Eerlijke globalisering

boek vrijdag 15 december 2006

Joseph Stiglitz

Making Globalization Work is de oorspronkelijke titel van het jongste boek van Joseph Stiglitz, na zijn bestseller Perverse globalisering waarin hij felle kritiek uitte op financiële instellingen als het IMF, die in zijn ogen de economie van de ontwikkelingslanden geschaad hebben. In tegenstelling tot wat sommigen willen doen uitschijnen, gelooft Stiglitz in globalisering; alleen, je kunt ze niet laten werken zonder een (internationaal) kader en eerlijke spelregels. Eerlijke globalisering dus.

Even back to basics: Adam Smith leert ons dat marktwerking en het nastreven van eigenbelang als door een onzichtbare hand geleid tot economische efficiëntie leiden. De onzichtbare hand van Smith is inderdaad onzichtbaar, zegt Stiglitz. Want van zodra er sprake is van asymmetrische informatie, met andere woorden sommige mensen meer weten dan andere, en dat is altijd het geval, is de onzichtbare hand er niet meer (Stiglitz kreeg de Nobelprijs in 2001 voor zijn theoretische werk over de economie van informatie).

Zonder passende overheidsregulering en overheidsinterventie leiden markten niet tot economische efficiëntie. Maar de internationale regelgeving, voor zover ze er is, is oneerlijk. Ze is opgesteld in het voordeel van de rijke economieën en de besluitvorming is ontransparant en ondemocratisch. Of wat te denken van de landbouwsubsidies van EU en VS, die de inkomens naar beneden halen van de 70% inwoners van ontwikkelingslanden die van landbouw leven, de manier waarop in de Wereld Handelsorganisatie (WTO) onderhandelingen plaatsvinden achter gesloten deuren en het IMF, waar stemrecht van landen wordt bepaald door de economische krachtverhoudingen van 60 jaar geleden; waar de VS als enig land over een feitelijk vetorecht beschikt en een beleid opdringt dat in de eerste plaats de eigen belangen dient.

Wat het boek van Stiglitz zo interessant maakt is dat hij concrete voorstellen tot verandering doet, die een werkbaar kader voor globalisering moeten tot stand brengen, met duidelijke, afdwingbare normen en internationale instellingen die de veranderde verhoudingen in de wereld weerspiegelen. Zo pleit hij voor eenzijdige openstelling van markten in de rijke landen en landen met een middeninkomen voor producten uit armere landen en uit de minst ontwikkelde landen. Dat heeft de EU al in 2001 gedaan, in schril contrast met het hypocriete (sic) VS aanbod tijdens de WTO meeting in Hongkong om dat voor 97% van de producten te doen, met uitsluiting van bijvoorbeeld katoen en confectie, precies wat de minst ontwikkelde landen maken.

Algemene tariefpreferenties worden best vervangen door preferenties onder gelijken, Zeer (te?) verregaand, want algemene tariefpreferenties zijn één van de basisprincipes van de vrijmaking van de wereldhandel. Stiglitz pleit zelfs voor eenzijdige invoerheffingen en subsidies van ontwikkelingslanden aan hun ‘infant industries’. Mijn inziens conflicteert dit met de rest van zijn redenering, want ook in ontwikkelingslanden bestaan belangengroepen en het gevaar dat een rijke elite dergelijke mechanismen voor eigen profijt misbruikt. Opheffing van de zogenaamde tariefescalatie, iets wat hij ook verdedigt, lijkt daartoe een veel probater middel. Bij tariefescalatie stijgen de heffingen met de toegevoegde waarde wat overeenkomt met een heffing op en dus een ontrading van verwerking in het ontwikkelingsland zelf. Hij maakt een overtuigende case voor de onmiddellijke afschaffing van alle katoensubsidies, maar is genuanceerder voor andere landbouwsubsidies waar hij pleit voor een overgangsperiode met in de rijke landen behoud van subsidies aan de kleinere boeren en hulp met het uitgespaarde subsidiegeld aan de stadsbevolkingen in die ontwikkelingslanden die met hogere voedselprijzen te maken krijgen.

Stiglitz pleit ook voor vrijmaking van laaggeschoolde diensten als scheepvaart (ook onze baggeraars lijden trouwens onder de Jones Act die het gebruik van Amerikaanse schepen en Amerikaanse bemanning oplegt voor binnenlands vervoer) en voor meer migratie van laaggeschoolde arbeid: zelfs een bescheiden mate van openheid zou het mondiale BBP veel sterker zou doen stijgen dan de vrijmaking van het kapitaalverkeer. Voor sommige ontwikkelingslanden is de overmaking van een deel van die lonen naar huis één van hun voornaamste bronnen van inkomen. Misschien lezenswaard voor de VDAB die nu blijkbaar obstructie voert tegen de nochtans politiek besliste openstelling van onze arbeidsmarkt voor werknemers uit de nieuwe EU landen in een aantal knelpuntberoepen.

Internationaal toezicht en internationale criteria zijn nodig op het gebruik van beschermende heffingen en technische belemmeringen. Hij wil één criterium voor oneerlijke handelspraktijken (dumping bijvoorbeeld) dat zowel voor het interne als voor het internationale concurrentierecht zou gelden. Nu is dat bewijs veel makkelijker tegen een buitenlandse concurrent. Tot slot pleit hij voor openheid en transparantie in de onderhandelingen zelf en een evenwichtiger agendasetting. Een bijzonder goed en praktisch idee is ook de verhandelbaarheid van handhavingsrechten, waardoor landen die te arm of te klein zijn om rechten verkregen door een internationale uitspraak in hun voordeel tegen een groot land af te dwingen, die rechten kunnen verkopen.

Stiglitz doet ook voorstellen voor een eerlijker internationaal stelsel van intellectueel eigendomsrecht. Hij noemt TRIPS (Trade Related Aspects of Intellectual Property Rights), dat tracht één enkele wereldstandaard inzake intellectuele eigendom tot stand te brengen, een grote vergissing en pleit ervoor om die discussies weg te halen bij WTO en onder te brengen in een hervormde WIPO, de wereldorganisatie voor intellectuele eigendom. Een intellectueel eigendomsregime kan de kenniskloof tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden dichten of vergroten; voor Stiglitz doet het huidige stelsel dat laatste.

Hij wil medicijnen tegen kostprijs voor de ontwikkelingslanden (‘liften die landen dan gewoon gratis mee met de ontwikkelde industrielanden? ... Ja, en zo hoort het’) die anders het recht krijgen dwanglicenties te gebruiken om zelf levensreddende medicijnen te produceren. Hij pleit ook voor een internationaal innovatiefonds dat onderzoekers beloont voor onderzoek naar ziekten als TBC en malaria waardoor generieke producenten dan tegen kostprijs de ontwikkelde medicijnen kunnen leveren. Een beetje zoals de onderzoeksgelden die net werden toegekend aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde, maar dan op wereldschaal.

Bio-piraterij (waarbij traditionele kennis en planten uit de ontwikkelingslanden worden gepatenteerd zonder enige vorm van vergoeding) moet verboden worden en traditionele kennis erkend. Alle landen moeten de internationale overeenkomst op biodiversiteit ondertekenen waarin het recht op compensatie wordt erkend (de VS weigeren dat tot op heden; niet verwonderlijk als je leest dat de helft van de in de afgelopen jaren door de VS toegekende patenten op planten gebaseerd zijn op traditionele kennis).

Stiglitz heeft het ook over ‘de vloek van de bodemschatten’ en legt op heldere en overtuigende wijze uit waarom ontwikkelingslanden die zo rijk zijn aan bodemrijkdommen het zo slecht doen. Dit type rijkdom kweekt slecht bestuur, stelt hij: regeringen komen er aan de macht door de grondstoffen te grijpen en met de opbrengst wapens te kopen waarmee ze het geweld tegen hun bevolking kunnen in stand houden en zichzelf kunnen verrijken. Tussen haakjes, België wordt maar één keer vermeld in dit boek en dat is in het rijtje van landen die fiscale aftrekbaarheid van smeergeld hebben toegelaten. En zelfs zonder corruptie heeft de druk van het IMF om te privatiseren er in het verleden voor gezorgd dat overheden lagere opbrengsten kregen bij verkoop van hun bodemschatten dan de werkelijke waarde. Giet daarover nog een sausje van de ‘Hollandse ziekte’ (de buitenlandse valuta verkregen door de verkoop van grondstoffen worden omgezet in lokale munt, die in waarde stijgt, waardoor andere export duurder wordt, met als gevolg stijgende werkloosheid) en je begrijpt waarom Stiglitz pleit voor stabilisatiefondsen waarin (een deel van) de opbrengst van de grondstoffenverkoop wordt gestopt.

Een veralgemeende wetgeving op openbaarheid van informatie (‘zonlicht is de sterkste desinfectant’) zowel in ontwikkelde als in ontwikkelingslanden zal corruptie en afwending van fondsen tegengaan. De invoering van een ‘groen netto nationaal product’ moet niet alleen de afschrijving op kapitaal maar ook de uitputting van natuurlijke hulpbronnen en de aantasting van het milieu in mindering brengen. Daarnaast pleit hij voor certificering zoals nu gebeurt voor diamant en voor tropisch hardhout in Indonesië en Brazilië, voor een zware belasting op wapenverkopen (wereldwijd hoop ik dan, anders heeft dat geen zin) en zelfs hulpbeperking voor landen die niet de volle waarde voor hun grondstoffen krijgen, onder het motto dat je wie een stuk van zijn inkomsten uitdeelt niet met hulp moet belonen. Hij pleit ook voor een internationaal agentschap dat de milieuschade door grondstofwinning in kaart brengt. De bedrijven die de schade veroorzaken, moeten die ook vergoeden. Net zoals voor algemene handhaving van internationale milieunormen (zie verder) vertrouwt Stiglitz ook hier op het mechanisme van handelssancties voor wie zich er niet aan houdt.

Stiglitz en het milieu.

Je hoeft Stiglitz niet te overtuigen van de hoogdringendheid van één en ander: ‘de planeet redden’ is de titel van dit hoofdstuk. We beleven de hedendaagse versie van de ‘tragedie van de commons’, zo genoemd naar de gemeenschappelijke landerijen waarop de boeren in Engeland en Schotland in de middeleeuwen hun schapen lieten grazen. Het is het verschijnsel waarbij, als een hulpbron vrij door iedereen kan worden gebruikt, niemand nadenkt over de nadelige gevolgen van het eigen gedrag voor anderen. De oplossing is voor de hand liggend: mondiale regels voor gedrag en gebruik dat tot mondiale externe effecten leidt. Het verleden heeft bewezen dat het kan: hij verwijst naar de internationale conventie voor de beperking van de walvisvangst uit 1946 en het Protocol van Montreal van 1987 over de uitfasering van CFK’s eens men ontdekt had dat de ozonlaag erdoor wordt aangetast.

De grootste uitdaging vandaag is de opwarming van de aarde. Als we binnen het kader van het Kyoto protocol blijven, aldus Stiglitz, dan moeten drie zaken veranderen. Ten eerste moet iedereen meedoen, ook de VS die nu goed zijn voor een kwart van de mondiale uitstoot van alle broeikasgassen én de ontwikkelingslanden: die staan nu al voor 40% en in 2025 al voor meer dan de helft van alle broeikasgassen. Maar er moet dan wel een eerlijker systeem komen om de doelstellingen vast te leggen: het huidige referentiepunt voor uitstootvermindering is het voor ontwikkelingslanden onzinnige uitstootniveau van 1990. Daarnaast komt er best ook een combinatie van het emissieniveau per dollar BBP en per hoofd van de bevolking, wat eerlijker is voor de ontwikkelingslanden en de VS - maar ook ons – tot grotere inspanningen dwingt.

Hoe Thaise garnalen de oplossing (kunnen) zijn.

Ten tweede zijn effectieve sancties nodig voor wie niets of te weinig doet. En die oplossing is er zegt Stiglitz: gebruik handelssancties. Het precedent is de zaak van de Thaise garnalen. De VS eisten dat Thailand bij de garnalenvangst schildpadvriendelijke netten zou gebruiken op straffe van het verbod nog garnalen in de VS te verkopen. Ze brachten de zaak voor een WTO panel, en zie, die organisatie vestigde het principe dat het mondiale milieu belangrijk genoeg is om handelssancties te nemen tegen WTO-leden en hun bedrijven die dat in gevaar brengen. Wel, zegt Stiglitz, trek de logica door en je hebt de oplossing voor handhaving onder Kyoto. WTO wil een level playing field, een gelijk speelveld voor iedereen. Onrechtmatige subsidies aan bedrijven leiden tot compenserende heffingen bij invoer in een ander land van aldus geproduceerde goederen. Als de VS hun bedrijven niet verplichten aan CO2-reductie te doen, subsidiëren ze eigenlijk die bedrijven voor het bedrag van de anders te betalen emissierechten: laat andere landen toe een heffing tot beloop van dat bedrag op te leggen en klaar is kees. Hij roept Europa op om de trekker over te halen en dit als eerste tegen de VS te gebruiken.

Ten derde moeten broeikasgassen op de meest efficiënte manier verminderd worden. Waarom niet de ontwikkelingslanden vergoeden voor het instandhouden van hun regenwouden? Bij het huidige tempo van ontbossing zullen in 2012, als Kyoto heronderhandeld wordt, 80% van de Kyoto doelstellingen vernietigd zijn door massale ontbossing (om nog maar te zwijgen van het onherstelbare verlies aan biodiversiteit). Stiglitz vraagt ons dan ook om NU in te spelen op het aanbod van de Regenwoudcoalitie. Dat is een aantal ontwikkelingslanden, dat aanbiedt hun regenwouden en bossen in stand te houden tegen een vergoeding, die meteen ook zou kunnen ingezet worden om illegale houtkap te bestrijden. Op basis van de kost van CO2 emissie van 30 dollar per ton, bedraagt de totale waarde van de negatieve emissie van landen met regenwouden 100 miljard dollar (de totale ontwikkelingshulp slechts 60 miljard dollar). Onder Kyoto wordt alleen nieuwe aanplant beloond, met perverse effecten: als je regenwoud kapt en herbebost, krijg je geld én voor het verkochte hout én voor de nieuwe aanplant.

Naar een alternatief kader: koolstofbelasting.

Tenslotte moeten de efficiëntie van emissiereductie omhoog. Stiglitz (en met hem vele anderen tot en met The Economist van 8 december) pleit voor een eenvormige en veralgemeende belasting op de uitstoot van CO2, een koolstofbelasting dus. Elk land zou de opbrengst van die belasting kunnen houden en gebruiken om andere belastingen (op arbeid, op bedrijven bijvoorbeeld) te verlagen; het algemene economische principe indachtig dat het beter is ‘slechte’ zaken als vervuiling te belasten dan goede als arbeid of sparen). Meteen vermijdt men ook de moeilijke oefening en alle daaraan verbonden discussies over nationale doelniveaus. Maar ook een combinatie van beide is mogelijk.

Stiglitz heeft ook een resem voorstellen om te beletten dat multinationale ondernemingen de globalisering kapen. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) is lovenswaardig, maar volstaat niet en wordt steeds vaker een element van imago manipulatie. Stiglitz pleit voor dan ook voor dwingende regulering. Er moet ook mondiale mededingingswetgeving komen en een mondiale mededingingsautoriteit, net als mondiale corporate governance en mondiale regels tegen corruptie. Hij komt nog even terug op zijn vroegere kritiek op het IMF en natuurlijk wil hij ook een uitgebreidere schuldverlichting voor arme landen, maar hij ziet ook brood in een internationale faillissementswetgeving. Maar eigenlijk is de grote schuldige de internationale monetaire stabiliteit, of liever het gebrek eraan. Om dat op te lossen is een nieuw mondiaal reservestelsel nodig, niet langer gebaseerd op de dollar maar op een nieuw te maken en jaarlijks uit te geven mondiale reservevaluta, ‘wereldgreenbacks’, waarmee hij onder andere de millenniumdoelstellingen wil financieren. Hij eindigt met een aantal institutionele voorstellen, waaronder de wijziging van stemrecht in Wereldbank en IMF, instellingen die hij als voormalig chef-econoom van de Wereldbank zeer goed kent.

Samengevat stelt Stiglitz dat een mondiale economie mondiale wetten en mondiale handhaving vereist, waar ieders belangen aan bod komen. Zowel inhoudelijk als institutioneel doet hij precieze en concrete voorstellen. De vraag is waarom ze niet meer en sneller worden ingevuld. Vlaanderen en België zijn niet het geëigende forum, maar we bepalen wel mee in de EU de agenda van de WTO-onderhandelingen en België is lid van de veiligheidsraad vanaf 2007. Waar blijft ons voorstel voor een wereldwijde koolstofbelasting? Waar is ons aanbod naar de Regenwoudcoalitie?

Tot slot: als het even kan, lees het boek in het Engels. De Nederlandse versie bevat storende vertaalfouten. Zo wordt Adam Smith verkeerdelijk opgevoerd als ‘een 19de-eeuwse econoom’ op blz. 197; level playing field wordt eerlijk speelgeld en WIPO wordt op blz. 129 vertaald als wereldorganisatie voor internationale eigendom in plaats van intellectuele eigendom. Op blz. 101 heeft men het zelfs over ontwikkelingslanden waar men ontwikkelde landen bedoelt. Ook is de juiste juridische term dwanglicentie en niet ‘dwingende licentie’.


Recensie door Fientje Moerman



Fientje Moerman is viceminister-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel

Joseph Stiglitz, Eerlijke globalisering, Het Spectrum, 2006

Links
mailto:fientje.moerman@vlaanderen.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be