Dus ik ben weer

boek vrijdag 12 oktober 2012

Stine Jensen

Wat vormt onze identiteit? Daarover breekt Stine Jensen haar hoofd. Het resultaat ervan is een tweede queeste naar de wortels van onze individualiteit. Na Dus ik ben is er nu Dus ik ben weer. Was alles schijnbaar nog reuzengeur en maneschijn in Dus ik ben, dan is Dus ik ben weer een grote les in bescheidenheid.

Zijn door de recente crisis de mogelijkheden om je leven naar eigen inzicht in te richten gereduceerd? Zijn de kansen om je identiteit naar eigen goeddunken in te vullen verminderd in vergelijking met enkele jaren geleden? Daar lijkt Stine Jensen in Dus ik ben weer van overtuigd. Zo zijn de plaatsen op de arbeidsmarkt door de crisis beperkter geworden, waardoor men constant moet uitblinken en opvallen om zijn positie te handhaven. Om na te gaan of je echt presteert, moeten jouw prestaties met die van anderen kunnen worden vergeleken. Je prestaties moeten aldus meetbaar zijn, zodat je erop afgerekend kunt worden. Daardoor word je meer een object dan een subject. Niet wat je bent is van belang, wel wat je in de praktijk waard bent.

Ook op andere domeinen lijkt de economische invalshoek alomtegenwoordig en dominant. Zo moeten kunst en cultuur opbrengen. Boeken moeten goed verkopen en films moeten een breed publiek lokken. Als gevolg hiervan wordt het moeilijker om in contact te komen met niet-populaire cultuuruitingen. Als het waar is dat we gevormd worden door wat we lezen en zien, dan moet onze identiteit minder gevarieerd worden, want we komen met minder diverse zaken in aanraking.

Daarnaast gaan bedrijven als Google en Facebook met onze identiteit aan de haal. Niet alleen verzamelen ze zo veel mogelijk gegevens over ons om die aan andere bedrijven te verkopen. Ze personaliseren ook onze zoekinformatie: we krijgen andere zoekresultaten dan iemand die dezelfde zoekactie via een andere computer uitvoert. Zo dreig je steeds terecht te komen bij sites van gelijkgestemden waardoor je standpunt voortdurend bevestigd wordt. Nochtans veronderstelt een democratie dat men in aanraking komt met andersluidende ideeën.

Al deze omstandigheden brengen Stine Jensen ertoe om zich in Dus ik ben weer te richten op de onvrije identiteit. Hoeveel macht hebben mensen nog werkelijk om hun identiteit te ontwerpen in crisistijden waarin zowat alles wordt gedomineerd door een economische manier van denken? Zoals de ondertitel correct aangeeft, vormt dit een nieuwe zoektocht naar identiteit. Enkele jaren geleden schreef Stine Jensen, samen met Rob Wijnberg, al Dus ik ben< /I>. Stond in Dus ik ben in het teken van de keuzevrijheid, dan staat in Dus ik ben weerde vraag centraal in hoeverre onze identiteit door externe factoren vorm wordt gegeven.

Haar speurtocht heeft Stine Jensen in tien hoofdstukken gegoten. Ieder hoofdstuk vangt aan met een recente (media)gebeurtenis. Het grote voordeel van zo een werkwijze is dat abstract gefilosofeer erdoor wordt vermeden. De overpeinzingen blijven met de realiteit van alledag gelinkt. Het nadeel van deze aanpak is dat de conclusie van ieder hoofdstuk moet terugverwijzen naar de gebeurtenis waarmee het bewuste hoofdstuk begon. Hierdoor kan het einde van een hoofdstuk overkomen als een afknapper. Dan kan de lezer het gevoel bekruipen dat het eindbesluit niet aansluit bij de interessante beschouwingen die eraan voorafgingen en het niveau daarvan niet benadert.

Een geslaagd voorbeeld is het hoofdstuk over het spel. Het start met het boek Strijdlied van een tijgermoeder van de Chinees-Amerikaanse schrijfster Amy Chua. Ze verwekte heel wat deining in de VS en Europa in 2010 met haar visie op opvoeding van kinderen. Ze brak een lans voor een Spartaanse educatie, met veel nadruk op discipline en leren, veel leren en zonder tijd en ruimte voor spelen. Kinderen moeten ten allen tijde met iets nuttigs bezig zijn. Dit botst radicaal met de Westerse zienswijze dat kinderen vooral moeten kunnen spelen. Dat spel moet ook zuiver zijn. Het spel mag alleen om het spel zelf gaan. Maar bekijken we in het Westen het spel wel echt als iets ‘nutteloos’?

Is onze blik op het spel niet te romantisch ingekleurd? Terecht merkt Stine Jensen op dat het spel hier zo gewaardeerd wordt omdat het nuttig is met het oog op een heleboel doeleinden: door met elkaar te spelen leren kinderen met elkaar om te gaan en sociaal te zijn; door het spelen ontwikkelen ze hun creativiteit; door sport en spel blijven ze fit en zitten ze niet uren achter hun computer enz. In wezen zijn de opvattingen over opvoeding in het Westen van dezelfde nutslogica doordrenkt als die van Amy Chua.

Een ander mooi hoofdstuk gaat over het geluk. De aanleiding is een krantenbericht dat kinderen krijgen niet gelukkiger maakt. Bij vrouwen zou het geluksgevoel dalen na de komst van hun eerste kind. Slechts één groep vrouwen zou even gelukkig blijven. Dat zouden de vrouwen zijn die voor de geboorte meer dan 45 uur per week werkten en dat na de geboorte blijven doen. Van eigenlijk een banaal artikel waarvan iedere dag er zoveel verschijnen in de dagbladen, komt Stine Jensen na enkele omzwervingen uiteindelijk bij Jean-Jacques Rousseau en de roman The Hours van Michael Cunningham terecht. Die brengen haar tot het inzicht het dat streven naar een gelukkig leven in essentie een hopeloze taak is. Immers, er is altijd wel iets niet op orde. Alle zelfhulpboeken die uitroepen: “U kunt gelukkig worden. Het wordt beter. En u kunt nu wat doen!” en die aldus van een maakbaarheidsgedachte uitgaan, mogen dan ook naar het stort gebracht worden. Geluk schuilt eigenlijk in een moment. En die geluksmomenten duiken juist op wanneer men vrij van zorgen is en zich zo even niet bezig moet houden met wie men is, wanneer men zich dus even niet hoeft te bekommeren om de eigen identiteit. “Geluk? Dat is filosofische dobberrust.”

Een illustratie van het nadeel van de gevolgde methodiek is het hoofdstuk dat gewijd is aan communicatie. Het vangt aan met de beruchte woordenwisseling tussen Geert Wilders en Mark Rutte in de Tweede Kamer, waarbij ze elkaar “Doe ’s normaal, man!” toeschreeuwden. Om het hoofdstuk af te sluiten moet Stine Jensen teruggaan naar deze scène met Wilders en Rutte. Ze beantwoordt de vraag hoe je het best Wilders aanpakt, als hij weer grofgebekt tekeer gaat. Zo iemand moet je met humor bekampen, stelt Jensen. Ze haalt daarvoor het voorbeeld aan van Hans Wiegel, de leider van de VVD in de jaren zeventig. Die werd tijdens een debat geconfronteerd met een student die hem uitschold door luid ‘Lul!’ te roepen. Daarop reageerde Wiegel kalm en gevat: “Aangenaam, mijn naam is Wiegel.”

Op zich een valabel antwoord. Maar na al wat eraan voorafgegaan is, is het eigenlijk toch een anticlimax, een wat teleurstellende eindnoot. Zo heeft Stine Jensen in datzelfde hoofdstuk wel wat zinnigs te vertellen over de huidige botte taalgebruik. Is immers deze verruwing niet te wijten aan het feit dat iedereen tegenwoordig zijn mening kan uiten via allerhande kanalen? Dan wordt je mening pas gehoord, wanneer je ervoor hebt gezorgd dat jouw opinie echt in het oog springt, bijvoorbeeld door een schreeuwerige of beledigende toon aan te slaan. Hoe kan je nu als filosoof reageren op de vergroving van de communicatie? Volgens Stine Jensen kan je dat op twee manieren doen. Ofwel vraag je om meer aandacht voor de echte conversatie, waarvoor alle machines (laptops, smartphones etc.) gedurende enkele uren het zwijgen moet worden opgelegd. Ofwel kun je pleiten voor… het zwijgen. Even de aanhoudende stroom woorden uitzetten om eens een gesprek met zichzelf te kunnen opzetten. “Ik zwijg, dus ik ben”.

De rode draad van Dus ik ben weer is dat de hedendaagse maatschappij in de ban is van een ware maakbaarheidscultus. Zelfs op zoiets ongrijpbaars als de dood willen we vat krijgen. Hoe moet je anders die overvloed aan uitvaartmogelijkheden opvatten? Zelfs bij onze begrafenis willen we de touwtjes in handen blijven houden. We moeten de regisseur van ons eigen sterven zijn. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de maakbaarheid van het lichaam (plastische chirurgie). Alleen met de maakbaarheid van de samenleving zelf wil het niet zo lukken, zo wordt vastgesteld in het hoofdstuk over macht. Volgens Time Magazine was 2011 het jaar van de demonstrant, met onder meer de Occupy-beweging in de VS. Alleen heeft Occupy nog niet veel effect gehad. Volgens Stine Jensen komt dat misschien omdat Occupy te veel op het verstand gericht is en te weinig op het gevoel, de onderbuik mikt. Pas als je mensen echt raakt, kun je hen in beweging krijgen.

Moeten we nu de doodsklokken over onze eigen identiteit luiden? Is het weer een illusie die we moeten laten varen? Misschien toch niet. Stine Jensen haalt het voorbeeld aan van Geminoid DK, een robot die als twee druppels water lijkt op zijn schepper, de Deense computerdeskundige Henrik Schärfe. Ja, de mens kan worden nagebootst. Maar als dat eens in de werkelijkheid wordt vertaald, dan blijft de maker vooral een kopie van zichzelf te maken. “Niet van de buurvrouw, niet van de echtgenoot, maar van zichzelf”. Blijkbaar blijven we onszelf, ondanks alles, toch nog altijd uniek vinden.


Recensie door Lieven Monserez

Stine Jensen, Dus ik ben weer, De Bezige Bij, Amsterdam, 2012, 191 blz.

Links
mailto:Lieven.monserez@telenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be