronkelijke betekenis. Volgens Het Nieuwsblad van 2 oktober 2014 wordt ‘genade’ door ‘goedheid’ vervangen. Ik denk niet dat het dat soort van vertalingen is dat Leman op het oog heeft. Hij is op zoek naar de meer authentieke betekenis van de bijbelse woorden. Dat gaat zover dat hij ook kijkt naar het dialect waarmee Jezus opgroeide.

Het verhaal van het Oude Testament is vooral een verhaal van etnocentrisme: wij zijn het uitverkoren volk en zij zijn de slechten. Een soort spaghettiwestern dus. Daarop aansluitend is het ook een verhaal van de elite dat zich in de sinuositeiten van de geschiedenis wil handhaven, maar zelf uiteraard ook de gebeurtenissen niet kan negeren en de invloed van andere ideeën ondergaat, zoals zoroastrisme tijdens de Assyrische ballingschap en het platonisme tijdens de overheersing van Alexander de Grote. Dat alles overgoten met eens sausje megalomanie. De historische scharnieren, die Leman van de nodige verklaringen voorziet, zijn achtereenvolgens het Messianisme dat zich losmaakt uit een sjamanistische traditie en politiek-etnocentrisch georiënteerd is, de opkomst van een priesterkaste die genoodzaakt is zich tot het geestelijke te beperken, en het ontstaan van een heilsboodschap dat zich uitstrekt tot in het hiernamaals.

Na de verovering door Alexander de Grote zijn, volgens Leman, drie elementen van cruciaal belang. Chronologisch zijn dat: de mogelijkheid van de mens om op te staan uit de doden, met het bestaan van een hiernamaals; de voorspelling van het einde der tijden, met daaraan verbonden de aankondiging van de reddende Messias; en de discussie of de wet strikt moet nageleefd worden, zoals de Farizeeën voor staan, ofwel de naastenliefde belangrijker is, zoals Jezus de Nazoreeër, en niet de Nazareeër zoals Leman opmerkt, zal prediken. Een Nazoreeër is iemand die afwachtend op de uitkijk staat een Nazareër is een inwoner van Nazaret. Het woord Nazoreeër zou de aanleiding geweest zijn voor het foutieve Nazareeër.

Uit een discussie die Leman met Vermeersch voerde en die door Ludo Abicht gemodereerd werd op 21 oktober in het Liberaal Archief in Gent, blijkt dat de nazareeër–nazoreeërdiscussie nog lang niet beslecht is. Aan de elementen van na de verovering door Alexander de Grote dienen een aantal voorafgaande te worden toegevoegd om een volledig beeld te bekomen van het christendom en het verrijzenisgeloof, namelijk de leidinggevende als een dienaar van zijn volk, de universaliteit van de ene ware God en God als de Schepper en almachtige. Vermeldenswaard is dat Leman Jezus typeert als een feminist avant la lettre. In tegenstelling tot zijn tijdgenoten geeft Jezus aan hen een belangrijke rol, zoals aan Maria van Magdala, die bovendien een bekeerde vrouw van lichte zeden is.

In mijn jeugd was dat nog Magdalena en vermoedelijk ook in de jeugd van Leman, want op pagina 171 gebruikt hij zelf per vergissing nog eens de naam Magdalena. Leman merkt ook op dat in het vroegste christendom de vrouwen dominant aanwezig zijn geweest en er aan de basis van gelegen hebben. De invloedrijke macho Paulus daarentegen vindt die slimme vrouwen blijkbaar maar niets. Maar ook hier weer bleken in de boven reeds genoemde confrontatie tussen Leman en Vermeersch de violen niet gelijk gestemd te zijn. Terloops gezegd, hier blijkt nog maar eens duidelijk hoe geschiedschrijving niet los kan gezien worden van de wereld waarin we thans leven, afgezien van het feit dat onze kennis van het verleden beperkt is tot wat er nu nog voor handen is. Driehonderd jaar geleden zou geen historicus eraan gedacht hebben om iets over feminisme te zeggen.

Nog een detail dat vermeldenswaard is en wel in verband met de christenenvervolging in Rome. Leman heeft het over het onaangepast zijn van de christenen omdat ze geen respect hadden voor de Romeinse goden en religieuze riten. Dat betwist ik niet, maar ik had graag gezien dat hij ook beklemtoonde dat hier de uniciteit van de christelijke God speelt. In Rome mocht iedereen zijn eigen god mee brengen, op voorwaarde dat andere goden getolereerd werden. Dat was niet het geval voor de christenen. Er is immers maar één God.

Balagangadhara en Sarah Claerhout van de Universiteit Gent vertellen in het boek Christendom en filosofie een gelijkaardig verhaal. Zij richten hun pijlen op het vroege christendom in de Romeinse wereld. De christenen blijken er een unieke positie te bekleden, zelfs een asociale naar de normen van die tijd, omdat zij geen religio zijn, dat wil zeggen dat zij niet zoals de andere volkeren leven volgens een aloude traditie, zodat zij niet passen in de heersende verantwoording van een culturele diversiteit. Zij prediken een wereldvreemde en inconsistente leer, die al evenmin in een wijsgerige context past.

Als gevolg daarvan zijn christelijke denkers gedwongen een poging te ondernemen om hun leer in overeenstemming met wijsgerige ideeën te brengen en de geschiedenis te herschrijven in functie van hun eigen leer. Zo doende keerden zij de beschuldiging dat hun leer geen religio is omdat het geen traditio is om naar: zij is een religio omdat ze geen traditio is. Daardoor stond de doctrine centraal met als nevenverschijnsel het verketteren van afwijkende meningen. Dat komt min of meer overeen met wat Leman beweert, maar dan vanuit een niet-christelijk perspectief geformuleerd.

Het weinig kritisch lezen van een tekst dat zowel met de wetenschap als met het geloof rekening houdt en, waar nodig, niet nalaat ook de mythevorming rond Jezus’ leven aan te kaarten, zou iemand nog aanzetten om zich te laten bekeren. Zelfs de christelijke mysteries komen in Lemans boek geloofwaardig over. Deze vaststelling is wellicht te wijten of te danken aan mijn mening dat je moet openstaan voor andere inzichten, maar ook aan de ingenieuze manier waarop Leman zich weet te uiten. Ik geef daarvan één voorbeeld.

Één terugkerende kritiek op de evangeliën is dat er over het leven van Jezus talrijke contradicties in voorkomen, zoals ook Balangangadhara vaststelt. Leman pakt dat als volgt aan en ik citeer: ‘Dat de evangelisten zelf vanuit hun omgeving en historische context bepaalde accenten leggen, is compleet aanvaardbaar, tenzij voor wie in de mens een niet-historische kern veronderstelt die op zo’n fundamenteel gebied als de religieuze ervaring een strak ‘format’ zou vereisen.’ Wat anderen dus als een euvel duiden, is voor Leman haast een kwaliteit.

Leman keldert heilige huisjes, maar, voor zover ik daarover kan oordelen, wordt hij op geen enkel ogenblik een ketter. Als hij dogma’s aansnijdt is het niet om ze te verklaren, maar om ze aannemelijk te maken. Als compromisloze atheïst, maar ook vanuit mijn vorming als cultuurwetenschapper, heb ik vol spanning het boek gelezen en ik hoop van u hetzelfde.


Recensie door Hendrik Vanmassenhove, PhD

Johan Leman, Van totem tot verrezen Heer, Kalmthout, Pelckmans, 2014, 270 p.

Links
mailto:hendrik.vanmassenhove@hotmail.com
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be