In naam van de Thora

boek vrijdag 22 december 2006

Yakov Rabkin

Klopt het, zoals zionisten beweren, dat IsraŽl de joden over de hele wereld beschermt en dat het hun natuurlijke vaderland is? Of is dit slechts ťťn van de talrijke funderende mythen van dit land? Is het taboe vragen te stellen omtrent de identificatie van de belangen van de staat IsraŽl en de belangen van de joden overal in de wereld? Maakt de zionistische ideologie antisemitisme onvermijdelijk? Is IsraŽl de enige staat waar een jood veilig kan zijn? En is die visie niet in wezen antidemocratisch omdat ze op voorhand de waarde van de emancipatie van joden in de moderne wereld ontkent? Is het probleem van het Midden-Oosten er niet een van het zionisme, eerder dan van de Arabische wereld? Vormt een getto met een sterk leger, in casu IsraŽl, niet een groot gevaar? Is het antizionisme daarentegen niet eerder authentiek joods, namelijk begrepen als trouw aan de joodse traditie? Waarom ontkennen de zionisten, zowel de joodse als de christelijke, elke legitimiteit aan het antizionisme? Kan met dit antizionisme op de Thora baseren? Waarom scheppen zionisten steevast verwarring tussen geloof en nationaliteit? Moet het joodse antizionisme niet dringend tot onderdeel worden gemaakt van het noodzakelijke debat over IsraŽls verleden, heden en toekomst?

Bovenstaande vragen maken deel uit van het brisante en bijwijlen shockerende boek dat de joodse historicus Yakov Rabkin (Universiteit Montrťal) daarover schreef, een werk dat bij elke geÔnteresseerde lezer heel wat verwarring zal veroorzaken maar dat hem ook vaak een aha-erlebnis zal bezorgen. De geschiedenis van de antizionistische joden is immers weinig bekend omdat de zionistische lobby in Europa en de VS er telkens weer in slaagt het traditionele jodendom en zijn spirituele rijkdom te overstemmen en - prima facie - het gelijk aan zijn kant heeft.

Yakov Rabkin zet in zijn boek In naam van de Thora. De geschiedenis van de antizionistische joden de debunking in, net zoals joodse denkers als Finkelstein en Novick het deden in verband met de uitbuiting van de shoah, literatuurwetenschapper Jan Oegema met de publieke religie rond Auschwitz en anderen zoals de IsraŽlische historicus Benny Morris in verband met de uitdrijving van de Palestijnen en de kwalijke rol die de nationalistisch-socialistische kolonisatiebeweging die men zionisme noemt daarin speelde. De meeste goedwillende politici, journalisten en buitenstaanders krijgen door de bank genomen slechts ťťn joodse stem te horen, die van het zionisme, de stem die zegt dat ze de voorhoede is van een heel volk. Het zionisme heeft, naar goed 19de-eeuwse traditie, een seculiere en nationalistische formulering van de joodse identiteit gebracht die nefast is gebleken voor de hele wereldpolitiek tot op de dag van vandaag en die ertoe geleid heeft dat de joodse ballingschap (golus) als het resultaat werd gezien van militaire zwakheid. Het slaat de lezer dan ook niet weinig uit het lood wanneer Rabkin bijvoorbeeld in zijn boek spreekt over een joodse (judaÔsche) beweging als Neturei Karta - in 1938 in Jeruzalem opgericht - en een citaat uit 2001 van deze beweging opneemt: ďMogen we allemaal het voorrecht hebben de vreedzame ontmanteling van de staat (IsraŽl, WvR) en de komst van vrede tussen moslims en joden over de hele wereld mee te makenĒ. Het is niet de IsraŽlische havikentaal die we kennen en Rabkin besteedt er zijn hele studieuze boek aan om ons duidelijk te maken dat deze woorden meer in overeenstemming zijn met de vreedzame traditie van het judaÔsme dan het Ďrevolutionaireí, seculiere maar toch semi-religieuze zionisme.

Als niet-gelovige kost het aanvankelijk wel moeite je te identificeren met deze oudere traditie van het jodendom, zeker wanneer men zich (onterecht) de beelden voor de geest roept van de settler-beweging, maar de auteur toont zeer gedegen aan dat ook het denken van die rechtse nationaal-religieuze groepen haaks staat op het ethische jodendom zoals dat na het Oude Testament werd uitgebouwd. Dat steunt op de drie eden zoals die werden gezworen aan de vooravond van de verstrooiing van wat er van het volk van IsraŽl was overgebleven en waarvan er een zegt niet massaal naar IsraÍl terug te keren en geen opstand te plegen tegen de naties.

De Talmoed accepteert het recht van individuen om zich in IsraŽl te vestigen (en her en der verspreid woonden er ook in vroeger eeuwen joden in Palestina), maar er is eenstemmigheid tegen collectieve kolonisatie; daarom keren nagenoeg alle haredim (in de media ultraorthodoxen genoemd) zich tegen het zionisme. De joodse traditie wil nu eenmaal dat de verlossing door messiaanse interventie moet plaatsvinden, dus niet Ďdoor eigen handí, en dat het Ďland IsraŽlí eerder een idee is dan een plaats, dat de ballingschap alleen kan worden opgeheven door bemiddeling gods. Het idee van de terugkeer naar Ďhet land IsraŽlí met politieke middelen is vreemd aan de idee van verlossing in de joodse traditie. Er waren dan ook nooit golven massale emigratie, zelfs niet in die perioden waarin zoiets mogelijk zou zijn geweest.

Vanuit die grondhouding is het aannemelijk dat het ontstaan van het politieke zionisme (want er bestaat ook, zeker sedert de jaren zeventig van de vorige eeuw, een religieus zionisme, d.w.z. rabbijnen en hun gemeenschappen die zich verzoend hebben met het land IsraŽl, vooral in de nasleep van de zesdaagse oorlog die als een goddelijke interventie werd gepercipieerd en die het militante jodendom fel heeft aangewakkerd; twee decennia later ontstond het militante islamisme...) door het traditionele judaÔsme als een ware Ďspiritueleí grondverschuiving werd gezien, als een verraad aan de Thora, want goedkeuring voor een oorlog is in de Thora niet te krijgen. In dat licht zijn de oude en recente rabbinale teksten die door Yakov Rabkin worden geciteerd onthutsend omdat ze bijna alle als profetisch kunnen worden aangemerkt: ze waarschuwen al diegenen die de idee IsraŽl als verovering van land interpreteren; deze teksten tonen alle dat het ethische judaÔsme (zoals dat trouwens ook door Alain Finkielkraut beschreven en bewonderd wordt) er altijd voor waarschuwt de goddelijke verlossing niet te bespoedigen en dat het onverzoenbaar is met het politieke zionisme zoals dat in de 19de eeuw als seculier-nationalistische beweging is ontstaan en zoals het zich agressief-militair ontwikkeld heeft in de twintigste eeuw, met als tragische climax een fascistische figuur als Jabotinsky, een joods ideoloog die op het zionisme ontzettend veel invloed heeft uitgeoefend en die schatplichtig is aan het fascisme.

Er is geen links of rechts zionisme zoals Rabkin betoogt: het is altijd nationalistisch en anti-judaÔsch, paranoÔde en arrogant. Het wekt het antisemitisme eerder op dan dat het het voorkomt. Wie meende via het zionisme de ballingschap op te heffen en het jodendom in een veiliger haven te brengen, dwaalde zoals alle Talmoedbronnen voorhouden: de wereld ťn de joden zijn er inderdaad niet veiliger op geworden, integendeel. Het bijzondere karakter van het joodse volk bestond immers in zijn eeuwenlange ballingschap, dat wil zeggen dat het zonder enige territoriale of politieke eenheid bestond. Dat doorbreken betekende ellende, en de volgende ballingschap zou, volgens alle Talmoedgeleerden, alleen maar erger worden.

In prezionistische tijden hebben de joden dus nooit geprobeerd zich massaal in IsraŽl te vestigen: het blijft een feit, zo citeert Rabkin de IsraŽlische politicoloog Schlomo Avineri, dat de band met Palestina, ondanks alle emotionele, culturele en religieuze intensiteit, het dagelijkse joodse leven in de diaspora nooit heeft veranderd. De inname van het zogenaamde beloofde land is in die geest godslastering en het gebruik van het joodse concept van voorzienigheid mag niet worden aangewend om elke IsraŽlische actie te rechtvaardigen. De kolonisten op de Westelijke Jordaanoever (settlers) recruteren god voor militaire doeleinden, in naam van hun versie van het jodendom. En het is precies dat jodendom dat, samen met de militaire arrogantie van het seculiere IsraŽl, zijn semi-religieuze symboliek en de instrumentalisatie van het jodendom voor nationale doelen, door de haredimjoden wordt afgewezen: het is een afgodisch concept, zo betogen zij, dat in feite een irrationeel geloof in eigen onoverwinnelijkheid verhult. Ook de iconografie en het misbruik van religieuze symboliek door het zionisme en het joodse militarisme worden door de judaÔsche haredim verafschuwd. De joodse opstanden en rebellieŽn in de loop van de geschiedenis -denk aan Bar Kochba, de opstand onder leiding van rabbi Akiva tegen de Romeinen tussen 132 en 135 Ė worden door het traditionele jodendom, in tegenstelling tot de zionisten, geduid als een extreme en anti-goddelijke daad die de versnelling van de verlossing juist tegenwerkte, waardoor het middelpunt van het joodse leven definitief naar de diaspora werd verplaatst.

Het is duidelijk dat Rabkin, zonder echt expliciet stelling in te nemen, de bronnen uit de joodse religieuze traditie voor zich laat spreken. We zijn zo gewoon naar IsraŽl te kijken vanuit de zionistische geschiedenis en ideologie dat we de authentieke judaÔsche Thora- en Talmoedbronnen, zoals die zich in het begin van het eerste millennium maar ook daarna voordoen, niet meer zien: ze tonen ons, in tegenstelling tot het politieke zionisme, vredelievendheid, pacifisme, waarschuwingen tegen overmoed, afkeer van een activerend messianisme, en een bepaald soort actieve berusting en gehoorzaamheid aan de naties waarin men woont. Dat gaat erg ver want zoals bekend zijn er heel wat haredimjoden die ook de holocaust interpreteren als een straf van god, juist omdat de joden niet meer ĎjudaÔschí leefden en/of het zionisme aanhingen. Voor ongelovigen en zionisten moet dat als een gotspe en als pervers overkomen maar gezien in het licht van de Ďquietistischeí geloofsbronnen in Thora en Talmoed en omdat de traditionele joden de beul (de farao, Amalek of Hitler) nooit anders zagen dan een tussenpersoon van goddelijke straf, kan op die houding toch een ander, zij het voor ons als seculieren niet minder dubieus, licht worden geworpen

Voor een niet-gelovige of vrijzinnige blijft het al bij al van een onvoorstelbaar fatalisme getuigen Ė iets wat door Rabkin ontkend wordt met de stelling dat oprecht berouw de dreiging van de goddelijke straf kan afwenden. Ik geef hier ťťn voorbeeld van deze voor ons irrationele redeneertrant. Elhanan Wasserman, een van de grote voorgangers van het Litouwse jodendom, in 1941 in een uitroeiingskamp gestorven, schreef na de machtsovername door de naziís het volgende: ďDe joden hebben in deze tijd twee afgoden gekozen waaraan ze hun offers brengen. Het zijn nationalisme en socialisme (...). Deze twee vormen van afgoderij hebben de geesten en harten van de Hebreeuwse jeugd vergiftigd. Elk heeft zijn groep valse profeten in de vorm van schrijvers en sprekers, die hun werk volmaakt doen. Er is een wonder gebeurd: in de hemel zijn deze afgoden versmolten tot ťťn Ė het nationaal-socialismeĒ. Het is krasse taal die een niet-jood nooit zou durven hanteren!

Wie in de judaÔsche bronnen het werk van god ziet, het ethische karakter ervan beklemtoont en het messianisme wantrouwt, die moet het zionisme wel als een FremdkŲrper ervaren, die moet IsraŽl wel aanzien als spiritueel gecorrumpeerd door leugens en hypocrisie die aan blasfemie grenzen (Leibowitz). Hoe zou men immers, volgens deze haredim, de Thora kunnen gebruiken om zijn nationale aanspraken kracht bij te zetten, terwijl noch de leden noch het sociale en politieke regime dat men heeft ingesteld, enige band hebben met religieus, in casu judaÔsch geloof? De politieke en zionistische elite ziet in dit judaÔsme immers niets anders dan legenden en bijgeloof. Dit wordt op den duur door vele haredim als een soort misbruik van de waarden van het jodendom beschouwd. Het gouden kalf, zo schreef de 20ste-eeuwse filosoof Yeshayahu Leibowitz en luis in de pels van IsraŽl, hoeft niet per se van goud gemaakt te zijn. Het kan ook Ďnatieí, Ďlandí, Ďstaatí worden genoemd. Het zionisme eigende zich joodse concepten toe voor seculiere doeleinden en dat verklaart het succes ervan bij de joodse massaís in het Rusland van de 19de en 20ste eeuw.

Het merkwaardige van heel deze geschiedenis is, dat Thora- en mitswotrabbijnen, diegenen voor wie de ware bestemming is te leven volgens de Thora en de mitswot (de 613 geboden), ongewild een alliantie aangaan met zulke belangrijke joodse denkers als Yeshayahu Leibowitz en Hannah Arendt, die beiden ook antizionist werden. Deze rabbijnen en filosofen zeggen hetzelfde: vrede moet je maken als je sterk bent. Maar de zionisten zullen het niet doen, want ze zijn trots en zullen de geringste concessie weigeren. Ze brengen liever het leven van miljoenen joden in gevaar dan dat ze ooit een Arabier als president van een confederatie zullen zien. Op het punt van hun kunnen en hun succes, op het hoogtepunt van hun macht zal hun ondergang beginnen. De haat van de Arabieren zal feller worden en ze zullen naar wraak streven. Het zijn profetische woorden gebleken. Bovenstaande woorden, neergeschreven door rabbijn Amram Blau (gestorven in 1974), zouden van Hannah Arendt kunnen zijn!

Hoe moet een ongelovige dit boek lezen? Hij kan de teneur van het ethische jodendom zoals dat zo intens en veelvuldig verwoord werd en wordt door erg verschillende rabbijnen en denkers in erg verschillende eeuwen, bewonderend goedkeuren, zeker gezien de juistheid van de quintessens ervan: mochten de 19de- en 20ste- eeuwse joden niet zijn ingegaan op de anti-judaÔsche verleidingen en hun zinnen niet hebben gezet op een concreet heilig land, dan zou het zionisme geen kans hebben gemaakt en dan zag de situatie er in het Midden-Oosten nu allicht minder dreigend uit; vele politieke waarnemers immers gaan ervan uit dat alleen de oplossing van het IsraŽlisch-Palestijnse conflict een begin van vrede kan brengen in de hele Arabische wereld (maar was de centrale eis van Al Quaeda niet eerder een terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit de Arabische wereld?).

Aan de andere kant: ondanks het sterk ethische karakter van het profetische judaÔsme kan men als niet-gelovige begrip opbrengen voor het seculiere karakter van het zionisme en voor de vraag naar profane Ďverlossingí, voor het wereldse messianisme dat ervan uitging; men kan begrijpen dat joodse mensen gevoelig waren voor de idee van een concreet land waar geen pogroms zouden plaatsvinden en men kan ŗ la limite zelfs een mild begrip opbrengen voor de koehandel die sommige zionisten met het nazibewind dreven (al selecteerde men alleen de sterken: ook hier was de invloed van de tijdsgeest groot). De patserige houding echter van IsraŽl, het militarisme ervan en de arrogantie moet men verwerpen, zeker als men bedenkt dat het Arabische antisemitisme ook een product is van recenter tijden, al moet men zich, ondanks de abundante politieke correctheid in verband met het multuculturele, geen al te idyllische voorstelling maken van het vroegere en het actuele samenleven van de drie abrahamitische godsdiensten. Joden en christenen kregen van de moslims nu eenmaal slechts de status van Ďdhimmií, van tweederangsburger. Maar antisemitisme zoals wij dat nu kennen, kwam er op die manier niet voor. Wťl antijudaÔsme, maar dat is dan weer eerder een probleem van het christendom.

Ook moet men toegeven dat, ondanks het inzicht dat men krijgt in de kern van een onveranderd judaÔsme, de quiŽtistische houding van vele rabbijnen ten opzichte van elke vorm van joodse opstand en verzet als stuitend ervaren wordt: moet men ťcht de shoah rechtvaardigen omdat men de Thora niet heeft nageleefd?! Daar houdt voor de niet-gelovige het begrip op en beginnen de waanzin en de perversiteit van religie. In het licht van welke eeuwigheid moest men de gaskamers berustend betreden? Hier speelt voor elke monotheÔstische gelovige het probleem van de theodicee; de niet-gelovige of de agnost echter probeert te analyseren en te verklaren, ook al zal er altijd een Ďrestkwaadí zijn dat ook hij moeilijk kan verklaren.

Men kan dus voor beide partijen, de judaÔsche en de zionistische, een zeker begrip opbrengen: allebei vertonen ze een stuk van het grote gelijk; de onbevangen waarnemer echter kan alleen maar vaststellen dat het judaÔsche standpunt nauwelijks aan bod komt in de westerse media en dat alle aandacht gevangen wordt gehouden door het zionistische IsraŽl dat elke dag meer haat opwekt in de Arabische wereld en vaak ook bij ons. En als er Ďultraorthodoxení worden getoond, dan zijn het vaak nationaal-religieuzen die in een anti-judaÔsche traditie de staat IsraŽl volledig hebben aanvaard en toegedekt met bijbelse slogans. De authentieke orthodoxen, de haredim, hebben hun traditionele kader grotendeels intact gelaten en spreken, zoals gezegd, nooit over IsraŽl als een land. Voor hen zal de joodse staat ooit, zoals alle andere staten, verdwijnen maar zolang de joodse godsdienst zal blijven bestaan, zal ook het joodse volk blijven bestaan.

Over de hele wereld, zo schrijft Leibowitz, kunnen joden heel goed zonder staat leven. De haredim stellen dan ook dat de poging door de zionisten om het joodse volk te beschermen het zodanig veranderd heeft dat het bijna onherkenbaar is geworden. En inderdaad, de staat IsraŽl gedraagt zich echt niet anders dan welke andere staat ook (met terrorisme, in fine een Russische erfenis die voortgezet werd door Stern en Irgun, militaire bewegingen die de terreur in Palestina introduceerden, met steun aan het apartheidsregime van Zuid-Afrika, met wapenleveringen over de hele wereld, via opleiding van militairen voor de meest abjecte regimes, kidnapping van atoomgeleerden en ga zo maar door). Het probleem is, zoals Rabkin ten overvloede stelt, dat kritiek op IsraŽl onmiddellijk als antisemitisme wordt geduid, ook als dat van bona fide critici of joden zelf komt. Een recensent van de Franse editie van Rabkinís boek, Michael Benazon, verwacht dat het veel joden zal dwingen tot een vergelijk te komen met de tegenspraak tussen de religie die ze pretenderen te belijden, en de ideologie die hen in feite in haar greep heeft. Als ongelovige zou men daaraan kunnen toevoegen dat alle religies een ethische kern hebben maar dat die in de loop der tijden ook altijd gecorrumpeerd werd, net zoals dat met de seculiere religies (cf. een deel van de mentoren van de Franse revolutie, het communisme) het geval was. Dat zou ons bescheiden moeten maken: alleen een ĎPopperiaanseí democratie kan verhinderen dat bewegingen totalitair worden. Het lezen van Yakov Rabkinís magistrale In naam van de Thora is ook voor de ongelovige een ervaring van de eerste orde. Zoals Ludo Abicht het stelde: na het lezen van dit boek kan het debat over het Midden-Oosten weer eerlijk gevoerd worden. En dat is niets te veel gezegd!


Recensie door Wim van Rooy

Yakov M.Rabkin, In naam van de Thora. De geschiedenis van de antizionistische joden, Houtekiet, 2006

Links
mailto:wimvanrooy@gmail.com
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be