Perverse Globalisering

boek vrijdag 04 oktober 2002

Joseph Stiglitz

De beperkte weerklank die de acties van antiglobalisten tijdens de bijeenkomsten van de G8 in Canada en van de EU in Spanje kregen zouden de indruk kunnen geven dat de antiglobaliseringsbeweging op zijn retour is. Niet is minder waar. Het discours van de antiglobalisten is intussen doorgedrongen tot in politieke, wetenschappelijke en economische kringen en krijgt daar steeds meer publieke respons. Na de eerder gevoelsgeladen boeken van critici als Ignacio Ramonet, Naomi Klein en Viviane Forrester hekelen nu ook gezaghebbende politicologen, zakenmensen en economisten de uitwassen van de globalisering en het marktfundamentalistisch denken. In recente publicaties tonen Benjamin Barber, George Soros en Joseph Stiglitz aan dat er wel degelijk iets fout loopt. In zijn jongste boek Perverse Globalisering wijst Stiglitz erop dat de potenties van de globalisering verkeerd benut worden door de grote westerse, financiŽle instellingen. Hun strenge en eenzijdige beleid heeft vaak desastreuze economische gevolgen voor landen in overgang naar een markteconomie. Joseph Stiglitz is niet de eerste de beste. Hij was voorzitter van de Raad van Economische adviseurs van president Clinton, van 1997 tot 1999 chef-econoom bij de Wereldbank en hoogleraar aan de Colombia University. In 2001 ontving hij de Nobelprijs voor de Economie. Hij is momenteel de belangrijkste econoom ter wereld die scherpe kritiek uit op de huidige manier van globalisering.

Al in zijn voorwoord maakt Stiglitz zijn positie klaar en duidelijk: "Ik schrijf dit boek omdat ik, toen ik bij de Wereldbank zat, met eigen ogen het verwoestende effect zag dat globalisering op ontwikkelingslanden kan hebben, en vooral op de armen in deze landen. Ik geloof dat globalisering - het wegnemen van belemmeringen voor vrijhandel en de nauwere integratie van nationale economieŽn - een kracht ten goede kan zijn en in potentie iedereen op de wereld rijker kan maken, in het bijzonder de armen. Maar ik geloof ook dat, om dit te bereiken, de manier waarop met globalisering is omgegaan radicaal moet worden heroverwogen, inclusief de internationale handelsovereenkomsten die zo'n belangrijke rol hebben gespeeld bij het wegnemen van die barriŤres en bij het beleid dat is opgelegd aan ontwikkelingslanden in het proces van globalisering." Stiglitz gelooft wel degelijk in de voordelen van de globalisering maar haalt anderzijds scherp uit naar het eenzijdig opleggen van een soort Amerikaans kapitalistisch model als standaard voor andere landen.

Zo verwerpt hij de hypocriete houding van westerse landen die arme landen ertoe verplichten hun handelsbarriŤres op te heffen maar zelf hun barriŤres handhaven en daarmee voorkomen dat ontwikkelingslanden hun agrarische producten kunnen exporteren. Dit is desatreus voor die ontwikkelingslanden maar ook voor de Amerikanen (en Europeanen) die hogere prijzen betalen voor hun levensmiddelen en tevens miljarden subsidies ophoesten voor de bescherming van landbouw en textiel. Een andere wantoestand is het principe van de intellectuele eigendomsrechten. Westerse farmaceutische bedrijven verkregen het monopolie op de verkoop van levensnoodzakelijke medicijnen. Hun winsten gingen ophoog. Voorstanders zeiden dat dit de innovatie zou aanmoedigen maar "de keerzijde was dat vele duizenden in feite een doodvonnis kregen, omdat regeringen en individuen in ontwikkelingslanden niet langer de hoge prijzen konden betalen die ervoor werden betaald." Een dergelijke situatie lokt terecht woede en protest uit want "niemand wil dat zijn kind sterft wanneer elders in de wereld de kennis en medicijnen beschikbaar zijn."

Het zwaartepunt van zijn kritiek ligt op de werking van het IMF, een publieke instelling die gevestigd werd met geld dat werd opgebracht door belastingbetalers over de hele wereld. Alhoewel het IMF (en ook de Wereldbank) bijna uitsluitend optreden voor derdewereldlanden worden ze geleid door vertegenwoordigers van de rijke landen. Oorspronkelijk moest het IMF ingrijpen wanneer markten niet goed functioneerden, maar sinds het begin van de jaren tachtig propageert het met ideologisch vuur dat markten superieur zijn en 'per definitie' perfect werken. Daarbij wegen commerciŽle belangen zwaarder dan de zorgen voor milieu, democratie, mensenrechten en sociale rechtvaardigheid. Het IMF opereert als een verlengstuk van de economische en financiŽle belangen van de VS en Wall Street (de VS beschikt binnen het IMF als enig land over een feitelijk vetorecht). Er bestaat niet zoiets als een wereldregering die er toezicht op houdt. Stiglitz merkt terecht op dat een eerlijke verdeling van de vruchten over alle landen alleen kan als alle landen inspraak krijgen in het beleid waarvan ze de gevolgen ondervinden.

Het doel van het IMF was oorspronkelijk het beschermen van een soort mondiale stabiliteit en ten strijden tegen economische depressies. Maar intussen heeft ze haar werkterrein uitgebreid naar privatisering, arbeidsmarkten, pensioenhervorming en ontwikkelingsstrategie. Ze beweert nooit eenzijdig voorwaarden op te leggen maar de realiteit is dat ze meestal de economische en financiŽle politiek in probleemlanden dicteert en dat die landen niets anders kunnen dan buigen. De reden is eenvoudig. Een publieke afkeuring door het IMF van een (onwillig) land is een vreselijk negatief signaal aan de markten waardoor het probleemland nog dieper dreigt weg te zinken. "Nog erger voor sommige van de armste landen, die al helemaal weinig toegang hebben tot particulier kapitaal, is dat andere donors (de Wereldbank, de Europese Unie en andere landen) de toegang tot hun fondsen afhankelijk maken van de goedkeuring door het IMF." Het gevolg is dat landen, vaak tegen beter weten in, IMF-maatregelen nemen die in heel wat gevallen verwoestend zijn voor het betrokken land en zijn inwoners. Intussen blijft het IMF vasthouden aan het marktfundamentalisme gebaseerd op een restrictief begrotingsbeleid, snelle privatisering, het opheffen van subsidies en de liberalisering van handels- en kapitaalverkeer.

Stiglitz begrijpt de noodzaak van deze ingrepen voor groei op langere termijn maar wijst op de noodzaak aan ondersteunende maatregelen. Zo kunnen privatiseringen maar met succes doorgaan als er een adequaat systeem bestaat voor regulering en het toezicht op vrije concurrentie (via een mededingingsautoriteit). De reden waarom het IMF zich hier weinig of niet om bekommert is dat privatisering van een ongereguleerd monopolie meer inkomsten voor de overheid kan genereren. Doorgaans zijn het de consumenten die dan het gelag betalen. Zo zorgde de privatisering van de Ivoorse telefoonmaatschappij (door een Frans bedrijf) dat de aansluitingskosten voor internet onbetaalbaar werden voor de lokale bevolking. Het liberaliseren van handelsmarkten is positief voor zover belangrijke potentiŽle handelspartners hetzelfde doen. Zo verlaagde Bolivia zijn handelsbarriŤres en dwong het zijn boeren op vraag van de VS te stoppen met het telen van coca (de grondstof voor cocaÔne). Maar de VS hield haar markt gesloten voor suiker die de Boliviaanse boeren als alternatief produceerden. Hoe perfide de VS het IMF als middel voor eigenbelang gebruikt (misbruikt) blijkt uit beschuldigingen die de Amerikanen, vaak op instigatie van hun belangengroepen, uiten tegen andere landen. Daarop volgt een onderzoek waarbij alleen de VS betrokken is en worden er sancties tegen het land getroffen. Op die manier spelen de VS zowel voor aanklager, rechter als jury. Zelf trekken de VS zich weinig aan van de internationale spelregels zoals bleek uit de plotse heffing van importsubsidies op buitenlands staal (dit is weliswaar een zaak van de WTO, nvdv).

Waar Stiglitz het ergst aan tilt is het IMF-credo voor een snelle liberalisering van de kapitaalmarkten in ontwikkelingslanden. Hiermee vernietigt het alle regels ter beteugeling van de grillige in- en uitgaande geldstromen zoals kortlopende leningen (om snel te profiteren van stijgingen van de wisselkoers). Dergelijk speculatief geld wordt niet gebruikt voor langetermijninvesteringen, het scheppen van banen of bouwen van fabrieken gewoon omdat het op elk ogenblik kan opgeŽist worden door ongeduldige speculanten. Dat dergelijke liberaliseringen van kapitaalmarkten ook serieuze gevolgen kunnen hebben voor de ganse economie en bevolking bleek bij de crisis in AziŽ in 1997 waar ThaÔland, IndonesiŽ, de Filippijnen en Zuid-Korea onder te lijden hadden. "Ik geloof dat liberalisering van het kapitaalverkeer de belangrijkste afzonderlijke factor was die tot de crisis leidde", aldus Stiglitz. En het IMF draagt daar schuld toe. Het trachtte het instorten van de wisselkoersen tot staan te brengen met miljarden dollars. Toen dit niet hielp, beschuldigde het IMF die landen dat ze niet de vereiste hervormingen doorvoerden. Hiermee werd het vertrouwen dat het IMF had moeten tot stand brengen juist verder aangetast en vluchtte het kapitaal nog meer weg. Veelzeggend is ook dat landen die niet ingingen op de eisen van het IMF zoals China en MaleisiŽ er dank zij de greep van de overheid op de banksector beter af waren. De opgelegde liberalisering van kapitaalmarkten is vooral gunstig voor belangengroepen van Wall Street en andere westerse financiŽle instellingen.

Hiermee stelt Stiglitz een essentieel punt van het kapitalisme in vraag, nl. de efficiŽntie van het systeem van de 'onzichtbare hand' van Adam Smith. Uit de praktijk blijkt dat in landen waar informatie onvolledig is en de markten niet goed ontwikkeld zijn (bv. door een systeem van mededingingautoriteiten) de onzichtbare hand heel gebrekkig werkt. Dit is vooral het geval in ontwikkelingslanden. Daar is overheidsinterventie niet alleen nuttig maar in de overgang naar een volledige vrije markt zelfs noodzakelijk. "Het marktsysteem vereist duidelijk gevestigde eigendomsrechten en een juridisch systeem dat op de handhaving daarvan toeziet; maar die ontbreken vaak in ontwikkelingslanden. Het marktsysteem vereist concurrentie en volledige informatie (Ö) goedfunctionerende markten kunnen niet van de ene op de andere dag worden geÔmplementeerd." Stiglitz staat ook sceptisch tegenover het blinde geloof in het 'doorsijpelen' van de economie, het principe dat groei automatisch ook de armen ten goede komt. Groei alleen is geen waarborg voor verbetering van het lot van allen. Net als Amartya Sen benadrukt hij het belang van ondersteunende maatregelen zoals landhervorming, uitbouw van algemeen onderwijs, gezondheidszorgen, werkloosheidsvoorzieningen, enz. Allemaal zaken waar het IMF niet de minste belangstelling voor heeft. Zij willen alleen dat hun voorstellen blind worden uitgevoerd ongeacht de faillissementen, de toenemende werkloosheid en andere sociale gevolgen. In heel wat gevallen eist het IMF zelfs dat het land opnieuw schoolgeld zou vragen voor het onderwijs, kwestie van meer inkomsten voor de overheid te bekomen. Deze visie is kortzichtig want kan alleen leiden tot achterstelling van toekomstige generaties.

Dat het IMF weinig of niets geleerd heeft van de Aziatische crisis bleek uit haar herhaalde fouten in landen als Rusland, BraziliŽ en ArgentiniŽ. Stiglitz geeft in zijn boek een ontluisterend beeld over de wijze van privatisering van Rusland. Het IMF en de VS wilden zo snel mogelijk overgaan tot privatiseringen zonder ondersteunende maatregelen. Zo waren er geen behoorlijk werkende juridische en regulerende kaders om ervoor te zorgen dat contracten worden nageleefd, dat zakelijke geschillen kunnen worden opgelost, dat er goede procedures zijn voor faillissementen, dat de concurrentie in stand wordt gehouden, dat effectenmarkten eerlijk functioneren, enz. Tegelijk had het IMF geen oog voor sociale instituties zoals opvang bij werkloosheid, woonruimte, pensioenen en andere vangnetten. Om de markteconomie van de grond te krijgen werden de meeste prijzen in 1992 van de ene dag op de andere vrijgelaten waardoor een inflatiegolf werd ontketend en spaartegoeden wegspoelden. "De middenklassen zijn geruÔneerd, er is een systeem van vriendjespolitiek en maffiakapitalisme gecreŽerd en het enige wat tot stand is gebracht, een democratie met reŽle vrijheden zoals een vrije pers, lijkt op zijn best kwetsbaar, vooral nu de voorheen onafhankelijke tv-stations een voor een worden gesloten."

Hoe rampzalig dit alles was voor de Russische levensstandaard blijkt uit het feit dat in de periode 1990-1999 de industriŽle productie daalde met 60%. Gepensioneerden ontvingen geen pensioen meer, armen geen bijstand en terwijl de levensverwachting over gans de wereld steeg, daalde ze in Rusland. Volgens Stiglitz waren leningen aan Rusland niet nodig. Het land beschikt over olie en natuurlijke hulpbronnen. Een belasting op de exploitatie zou onmiddellijk inkomsten genereren. Toch bleef het IMF miljarden pompen in Rusland. Gelden die onmiddellijk wegvloeiden naar oligarchen maar tevens dienden als reddingsoperatie voor westerse banken die dreigden miljarden dollars te verliezen (Stiglitz spreekt over het IMF zelfs van 'het incasso-bureau voor de kredietverleners van de G7). China luisterde niet naar het IMF maar streefde vooral naar stabiliteit door nieuwe ondernemingen op te zetten en aldus banen te scheppen in plaats van de bestaande staatsbedrijven te privatiseren. Het belang van die staatsbedrijven daalde evenwel tot amper 28% van de globale industriŽle productie. Intussen zetten China wel onvoorstelbaar hoge groeicijfers neer en daalde de armoede er aanzienlijk.

Voor Stiglitz is het probleem niet de globalisering op zich maar wel de manier waarop ze door de internationale economische instellingen als IMF, Wereldbank en WTO gestuurd wordt. Hierbij gaan ze uit van de onfeilbaarheid van de markt en de evidente inefficiŽntie van overheidsingrepen. Nochtans spelen overheden een belangrijke rol in het waarborgen van sociale rechtvaardigheid. "Overheden boden onderwijs van hoge kwaliteit voor allen en voorzagen in het grootste deel van de infrastructuur - inclusief de institutionele infrastructuur, zoals het rechtssysteem dat vereist is voor een effectieve werking van de markten. Ze reguleerden de financiŽle sector, om te zorgen dat kapitaalmarkten meer werkten zoals ze behoren te werken. Ze boden een vangnet voor de armen. Ze stimuleerden de technologie, van telecommunicatie en landbouw tot straalmotoren en radar." Zelfs Adam Smith was zich bewust van de beperking van markten en dan vooral van de dreiging die uitgaat van onvolledige concurrentie. En omgekeerd erkende Keynes de waarde van de markt maar zag de overheid als een corrigerende factor. "Hoe efficiŽnt markten ook kunnen zijn, ze kunnen niet garanderen dat ieder mens voldoende voedsel en kleding en een dak boven het hoofd heeft." Zo propageert Stiglitz een nieuw partnerschap tussen markten en overheden.

Globalisering is een feit en we kunnen dit niet terugdraaien (het is ook niet wenselijk). Maar om de globalisering beter te laten draaien zijn mondiale publieke instellingen nodig om te helpen de regels vast te leggen. Hiermee zit Stiglitz op dezelfde lijn als Benjamin Barber en George Soros. "Globalisering heeft de onderlinge afhakelijkheid van mensen in de wereld vergroot en daardoor bijgedragen tot de noodzaak van mondiaal politiek optreden en het belang van mondiale publieke goederen". Alleen zien de internationale instellingen dat anders. Alhoewel de maatregelen van het IMF ingrijpt op het leven van miljarden mensen hebben die niets in te brengen over dat optreden. Daarom pleit Stiglitz voor een verandering in de stemverhoudingen binnen IMF, Wereldbank en WTO (wat niet eenvoudig zal zijn gezien de huidige dominante positie van de VS die deze instellingen nog teveel ziet als instrumenten voor hun economische politiek). Er ontbreekt duidelijk transparantie en democratische besluit-vorming. Daarnaast moet het IMF zich opnieuw beperken tot zijn kerntaak, nl. crisisbeheersing. En het zou moeten gedwongen worden "zijn verwachtingen ten aanzien van effecten van zijn programma's op armoede en werkloosheid openbaar te maken."

Het feit dat er in Moskou nu files van Mercedessen staan en dat men er in winkels de tassen van Gucci kan kopen, betekent nog niet dat Rusland een markteconomie is. "Ontwikkeling gaat om transformatie van de samenleving, verbetering van het lot van de armen, iedereen een kans bieden op succes en toegang verschaffen tot gezondheidszorg en onderwijs", aldus Stiglitz. Dit boek en zijn denkbeelden zullen mijn inziens evenveel (zoniet meer) impact hebben op het globaliseringsdebat als de massale protestbetogingen naar aanleiding van internationale topbijeenkomsten om de eenvoudige reden dat hij zich niet kant tegen de globalisering op zich maar wel tegen de instellingen die ervoor zorgen dat vooral de rijke landen er beter van worden. Wie in de komende maanden en jaren wil meepraten in de 'globaliseringsdiscussie' is het aan zichzelf verplicht dit boek te lezen.


Recensie: Dirk Verhofstadt (verhofstadt.dirk@pandora.be)

Joseph Stiglitz, Perverse Globalisering, Het Spectrum, 2002.

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be