L’Esprit de Philadelphie

boek vrijdag 18 juni 2010

Alain Suspiot

In zijn laatste boek maakt Alain Supiot, één van de meest eminente professoren arbeidsrecht in Frankrijk, het proces van het neoliberalisme op. Net zoals het nazisme en het communisme maakt het neoliberalisme de mens ondergeschikt aan een groter systeem, respectievelijk aan het ras, de maatschappelijke klasse en de markt. De bijna instorting van het financieel-economisch systeem kan als een bewijs van het faillissement van het neoliberalisme worden gezien. In plaats van de mens te knechten moet de mens terug op de voorgrond worden geplaatst. Daarbij mag echter niet de fout worden gemaakt om dan meteen ook alle economische wetmatigheden over boord te gooien.

De communistische markteconomie

Alain Supiot heeft het duidelijk niet begrepen op de vrije markteconomie. De markt maakt volgens hem de mens helemaal niet vrij. Hij moet zich staande kunnen houden in een steeds groter wordende concurrentiestrijd die niet alleen woedt in eigen land, maar ook binnen de Europese Unie en met de opkomende landen. De mens is helemaal onderworpen aan de markt (‘le marché total’). In dit opzicht lijkt het neoliberalisme, dat zo min mogelijk belemmeringen aan de marktwerking wil, zeer sterk op het communisme en het nazisme die de mens ondergeschikt maakten aan respectievelijk de staat en het ras. Daarom dat Alain Supiot het op een bepaald moment heeft over ‘de communistische markteconomie’.

Het neoliberalisme deelt nog een ander kenmerk met het communisme en het nazisme. Ze menen alle wijsheid in pacht te hebben. Ze zijn ervan overtuigd dat ze het beste inzicht in het menselijke reilen en zeilen hebben. Ze zijn er zeker van dat ze de natuurwet die achter alle menselijk en maatschappelijk handelen schuilgaat op het spoor zijn gekomen: de strijd tussen de rassen, de strijd tussen de klassen of de strijd tussen de individuen. Alleen is het dan spijtig dat de realiteit af en toe flink afwijkt van deze natuurwet. Dat is echter geen probleem: men kan altijd het recht inschakelen als werktuig dat desnoods de realiteit doet plooien naar de natuurwet.

Het is volgens Alain Supiot dan ook helemaal niet verwonderlijk dat veel personen die in hun jeugd communist waren later al even hevig voorstander van het neoliberalisme waren. Het communisme en het neoliberalisme delen immers het ‘geloof’ dat één systeem de hele samenleving beheerst en dat hun ideologie dat systeem het beste geanalyseerd heeft. Ze hebben gewoon de ‘dictatuur van het proletariaat’ ingewisseld voor ‘de dictatuur van de markt’. Tot deze ‘bekeerden’ rekent Alain Supiot onder andere José Manuel Barroso, de voorzitter van de Europese Commissie, die onmiddellijk na de Anjerrevolutie in Portugal in 1974 maoïst was, maar zich later als Commissievoorzitter volgens zijn critici te veel vertrouwen zou hebben gesteld in de vrije markteconomie en te weinig werk zou hebben gemaakt van een ‘sociaal Europa’. Wist u trouwens dat de term ‘human capital’, het begrip dat nu vaak opduikt in HR-middens, voor het eerst gebruikt werd door Jozef Stalin? Met ‘menselijk kapitaal’ vond hij een alternatief voor de term ‘menselijk materieel’ die door de nazi’s in de mond werd genomen.

De waan van de meetbaarheid

Een goed voorbeeld van de hedendaagse hegemonie van de markt over de mens is in de ogen van Supiot het waanidee om alle menselijke handelen te vatten in statistieken, indicatoren, boordtabellen, modellen en vergelijkende onderzoeken. Zo hoopt men mensen te kunnen beheren en beheersen, net zoals men zaken kan beheren en beheersen. Door menselijke handelingen om te zetten in cijfers hoopt men daar vat op te krijgen: alle menselijke wezens en alle menselijke situaties worden teruggevoerd tot een bepaalde rekenkundige eenheid, zodat ze dan makkelijk met elkaar kunnen worden vergeleken. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan personeelsevaluaties waarbij men de prestaties van de medewerkers zo veel mogelijk probeert te objectiveren door hun hele functioneren samen te vatten in een cijfer volgens een bepaalde schaal, bijvoorbeeld van 0 tot 5.

Indicatoren en boordtabellen creëren ook echter hun eigen werkelijkheid. Men zal alles in het werk stellen om het streefcijfer te bereiken. Dan mag je er van op aan dat deze numerieke doelstelling zal worden gerealiseerd. Men staat dan echter vaak mijlenver af van het finale resultaat dat men eigenlijk had willen bewerkstelligen. Zo kan men een significante stijging van het aantal wetenschappelijke artikelen over een bepaald actueel onderwerp betrachten. Zo wil men de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek bevorderen. Nochtans staat de kwaliteit van de artikelen vaak niet in verhouding tot hun kwantiteit. In dit verband heeft de Russische dissidente schrijver Alexander Zinovjev het over ‘waarachtige leugens’. Je hebt inderdaad leugens… en je hebt statistieken.

In de ontwikkelingssamenwerking komt men dit fenomeen eveneens tegen. Daar wil men de kinderarbeid terugdringen door meer kinderen naar school te laten gaan. Op zich is dit een heel nobele doelstelling, maar als men enkel rekening houdt met het aantal schoolgaande kinderen en niet met de kwaliteit van het onderwijs, dan kan een en ander grondig fout lopen. Dan worden honderden leerlingen in een grote hangar gedropt waar ze les krijgen van één onderwijzer die de menigte niet de baas kan. Dan is de doelstelling dat veel meer leerlingen naar school moeten gaan wel bereikt, maar wat de kinderen dan eigenlijk opsteken van de school, blijft zeer de vraag.

De mens laat zich niet in een hoekje drummen

Een gelijkaardige ervaring hebben we allemaal juist gehad met de financiële crisis. Via allerhande wiskundige tabellen wilde men het financiële risico zo veel mogelijk beheersen, maar verblind door deze modellen en gejaagd door de winst nam men veel te veel risico’s, zodat uiteindelijk het financiële systeem in elkaar zakte en de overheden massaal geld in de geldmarkten moesten pompen. De interventie van de overheden mag zich evenwel daar niet toe beperken. Overheden moeten weer grip krijgen op de financiële markten. Zoniet zal het systeem opnieuw op de klippen lopen. De overheden moeten het financiële systeem in een nieuwe richting sturen, waarbij het doel en de middelen niet meer worden verwisseld. De markt of de economie mag niet langer het doel zijn. Ze zijn maar middelen die een hoger doel, namelijk de mens, moeten dienen. De mens mag niet langer gezien worden als louter een hulpmiddel, naast andere activa zoals grondstoffen, machines en technologie, om een financieel-economisch doel, zoals hogere bedrijfswinsten of een hogere beurskoers, te bereiken.

Alle pogingen die men sinds ongeveer 200 jaar onderneemt om het menselijk gedrag in de gewenste richting te sturen zijn immers op niets uitgedraaid. De mens is immers te complex om gereduceerd te worden tot een cijfer en om gedegradeerd te worden tot een werkinstrument. Een mens laat zich niet beheersen. Een mens laat zich niet in een vakje stoppen. Zowel het nazisme als het fascisme zijn op deze realiteit gebotst. Nu is volgens Supiot ook het neoliberalisme aan een ‘reality check’ toe.

Hoe moet het nu verder?

Bijgevolg dient alles op een nieuwe leest te worden geschoeid. Als alternatief schuift Supiot de Verklaring van Philadelphia naar voor. Deze verklaring, die op 10 mei 1944 werd geproclameerd, legt de doelstellingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) vast. De Verklaring van Philadelphia wilde een alternatief bieden voor het nazisme en het communisme. Nu kan het even goed een alternatief voor het neoliberalisme zijn. Daarbij moet men wel eerder aanknoping zoeken met de geest van de Verklaring van Philadelphia (‘l’esprit de Philadelphie’). Er moet immers rekening gehouden worden met alle evoluties die zich sinds 1944 voorgedaan hebben. Ook de Verklaring van Philadelphia kan niet omheen een confrontatie met de werkelijkheid. Ze moet naar vandaag hertaald worden.

Daarom schuift Supiot de drie principes van de menselijke waardigheid, vrijheid en sociale rechtvaardigheid, als de drie meest fundamentele beginselen naar voren, hoewel die niet als zodanig voorkomen in deel I van de Verklaring van Philadelphia, dat de fundamentele basisbeginselen van de IAO bevat. Ten eerste moeten alle mensen waardig behandeld worden, gewoon omdat ze mens zijn. Dit betekent meteen dat mensen niet gediscrimineerd mogen worden op basis van hun ras, hun geloof of hun geslacht. Ten tweede moeten mensen zelf hun leven kunnen inrichten zoals zij dat wensen. Ze moeten materieel kunnen vooruitgaan en zich spiritueel kunnen ontwikkelen. Ten derde vereist de sociale rechtvaardigheid dat de bestaanszekerheid voldoende gegarandeerd wordt, onder andere via een sociale zekerheid, en dat iedere mens gelijke kansen heeft.

De gevolgen voor de arbeidsmarkt

Wat betekenen deze drie fundamentele beginselen nu bijvoorbeeld voor de arbeidsmarkt? Daar schuift Supiot vooral de vrijheid naar voor. Hij stelt voor om definitief komaf te maken met het traditionele tayloristische compromis tussen werkgevers en vakbonden. Kort gezegd komt dit erop neer dat de werknemers zich onderwerpen aan het werkgeversgezag en zich plooien naar de organisatie van de arbeid binnen de onderneming. Deze organisatie was voor een groot stuk gebaseerd op de inzichten van Frederick Winslow Taylor: het productieproces wordt opgesplitst in zo veel mogelijk aparte handelingen en iedere werknemer moet zich toeleggen op één welbepaalde handeling. Daardoor kan veel meer geproduceerd worden met dezelfde mankracht. Inderdaad, opnieuw een reductionistische visie waarin de mens, net als ieder ander onderdeel van de productie, ingepast wordt in een groter systeem, hier het productieproces. In ruil voor hun inschakeling in het productieproces ontvangen de werknemers van de werkgever een adequaat loon en jobzekerheid.

Door de globalisering en de informatisering kan dit tayloristische compromis echter niet meer gehandhaafd worden. Dit inzicht is volgens Supiot echter nog niet voldoende doorgedrongen bij de linkse partijen en de vakbonden. Ze blijven immers nog altijd zweren bij ‘verworven’ rechten. Hoogstens kan je ze horen spreken dat er meer nood is aan begeleiding van werknemers. Het tayloristische systeem wordt echter door hen niet fundamenteel in vraag gesteld, hoewel het fundamenteel in crisis is.

Wat is dan het alternatief? Er dient een nieuw sociaal pact te komen dat steunt op de vrijheid en de verantwoordelijkheid van de werknemers zelf in plaats van hen te onderwerpen of te programmeren. Dit veronderstelt dat de werknemers over de nodige middelen kunnen beschikken om zelf vrij hun keuzes rond werken en niet-werken te maken. Ze moeten een reële keuzevrijheid hebben. Zo moeten ze op een bepaald ogenblik hun carrière kunnen onderbreken om voorrang te geven aan het gezinsleven. In hun dagelijkse arbeidssituatie moeten ook hun intelligentie en creativiteit ten volle tot hun recht komen. Dit alles veronderstelt de nodige professionele bekwaamheid in hoofde van de werknemers, een begrip dat aardig in de buurt komt van de ‘capabilities’ van Amartya Sen. Van de werkgever mag dan ook verwacht worden dat hij de werknemer in staat stelt om de nodige vaardigheden en bekwaamheden te ontwikkelen en te behouden, zodat die desgevallend kan veranderen van baan. De Franse Code du Travail legt ten andere zo een verplichting aan alle werkgevers af.

De auteur faalt soms

Ik denk dat men het met de grote lijnen van Supiots analyse eens kan zijn. Dit neemt evenwel niet weg dat sommige concrete voorstellen die hij doet een kritische toets niet kunnen doorstaan. Zo stelt hij voor om de bestuurders van vennootschappen enkel te laten benoemen door aandeelhouders die gedurende een lange tijd aandelen in de vennootschap hebben. Supiot hoopt zo te vermijden dat een bedrijf onder de druk van actieve minderheidsaandeelhouders, die maar kort de aandelen in handen hebben, zich te veel zou richten op zo groot mogelijke winsten op de korte termijn. Wat men echter in de praktijk moet vaststellen is dat in dergelijke vennootschappen de minderheidsaandeelhouders volledig overgeleverd zijn aan de grillen van de meerderheidsaandeelhouder. Tevens is de kans dan groot dat het bedrijf veel meer de belangen van de meerderheidsaandeelhouder moet dienen in plaats van de eigen ondernemingsbelangen.

Het boek lijdt verder aan een paar typisch Franse trekjes. Zo heeft de auteur blijkbaar veel meer vertrouwen in de staat dan in de markt. Schijnbaar heeft hij zelfs heimwee naar het colbertisme, het economisch systeem ten tijde van Jean-Baptiste Colbert, de minister van Financiën ten tijde van Lodewijk XIV. Daarbij zette de staat de grote lijnen van het economische beleid uit. Het kwam dan aan de grote ondernemingen toe om het economische beleid ten uitvoer te brengen, terwijl de financiële instellingen voor de financiering ervan moesten instaan. Zo wordt over het hoofd gezien dat de overheid, net als de markt, ook kan falen. De overheid is evenmin vrij van het nemen van foutieve economische beslissingen. Zo hebben de overheden in België veel te lang verouderde of niet meer leefbare industrieën zoals de steenkolenmijnen, de Waalse staalindustrie en de Vlaamse scheepswerven door subsidies kunstmatig in leven gehouden. Zoals Louis Verbeke, gewezen topadvocaat, onlangs terecht opmerkte in een interview: “Zonder Europa waren we nog staalbedrijven aan het subsidiëren.”

Een ander Frans euvel is om de globalisering gelijk te stellen aan sociale dumping. In deze opvatting lijken bedrijven alleen maar te verhuizen naar andere landen om daar te profiteren van de lage lonen en zo ondernemingen die in West Europa blijven produceren oneerlijke concurrentie aan te doen. Dergelijke delokalisering zou alleen maar kunnen leiden tot sociale en economische achteruitgang (‘a race to a bottom’ of ‘la course au “moins-disant” social’). Er zijn nochtans vele redenen waarom bedrijven activiteiten opstarten in een ander land. Zo richt men vaak een nieuw vestiging in een land op om dichtbij een beloftevolle nieuwe markt te produceren. Bovendien kan het verplaatsen van activiteiten naar landen met lagere lonen juist het voortbestaan van het bedrijf en dus van de werkgelegenheid in het land van oorsprong garanderen. Zo kan het door de hoge loonkost niet meer mogelijk zijn om aan goedkope massaproductie te doen, maar door de verhuizing van de productie naar een lagerloonland kan het bedrijf er financieel weer bovenop komen en kan het bijvoorbeeld het onderzoek en de ontwikkeling nog in België houden en verder uitbouwen.

Misschien omwille van deze realiteit neemt Alain Supiot wat verder in het boek wat gas terug wat de delokalisering betreft. Zo stelt hij voor om een onderscheid te maken tussen investeringen in het buitenland die mikken op de lange termijn, bijvoorbeeld om zich op een nieuwe markt te vestigen, en investeringen die geen ander doel dienen dan ergens goedkoop te gaan produceren zonder rekening te houden met sociale en ecologische regels. Deze laatste investeringen zouden door een ‘gematigd protectionisme’ moeten worden afgeremd. Stelt zich dan natuurlijk de vraag hoe men dan precies dit onderscheid tussen ‘goede’ en ‘foute’ investeringen kan maken. Deze vraag wordt evenwel niet beantwoord.

Waar het fundamenteel op neerkomt, is dat Alain Supiot grote moeite heeft met de economische theorie van de ‘comparatieve voordelen’ die door de Engelse econoom David Ricardo in het begin van de 19e eeuw is geformuleerd. Volgens die theorie kan een land altijd voordeel plukken uit specialisatie. Een land is altijd beter af door zich te specialiseren in die producten waarin men het beste is en daarin handel te drijven met andere landen. Internationale organisaties als de Europese Unie en de Wereldhandelsorganisatie (WTO) hebben tot taak om door de vrijmaking van de internationale handel ieder land toe te laten zijn comparatieve voordelen ten volle uit te spelen. Vandaar dat de Europese Unie en de WTO op vele plaatsen in het boek de gebeten hond zijn.

Helaas heeft de auteur zo geen oog voor de positieve effecten van de globalisering. Zo kan die de stormachtige ontwikkeling van een middenklasse stimuleren, waardoor meer en meer mensen uit de vicieuze cirkel van de armoede kunnen geraken. Op dit ogenblik zou 1,8 miljard mensen (28 % van de wereldbevolking) tot de middenklasse behoren. Tegen 2030 zou 5 miljard mensen (bijna 2/3 van de wereldbevolking) deel kunnen uitmaken van de middenklasse. De stijging van de middenklasse zou zich vooral manifesteren in Azië. Daar zou het aantal mensen dat tot de middenklasse behoort op nauwelijks 20 jaar tijd kunnen stijgen van 500 miljoen naar 3,2 miljard (zie hiervoor H. KHARAS, “The Emerging Middle Class in Developing Countries”, OECD Development Centre, Working Paper No. 285, januari 2010, 61 blz.; H. KHARAS en G. GERTZ, “The New Global Middle Class: A Cross-Over from West to East”, Wolfensohn Center for Development at Brookings, 2010, 14 blz.)

Van deze evolutie zou dan gebruik kunnen worden gemaakt om de sociale zekerheid betaalbaar te houden. Zo zouden pensioenfondsen van het ontstaan van een grote middenklasse in Azië een graantje kunnen meepikken door te investeren in bedrijven die handig weten in te spelen op de wensen en verwachtingen van de steeds meer spenderende Aziatische consument. Daarnaast valt het te verwachten dat door de stijgende loonkosten in China en India fabrieken voor de productie van massaconsumptiegoederen gaan verhuizen naar andere landen die qua loonkost beterkoop zijn. Op deze geïmporteerde goederen zou een hogere BTW kunnen worden geheven waarvan de opbrengst naar de sociale zekerheid zou kunnen gaan.

Conclusie

Alain Supiot oefent terechte kritiek uit op het neoliberalisme. De mens moet weer centraal komen te staan. De mens moet weer het doel van de economie worden, hij mag niet beperkt worden tot een middel waarmee de economie zich kan bedienen. Dat betekent echter nog niet dat men daarmee alle economische inzichten over boord mag gooien. Door de laatste financieel-economische crisis mag de economie als wetenschappelijke discipline wel in diskrediet gebracht zijn, dat neemt niet weg dat een aantal economische wetmatigheden nog steeds hun relevantie hebben. Integendeel, men kan juist nuttig gebruik maken van sommige economische wetmatigheden om de gezamenlijke doelstellingen van menselijke waardigheid, vrijheid en sociale rechtvaardigheid, waar ook liberalen ten volle achter kunnen staan, te bewerkstelligen.


Recensie door Lieven Monserez

Alain Supiot, L’esprit de Philadelphie, Editions du Seuil, 2010, 179 blz.

Links
mailto:lmonserez@laga.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be