The Theory of Moral Sentiments

boek vrijdag 06 november 2009

Adam Smith

Bij alle aandacht voor de 500e geboortedag van Calvijn – die door Balkenende wordt geprezen als een grondlegger van onze vrijheid, maar in werkelijkheid een zestiende eeuwse christelijke voorloper van Khamenei was –, alsmede voor de 150e verjaardag van de publicatie van zowel On the Origin of species van Charles Darwin als van On Liberty van de liberaal John Stuart Mill, blijft het opmerkelijk stil rond het feit dat 250 jaar geleden The theory of moral sentiments van de liberaal Adam Smith voor het eerst verscheen. Ten onrechte. Nu is Smith bij het grote publiek meer bekend van zijn economische werk The wealth of nations – waarvan menigeen dan nog uitsluitend de (verkorte) titel kent en niet de inhoud – maar zelf beschouwde hij The theory of moral sentiments als zijn beste boek. Van huis uit was Smith ook geen econoom (dat kon niet; hij was immers de grondlegger van die discipline) maar moraalfilosoof. In The theory of moral sentiments laat hij zien hoe liberalisme en deugdzaamheid zeer wel hand in hand gaan.

The theory of moral sentiments en The wealth of nations hangen nauw met elkaar samen. Eigenlijk zijn het de eerste twee delen van een trilogie die Smith wilde publiceren. In het eerste deel – The theory of moral sentiments – heeft hij het fundament van zijn visie op mens en maatschappij neergelegd. In het tweede deel – The wealth of nations – gaf hij een nadere uitwerking aan de deugd ‘prudence’ (wijsheid of bedachtzaamheid), wat voor hem inhield: de betrekkingen tussen mensen in de particuliere sfeer van de economie (al kwamen zijn ideeën over belastingheffing, politie en defensie hierin ook al aan bod). In een derde deel had de nadere uitwerking van de deugd ‘justice’ (rechtvaardigheid) aan de orde moeten komen. Smith’s bedoeling was hierin te beschrijven op welk moment iemand schade (‘injustice’) was aangedaan, hoe recht en regering konden worden ingericht. Voor dit derde deel had Smith uitvoerige aantekeningen klaar liggen, maar hij heeft deze helaas vlak voor zijn dood laten verbranden.

In The theory of moral sentiments brengt Smith, als een ware representant van de Schotse Verlichting, in kaart aan welke emoties mensen zoal onderhevig zijn, hoe die emoties zich tot elkaar verhouden en hoe zij kunnen worden gerubriceerd. Maar bovenal legt hij een verband tussen die gevoelens en het ontstaan van morele oordelen. Smith verwerpt de gedachte als zou de moraal van hogerhand – door God – zijn gegeven. Volgens hem is moraliteit een voortbrengsel van het sociaal verkeer tussen mensen. Zijn analyse rust op het begrip ‘sympathy’, een begrip dat bij de hedendaagse lezer veel verwarring kan oproepen omdat wij dit tegenwoordig associëren met waardering, misschien zelfs warme genegenheid voor een bepaalde persoon. Die strekking heeft het woord bij Adam Smith niet. Hij gebruikt het woord ‘sympathy’ om uitdrukking te geven aan ons vermogen ons in een ander persoon te verplaatsen en met hem of haar mee te voelen, de emoties te ondergaan die die persoon in een bepaalde situatie blijkbaar – gelet op wat wij waarnemen – ondergaat. Dat wij ons in iemand kunnen verplaatsen betekent niet automatisch dat wij voor hem of haar warme gevoelens koesteren. De ‘sympathy’ van Adam Smith laat zich eigenlijk het beste vertalen met het tegenwoordig populaire begrip empathie, oftewel inlevingsvermogen.

Het zich verplaatsen in de ander begint met het waarnemen van die ander. Ik kan, zo begint Smith zijn verhaal, de pijn die mijn broer moet ondergaan indien hij op de pijnbank ligt meevoelen, maar pas nadat ik heb gezien dat hij op de pijnbank ligt; zolang ik daar geen weet van heb, voel ik zijn pijn niet. Met sommige emoties van anderen kunnen wij meegaan alleen al bij het zien van uitingen ervan: dat is zo met pijn, verdriet en vreugde. Bij andere emoties volstaat de waarneming niet. Als wij zien dat iemand kwaad is, voelen wij zelf nog geen woede opkomen. Wij willen eerst weten waarom die persoon kwaad is. Als wij die oorzaak kennen en dan oordelen dat de woede terecht is – dat is: zelf woede voelen opkomen – keuren wij deze goed maar als het in onze ogen misplaatst is gaan wij niet in zijn woede mee. Dit komt, stelt Smith, omdat hier een derde persoon in het geding is, namelijk de persoon op wie de woede zich richt. Wij willen in dit geval dus weten met wie wij eigenlijk moeten meevoelen; als de woede bij de eerste persoon naar ons oordeel misplaatst is gaat ons meegevoel uit naar de persoon die het object van zijn woede is.

Het waarnemen en meevoelen met de ander is de eerste fase van het proces waaruit onze moraliteit ontstaat. Uit de vergelijking tussen het gevoel van de ander en ons eigen gevoel, ontstaat de waardering of afkeuring. Delen wij het gevoel in hoge mate dan luidt ons oordeel dat de ander goed handelt, is er tussen onze gevoelens een grote kloof of voelen wij in het geheel niet mee (met de woede van een ander bijvoorbeeld) dan luidt ons oordeel dat de ander verkeerd handelt. De tweede fase in het proces is dat wij niet alleen waarnemen, maar al snel in de gaten krijgen dat wij zelf ook worden waargenomen. Zoals ik ‘sympathy’ heb met een ander en vervolgens over hem of haar een oordeel vel, zo heeft die ander ook ‘sympathy’ met mij en hij of zij vormt zich over mijn gedrag – en uiteindelijk over mijn karakter – een oordeel. Mensen streven ernaar goedkeuring van hun omgeving te krijgen en afkeuring te vermijden.

De derde fase in het ontstaan van onze moraliteit wordt gestimuleerd door het besef dat de ander niet altijd weet wat er achter onze emoties steekt en daardoor misschien tot een verkeerd oordeel over ons komt. In die derde fase stellen wij ons voor wat een denkbeeldig onpartijdig waarnemer die wél met de achtergronden van ons handelen bekend is, ervan zou vinden. Wij delen onszelf als het ware op in twee personen: onze eigenlijke ik die handelt en een denkbeeldige ik die in ons huist en die als een ‘rechter’ oordeelt of onze handelingen goed of slecht zijn. Dit is de ‘supposed impartial and well-informed spectator, […] the man within our breast, the great judge and arbiter’ van ons eigen gedrag. Deze stem van binnen leert ons niet alleen gedrag te vertonen waarvoor wij daadwerkelijk worden geprezen, maar belangrijker: prijzenswaardig gedrag te vertonen (gedrag dat het waard is geprezen te worden, los van de vraag of er ook werkelijk lof zal worden geuit). En hij leert ons af te zien van nare gedragingen ook als die gedragingen zich aan het oog van onze omgeving onttrekken. Het is deze denkbeeldige, onpartijdige waarnemer die in ons huist – en zijn stem in ons laat horen – die ons aanzet tot deugdzaamheid. Nogal wat mensen denken dat The theory of moral sentiments en The wealth of nations haaks op elkaar staan: in het eerste werk zou Smith zich van zijn sociale kant en in het tweede van zijn egoïstische kant hebben laten zien. Wie echter beide werken van Smith heeft gelezen, én begrepen, kan dit onmogelijk met droge ogen beweren. Ten eerste moet het eigenbelang dat in The wealth of nations inderdaad een centrale plaats inneemt als drijfveer achter het menselijk handelen, niet worden verward met egoïsme. Ten tweede komt het eigenbelang ook in The theory of moral sentiments prominent naar voren als één van de drijfveren achter het menselijk handelen (naast bijvoorbeeld welwillendheid). En ten derde wijst Smith de ‘sympathy’ in zijn The theory of moral sentiments niet aan als de grote drijfveer achter het menselijk handelen, maar als de bron van onze morele oordeelsvorming.

Smith betoogt ook in The theory of moral sentiments dat het in de aard van de mens ligt besloten dat hij eerst en vooral zijn eigenbelang zal dienen en zich daarover zorgen maakt. Smith illustreert dit aan de hand van een zeer menslievend filosoof die het bericht verneemt dat China getroffen is door een aardbeving waarbij miljoenen mensen om het leven zijn gekomen. Deze filosoof zal zeker het lot van de omgekomen Chinezen beklagen, hij zal wellicht bepeinzen hoe broos het menselijk leven is, misschien zal hij zich afvragen – al iets praktischer – welke gevolgen deze verschrikkelijke gebeurtenis krijgt voor de handel tussen zijn eigen land en China, maar hij zal daarna ongestoord gaan slapen alsof er niets was gebeurd. Terwijl dezelfde filosoof wanneer hij wist dat de volgende dag zijn pink werd geamputeerd, waarschijnlijk de hele nacht geen oog zou dichtdoen. Niemand zal de filosoof aankijken op dergelijk gedrag. Pas zodra een kwaadaardige filosoof in die situatie andere mensen zou opofferen indien hij aldus de amputatie van zijn pink kon voorkomen, zou deze filosoof op een muur van verontwaardiging en scherpe afkeuring stuiten.

Na de eigen belangen van ieder mens komen die van zijn kinderen, dan die van zijn ouders, en dan die van zijn andere familieleden. Ieder mens zal verder gewoonlijk de belangen van zijn medeburgers in de natie hoger stellen dan die van verre volken. Iets anders mag niet van de mens worden gevergd: ‘the care of the universal happiness of all rational and sensible beings, is the business of God and not of man. To man is allotted a much humbler department, but one much more suitable to the weaknesses of his powers, and to the narrowness of his comprehension; the care of his own happiness, of that of his family, his friends, his country.’ Het staat iedereen natuurlijk vrij zich humanitair te gedragen ten aanzien van mensen die hij in het geheel niet kent, maar als iemand dit doet ten koste van zijn eigen fortuin en gezondheid zal hij minachting en afkeuring oproepen, te meer als zijn gezin daaronder moet lijden. The theory of moral sentiments is een boek dat nog altijd zeer waard is te worden gelezen. Smith maakt in dit werk korte metten met de veronderstelling, zo niet de vileine beschuldiging door socialisten en christen-democraten, als zou het liberalisme er een ‘atomistische’ mensvisie op na houden. In die voorstelling van zaken zouden de individuen in het liberalisme als los zand aan elkaar hangen, of uit elkaar drijven. Individuen zouden zich niets van elkaar aantrekken tenzij zij elkaar kunnen gebruiken om zo een eigen voordeel – vaak ten koste van elkaar – te behalen. Dit is een – al dan niet bewust – valse voorstelling van zaken. De liberale theorie van Adam Smith kan dit goed illustreren; zij is bij uitstek een sociale theorie, van individuen die wel hun eigen belang behartigen (niet te verwarren met het vertonen van egoïstisch gedrag) maar zich tevens in hoge mate op elkaar richten, zich daarbij verplaatsen in elkanders positie, met de ander meevoelen en uiteindelijk zelfs hun eigen oordeel over goed en kwaad ontlenen aan hun sociale omgeving.


Recensie door Patrick Van Schie



Deze recensie is eerder verschenen in Vrijpostig (nr. 3 van 2009), de elektronische nieuwsbrief van de Prof.mr. B.M. Teldersstichting, de liberale denktank in Nederland. Een langere versie verscheen in het juni-nummer van ‘Liberaal Reveil’.

Adam Smith, The Theory of Moral Sentiments, Prometheus Books, (1759) 2000

Links
mailto:vanschie@teldersstichting.nl
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be