Storm in juni

boek vrijdag 17 oktober 2008

Irène Némirovsky

Nemirov, een stadje in de Oekraïne, was in de achttiende eeuw een belangrijk centrum van het chassidisme. Als de naam ons vandaag nog iets zegt, dan is dat te danken aan Irène Némirovsky, een schrijfster die in 2004 postuum de gegeerde Prix Renaudot ontving voor haar magistrale en kaleidoskopische maar ook wrange Suite française, een kloeke roman waarvan de tekstgenese alleen al een andere en verbluffende vertelling in zich draagt, maar ook haar leven zélf is van zo’n immense tragiek dat de lezer, ondanks het fameuze dictum dat een ongelukkige jeugd een goudmijn is voor een schrijver, zich er toch over blijft verbazen dat iemand zo sereen en lucide kon schrijven over een periode waarin het banale én het demonische kwaad als nooit tevoren systematisch regeerden, een tijd die ze ondanks de vele mene tekels vrij onthecht beleefde en beschreef. Als lezer van deze nu in het Nederlands als Storm in juni vertaalde roman blijf je verbijsterd achter.

Irène Némirovsky werd in 1903 geboren in Kiev uit rijke ouders, in hartje Jiddishland; ze werd opgevoed in een liefdeloze omgeving: enerzijds door een vader die slechts bekommerd bleek om twee zaken, het commerciële en het casino; anderzijds door een moeder die niet om haar gaf. Eenzaamheid was haar metgezel en boeken waren haar troost. Op veertienjarige leeftijd schreef ze teksten met op de achtergrond de romaneske wereld van de grote Russen uit de wereldliteratuur, maar ze verslond ook Plato en J.K.-Huysmans, Maupassant en Wilde. Na de oktoberevolutie van 1917, in december 1918, moeten ze, vermomd als boeren, de rode terreur ontvluchten; ze ervaren aan den lijve het wassende bijzantijnse despotisme en de toenemende klassengenocide van ‘een massabeweging die tegelijkertijd een putsch van enkelen was’ (Marc Ferro). Deze revolutie, waarvan we ondanks de val van de Muur, de naschokken nog steeds voelen, was een ongelukkig maar erg dynamisch samenspel van agrarische opstand tegen de staat en de grootgrondbezitters, een uiteenvallend leger van tien miljoen soldaten-boeren die niets begrepen van de oorlog waarin ze moesten vechten, die als slaven werden behandeld en die te maken hadden met een falend ravitailleringssysteem, van een erg kleine maar militante arbeidersklasse met terechte verzuchtingen (men schat ze op 3%), de nationalistische emancipatie van de vele Aziatische volkeren uit het ex-tsaristische keizerrijk en ten slotte het revolutionaire en gewelddadige vernuft van een intellectuele politieke minderheid, de bolsjewiki, die erin slaagde in het jaar 1917 de institutionele leegte op te vullen van een autocratisch regime dat reeds verzwakt was door bloedige boerenrevoltes en dat, onder de monarchistisch-populistische Nicholaas II, de effectieve controle over de staat verloren had.

Het land werd nog slechts ‘bestuurd’ door de erg impopulaire Alexandra, door de bevolking alleen al gehaat omdat ze Duitse was. In die dagen die de wereld dooreenschudden en te midden van een niet te stuiten hectiek vlucht de familie Némirovsky eerst naar Finland en Zweden. In 1920 vestigen ze zich in Parijs, nemen de draad weer op en leven als ‘katholieke joden’ een mondain leven dat de eigenlijke realiteit miskent. Dat dochter Irène, die nog steeds wegvlucht in een literaire droomwereld en voor wie het gezin geen ‘haven is in een rusteloze wereld’ (Christopher Lasch), haar diepgaande en genereuze maar apolitieke in een maatschappelijk vacuüm opbouwt, zal later zijn wrede repercussies hebben, al is haar wereldbeeld van in den beginne al getekend door een zekere illusieloosheid.

Wie de brieven leest die Michel Epstein, Irène Némirovsky’s echtgenoot, richt aan André Sabatier (de literair directeur van uitgeverij Albin Michel) naar aanleiding van haar gevangenneming als joodse in juli 1942, kan niet anders dan vertwijfeld voor zich uit staren en mijmeren over de overweldigende naïviteit die eruit spreekt: “Misschien moeten we in de zaak van mijn vrouw nog vermelden dat zij Wit-Russisch is en de Sovjetnationaliteit altijd geweigerd heeft, dat ze in Rusland streng vervolgd werd en daar samen met haar ouders, van wie het gehele fortuin in beslag werd genomen, vandaan is gevlucht. Hetzelfde is op mij van toepassing en ik overdrijf niet als ik zeg dat het totale bedrag dat mijn vrouw en mij is ontnomen ongeveer honderd miljoen vooroorlogse francs bedraagt... De huidige gezagsdragers kunnen er dus op vertrouwen dat wij niet de geringste sympathie koesteren voor het huidige Russische regime”. De Némirovsky’s, Irène en haar man Michel Epstein, geloofden toen nog – medio 1942! - in de ‘Anständigkeit’ van de Duitsers en de collaborererende Fransen. Ze waren aristocraten van de geest, mensen die een goedaardigheid, een ruimhartigheid en een ‘âme simple’ in zich droegen die na de tweede wereldoorlog voorgoed tot het verleden zouden behoren.

In Frankrijk leidden zij een leven zoals het in de romans van Scott Fitzgerald beschreven wordt: somptueus op het decadente af, vol bals en mondaine soirées. Irène studeert literatuur aan de Sorbonne en publiceert op 18-jarige leeftijd haar eerste roman, Le Malentendu. Op 26-jarige leeftijd, in 1929, verschijnt haar roman David Golder, een werk dat een eclatant succes is: het getuigt van een bijzondere rijpheid en kracht, maar ook van een sombere maar stoïsche ziel. Het boek wordt verfilmd door Julien Duvivier en er komt een theateruitvoering. Zo verschillende auteurs als Paul Morand (tijdens de tweede wereldoorlog in dienst van de Vichy-regering), Drieu La Rochelle (spiritueel collobarateur die in 1945 zelfmoord pleegde), Jean Cocteau, Robert Brasillach (wegens zijn ‘fascisme immense et rouge’ in 1945 geëxecuteerd) en Joseph Kessel (speelde een actieve rol in het verzet) fêteren haar, maar ook in het buitenland wordt ze alom bejubeld.

De vooroorlogse tijd waarin Irène Némirovsky leefde, was in die zin tegelijk troebel en turbulent dat vele intellectuelen, op zoek naar een waarachtige democratie en afkerig van de traagheid en het gekonkel van de politiek, voor een bepaald autoritarisme opteerden – wat hen in het vaarwater van de collaboratie bracht. De era waarin deze erg getormenteerde ‘joodse’ schrijfster haar Werdegang doormaakte, was blijkbaar ook dermate ambivalent en verward dat ze verschillende van haar werken in het licht angehauchte antisemitische tijdschrift Gringoire kon publiceren. Blijkbaar golden ‘les contraintes de l’époque’ (Gérard Loiseaux in La littérature de la défaite et de la collaboration, 1984 – herziene editie: 1995) eveneens voor een auteur die in al haar burgerlijkheid niet het minste politieke inzicht vertoonde. Getuige daarvan een fragment uit een brief van augustus 1940: “U weet dat ik me over het algemeen verre van de wereld houd en dat ik niets weet van mogelijke maatregelen die de laatste tijd door de pers getroffen zijn”. Het is alleen de morele, humanistische en intellectuele puurheid van deze schrijfster die het bovenstaande in een juiste context kan plaatsen en die onze sympathie kan wekken voor een vrouw die leefde alsof ze buiten de tijd stond. Als katholieke joodse ging ze er impliciet vanuit dat ze zou kunnen blijven publiceren, ook al zat de werkelijkheid haar en haar man (die even later ook werd opgepakt) dicht op de hielen. Op 13 juli 1942 wordt ze, zoals reeds gezegd, door Franse gendarmes gearresteerd, maar zelfs dan blijft ze stoïsch en in een zekere zin optimistisch: “Op dit moment bevind ik me in de gendarmerie, waar ik bosbessen en aalbessen gegeten heb en wacht tot ze me komen halen, ik ben ervan overtuigd dat het niet lang zal duren”. Ze wordt, net als haar man, naar Auschwitz gedeporteerd; in Birkenau krijgt ze een registratienummer, ze komt terecht in het Revier, de anus mundi waar ze vermoord wordt.

Wie de wat naïeve uitlatingen leest in de correspondentie die opgenomen werd in de in 2005 bij uitgeverij De Geus gepubliceerde roman Storm in juni, ontkomt er niet aan Némirovsky’s houding te beschouwen als een soort onaardse of ouderwetse maar immer dramatische grootmoedigheid die opnieuw fel begint te leven zodra men één letter van haar leest. Naïef dus maar ook bijzonder menselijk en met een grootheid van ziel die ontroert. Het is een bijzondere maar ook verwarrende gewaarwording met het verloop van de geschiedenis in het achterhoofd. In 1938 vroegen zij en haar man tevergeefs de Franse nationaliteit aan, heel de familie liet zich dopen, in 1939 werden de twee kinderen, Denise en Elisabeth, veilig naar Issy-l’Evêque gebracht. De schrijfster maakt haar testament, regelt tot in de kleinste bijzonderheden het lot van de kinderen (die gelukkig overleven), maar ondertussen werkt ze koortsachtig aan een oeuvre, een vijfluik, vijf romans in verschillende ritmes en toonaarden, waarvan zij er nog twee kon voltooien: die werden in 2004 als Suite française uitgegeven en liggen nu - in één band - voor in het Nederlands als Storm in juni, dat een levendig maar navrant portret tekent van de uittocht uit Parijs waarin alle soorten karakters elkaar kruisen, en Dolce, over de bezetting. Het is een meedogenloos maar onaf portret van een cynisch en bijzonder laf Frankrijk, het vormt een uitzonderlijke schriftuur die we vandaag tot het rijk van de wereldliteratuur kunnen rekenen dankzij de moed en de integriteit van haar twee gevluchte kinderen die het manuscript, dat ze hadden verstopt en een heel leven met zich hadden meegedragen en gekoesterd, op een bepaald moment hebben overgetypt om het daarna te schenken aan het Franse archief voor het Boekenvak (L’Institut Mémoire de l’Edition Contemporaine).

Onder hun ogen openbaarde dit werk zich tot een groots en schrander maar deprimerend panorama van een tijd waaraan de Fransen niet graag worden herinnerd, ook de literaire niet, want de helft ervan collaboreerde er intellectueel rustig op los, maar terzelfder tijd groeide bij de twee kinderen via deze virtuoos gecomponeerde roman (altijd met klassieke muziek op de achtergrond) een weergaloos en ontroerend portret van een moeder die ze wegens hun jonge leeftijd niet echt hadden kunnen leren kennen. Want in tegenstelling tot Irène Némirovsky’s eigen moeder, die ze eigenlijk haatte en die nooit naar haar omzag, was deze romancière als moeder het toonbeeld van een goedmoedigheid en een generositeit die je naar de keel grijpen. Haar dochter Elisabeth (die schrijft onder de naam Elisabeth Gille) publiceerde in 1992 over Irène een ‘verzonnen’ biografie, een uitgevonden levensbeschrijving als het ware omdat zij te jong was geweest om haar moeders gevoelsleven en psyche echt te begrijpen, maar de reconstructie van dat leven in Le Mirador wordt zo empathisch juist uitgebouwd dat de lezer er een onnoembaar verdriet aan over houdt, een intense gewaarwording van authentieke hopeloosheid en verlies.

Het paradoxale van het trieste leven van Irène Némirovsky bestaat misschien wel hierin - en de inleidster van de Franse uitgave (ook opgenomen in deze mooi-afgeronde Nederlandse vertaling) Myriam Anissimov wijst er ook op - dat er een ongelooflijke zelfhaat schuilt in haar oeuvre. Die is waarschijnlijk terug te voeren op het in haar ogen bijna decadent-kosmopolitisme van de gegoede joodse burgerij, voor wie haar ouders model stonden. De zwierige nonchalance waarmee de kinderen werden grootgebracht, de liefdeloosheid en het stuitende en doorgeslagen materialisme van die grotemensenwereld, leidden ertoe dat Irène Némirovsky dit soort joden ‘bij wie de liefde voor het geld de plaats van elke andere emotie heeft ingenomen’ totaal verwerpelijk vond. De kenmerken die ze aan de ‘jood’ toekent zijn doordrongen van alle mogelijke stereotiepen, haar woordkeuze is vaak abject maar toch ook in zekere zin altijd schuldeloos. Ze spreekt over de ‘joodse schaamteloosheid’, hun geldzucht, maar tegelijk is ze er trots op joods te zijn! Ze is erdoor gefascineerd maar tegelijkertijd verwerpt ze datgene waardoor ze zelf gevormd was, namelijk de mores van de gegoede joodse geldburgerij.

De spirituele kant van het jodendom en de diversiteit ervan kende ze niet, en diegenen die haar als een vijand van haar eigen volk beschouwden gaf ze lik op stuk door te stellen dat ze in haar roman David Golder geen ‘Franse Israëlieten’ had beschreven maar het soort kosmopolitische joden waartussen ze opgegroeid was. Haar wereldbeeld, gevormd door wat in haar ogen verwerpelijk was, de voortdurende preoccupatie met geld - roept reminiscenties op aan Jacques Attali’s Les juifs, le monde et l’argent (2002), een werk dat odermeer tracht te verklaren waarom het antisemitisme soms een historisch-correcte voedingsbodem heeft, een moedig en savant boek dat niets uit de weg gaat, ook niet, zoals de auteur het stelt, een onderwerp dat naar zwavel ruikt. “Even essentieel is het voor het joodse volk”, zo schrijft Attali, “om dit deel van zijn geschiedenis onder ogen te durven zien, het deel waarvan het niet houdt en waarop het toch met reden trots zou moeten zijn”. Het is die dubbelzinnigheid die we ook terugvinden bij Nemirovsky wanneer ze joodse mensen portretteert.

In Storm in juni borstelt Némirovsky op een vrij afstandelijke wijze een turbulent maar toch romanesk beeld van een Frankrijk in verwarring. In haar notities (achter in de roman opgenomen) schrijft ze: ”Mijn god! Wat doet dit land me aan? Nu het me afwijst moet ik het koel beschouwen, ik moet goed kijken hoe het zijn eer en zijn leven verliest”, en begin 1942 merkt ze nuchter op: “De Fransen hadden zo genoeg van de Republiek als van een oude echtgenote. De dictatuur was een bevlieging voor ze, een avontuurtje. Ze wilden hun vrouw wel bedriegen maar niet vermoorden. En nu is ze dood, hun Republiek, hun vrijheid. Nu huilen ze om haar”. Haar algemene beschouwingen over het voorbije tijdperk zijn nooit echt politiek, altijd filosofisch en pessimistisch. Haar personages zijn door de bank genomen zwak en laf, opportunistisch – slechts enkelen gedragen zich in die hectische dagen edelmoedig. Ze vergelijkt haar roman met een muziekstuk waarin je af en toe het orkest hoort en dan weer een enkele viool. Het is verhelderend om te zien hoe ze genadeloos en obsessief reflecteert op haar eigen literaire schema’s en opvattingen en hoe ze refereert aan de wijze waarop Flaubert zijn personages concipieerde; het feit dat haar literaire en andere bedenkingen achteraan in het boek werden opgenomen, is in dit geval van een uitzonderlijke importantie omdat eruit blijkt hoe doordacht Irène Némirovsky tewerkging en hoe intensief ze nadacht over ieder personage, hoe elk segment van de samenleving zijn of haar representant krijgt, de gewone man, de kleine en grote burgerij, de literaire kliekjes, de soldaten, de colloborateurs en de boeren.

Maar helemaal fascinerend is, hoe ze er in het tweede gedeelte (Dolce, dat verwijst naar de zachtheid van de beschreven gebeurtenissen) in slaagt om – terwijl de oorlog toch al een aantal jaar verwoestend huishield – op een geloofwaardige (maar toch ook naïeve) wijze het verhaal te vertellen van de ingehouden liefde van een integere Française voor een Duitse, ingekwartierde officier. Het is een tour de force die romantechnisch overtuigt maar die tegelijkertijd de zwakte blootlegt die Némirovsky’s on-politieke wereldbeschouwing kenmerkt. Zelfs in die beginjaren (1939-1940-1941, begin 1942), de periode waarin ze aan haar roman fleuve van vijf delen werkt, is het bij de auteur blijkbaar nooit ten volle doorgedrongen dat ze op dat moment aangeschoten wild was en was ze er allicht impliciet toch van overtuigd dat haar pessimistisch humanisme tegen de barbaarsheid zelf kon optornen. De zoetheid van Dolce staat dan in fel contrast met de dramatische gebeurtenissen van het eerste deel (Storm in juni), die als een soort afrekening met Frankrijk kunnen worden gelezen. De lezer kan dan ook alleen maar erg veel spijt van hebben van het onverbiddelijke feit dat ze nooit de volgende drie delen heeft kunnen schrijven, al kan hij wel de notities lezen die ze voor haar grote Franse roman maakte en verbitterd vaststellen dat, zoals de dichter het zegt, zoveel schoonheid in de knop werd gebroken.

Als lezer word je permanent in verwarring gebracht omdat je wéét wat er zal gebeuren, terwijl de schrijfster grootse plannen blijft opzetten; nog op 2 juni 1942 merkt ze op: “Nooit vergeten dat de oorlog ooit voorbij zal gaan en dat het hele historische gedeelte dan verbleekt”. Maar in psychologisch opzicht en als analyse van wat soort mensen volk de toekomst zouden bevolken, de cynische massamens, is deze romanschrijfster onovertroffen; dan legt ze de vinger op elke wonde plek en verbijstert het ons hoeveel ze toch al afwist van onze toekomst, al kende ze de hare niet. De spanning tussen het individu en het collectief vindt men in haar bedenkingen immers op exemplarische wijze terug, en eigenlijk pleit de auteur voor een fatsoenlijke burgermaatschappij (Avishai Margalit), ver voorbij deze twee polen. In die zin is haar werk, spijts haar eigen aversie ertegen, toch weer politiek. Méér echter nog ligt haar kracht in het tekenen van de kleine kantjes van de mens, zeker in een tijd waar alles op het spel stond.

Irène Némirovsky, grootgebracht in een wereld waarin de tsaar nog een icoon was, maar ook in het intellectuele Frankrijk van het interbellum, opgevoed door het traditionele kindermeisje en in zekere zin wég van de wereld, mondain en toch eenvoudig, joods en katholiek, burger en aristocraat, denker en romancière: het is meer dan velen ooit zullen kunnen verenigen en het heeft een klein oeuvre gegenereerd dat we moeten koesteren. Maar als ik me ze wil herinneren, dan is het als onverbiddelijke scherprechter van een collaborerend en zwalpend Frankrijk, dat ze beter dan wie ook doorgrondde omdat ze een scherp inzicht had in de menselijke psyche en in het menselijk tekort. Maar wat daarna volgde, de industriële uitroeiing van een volk, van homoseksuelen, gehandicapten, zigeuners en alles wat als Untermensch beschouwd werd, dàt kon ze ook als getalenteerde schrijfster niet voorzien: daarvoor was ze een té fatsoenlijk mens in een tijd waarin het kwaad uit alle kieren en gaten kroop, een periode in de geschiedenis die ons denken nog altijd verlamt en waarmee we nog steeds niet helemaal in het reine zijn gekomen.


Recensie door Wim van Rooy

Irène Némirovsky, Storm in juni, De Geus, 2005

Links
mailto:wimvanrooy@gmail.com
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be