God. Een onhoudbare hypothese

boek vrijdag 06 februari 2009

Victor Stenger

Religie staat weer volop in de belangstelling. Regelmatig verschijnen er nieuwe boeken waarin godsgelovigen proberen aan te tonen dat leven zonder God onmogelijk is, dat de samenleving godsdienst nodig heeft om behoorlijk te functioneren en dat ons moreel gedrag noodzakelijk moet steunen op religieuze normen en waarden. Ik denk aan de boeken van John Gray, John Carroll, Alister McGrath en in onze contreien van Herman De Dijn, Ad Verbrugge, Gerard Bodifée en Wouter Beke. Zij worden daarin gesteund door politici van allerlei pluimage. Niet alleen van christenen zoals Peter Balkenende, Piet Hein Donner, Maria van der Hoeven en André Rouvoet, maar ook door socialisten zoals Job Cohen en Steve Stevaert die verklaren dat religie essentieel is voor een harmonieuze samenleving. Tegen die trend in zijn nu ook heel wat ongelovigen in de pen gekropen om aan te tonen dat dit allemaal onzin is en dat we beter vertrekken van de rede als basis voor de moraal. Onder hen de internationaal gekende auteurs zoals Richard Dawkins, Sam Harris en Christopher Hitchens, maar in onze contreien ook Herman Philipse, Paul Cliteur, August Hans den Boef en Etienne Vermeersch. Centraal in hun betoog staat ook de vraag naar het bestaan van god. Als kritische rationalisten hebben ze elk op hun manier die hypothese onderzocht en zijn ze tot een negatief antwoord gekomen. Dat doet nu ook de Amerikaanse filosoof Victor Stenger van wie onlangs het boek God. Een onhoudbare hypothese verscheen.

Stenger is een gerespecteerde emeritus hoogleraar natuur- en scheikunde die al meerdere spraakmakende boeken schreef, maar zich nu heel concreet buigt over de vraag of men de hypothese dat God bestaat op een wetenschappelijke manier kan onderbouwen. Daarbij baseert hij zich op de falsifieerbaarheid zoals uitgewerkt door Karl Popper teneinde ernstige wetenschap te onderscheiden van pseudo-wetenschap. Popper zelf stelde dat ‘filosofische theorieën of metafysische per definitie onweerlegbaar (zijn)’. Maar Stenger verdedigt dat ‘de godshypothese toetsbaar is en dat ze kan worden bevestigd of ontkracht met de beproefde methoden der wetenschap.’ Wél aanvaardt hij met Popper dat wetenschappelijke modellen nooit finaal zeker zijn en derhalve door toekomstige ontwikkelingen veranderd kunnen worden, iets waarmee theologen en zogenaamde godsdienstgeleerden het knap lastig hebben omdat zij juist vertrekken van de onveranderlijkheid van de goddelijke openbaringen. De laatstgenoemden verdedigen daarom in meerdere of mindere mate de stelling dat God de schepper en bewaarder van het heelal en van de mens in het bijzonder is, dat hij de natuurwetten heeft ontworpen en er kan op ingrijpen als hij dat wil, dat hij de mens begiftigd heeft met een eeuwige ziel die losstaat van het lichaam, dat hij de bron van alle moraliteit is en dat hij de waarheden onthuld heeft in ‘heilige’ boeken door ze mee te delen aan uitverkoren individuen.

Nu zijn er tal van logische redeneringen mogelijk om het bestaan van God onmiddellijk op losse schroeven te zetten. Stenger geeft als voorbeeld de ‘almachtparadox’ die de filosoof J.L. Cowan gebruikte in zijn beruchte boek The Paradox of Omnipotence: (1) Een god kan een steen maken die hij niet kan tillen, ofwel kan hij dat niet; (2) Als een god een steen kan maken die hij niet kan tillen dan is hij niet almachtig; (3) Als een god geen steen kan maken die hij niet kan tillen, dan is hij niet almachtig; (4) Een god is niet almachtig. Stenger haalt ook snel de scheppingstheorie en het ‘intelligent design’ onderuit waarin de mens een aparte, superieure positie heeft gekregen van god. Zo wijst hij op de opvallende overeenkomsten van DNA tussen mensen en andere dieren. Creationisten blijven geloven dat het heelal iets meer dan 6000 jaar geleden geschapen werd. De Ierse aartsbisschop James Ussher die in het midden van de zeventiende eeuw aan de hand van het boek Genesis het moment berekende waarop de schepping plaatsvond, kwam uit op zondag 23 oktober 4004 voor Christus om negen uur ’s morgens. Maar die hypothese houdt geen stand Hoe absurd deze stelling is, blijkt uit zowat elk archeologisch onderzoek. Op 24 november 1974 ontdekte de paleo-antropoloog Donald Johanson in Noord Ethiopië ‘Lucy’, het skelet van een vrouwelijke hominide. Haar ouderdom wordt geschat op 3,18 miljoen jaar. Uit allerlei onderzoek met de Hubble-telescoop blijkt intussen dat Ussher er een slordige 4,5 miljard jaar naast zat.

En wat dan met de geldigheid van de ‘heilige’ teksten? Stenger schrijft dat gebrek aan enig bewijs of proefondervindelijke vaststelling aantoont ‘dat belangrijke bijbelse verhalen zoals de Uittocht uit Egypte en de gebeurtenissen rond geboorte en dood van Jezus niet kunnen hebben plaatsgevonden op de schaal en op de manier die in de Bijbel beschreven is.’ Neem bijvoorbeeld de exodus van de 600.000 Joden (exclusief vrouwen en kinderen) uit Egypte. Een dergelijke volksverhuizing zou archeologische sporen moeten hebben nagelaten, bijvoorbeeld in de vorm van kampementen in de Sinai, maar die werden nooit gevonden. Ook van het rijk van David en Salomo heeft men met de meest moderne archeologische technieken niet kunnen terugvinden. En dit terwijl niet-bijbelse zaken, die eeuwen voordien plaatsvonden, wel sporen hebben nagelaten. Ook in oude historische verslagen is er geen woord terug te vinden van de vermeende grote rijken waarover in het Oude Testament met verve wordt gesproken, terwijl dit over andere heersers uit die periode, van zelfs lang voordien, wel bestaat. Daarnaast blijkt dat tal van profetieën die in het Oude Testament staan niet zijn uitgekomen. Ook de vermeende bewijzen van bijvoorbeeld de kruisiging van Jezus, zoals de beruchte Lijkwade van Turijn, bleken achteraf vervalsingen te zijn.

Nog belangrijker is de aanname door heel wat gelovigen dat heel wat van de morele normen die we tot de dag van vandaag hanteren, een goddelijke oorsprong kennen en voor het eerst ‘geopenbaard’ werden in de ‘heilige’ teksten. Maar Stenger toont aan dat al die idealen al in vroegere culturen ontwikkeld werden. Zo was de morele norm ‘doe aan anderen, zoals je zou willen dat zij aan jou doen’ die volgens velen afkomstig is van Jezus’ Bergrede, al veel vroeger neergeschreven door Confucius, Isocrates en in de Mahabharata, een belangrijk filosofisch epos uit India dat mee de hoeksteen vormde voor het hindoeïsme. Daarnaast staan er zowel in de Bijbel als in de Koran ronduit weerzinwekkende voorbeelden van moord, geweld en onderdrukking op bevel van god en verantwoorden ze beide het bestaan van de slavernij.

Stenger wijst erop dat pausen en prelaten van de rooms-katholieke kerk in de negentiende eeuw nog slaven hadden, en dat de kerk de slavernij pas in 1888 veroordeelde, ‘nadat elke christelijke staat deze praktijk had afgeschaft’. De ‘heilige’ teksten bevatten ook tal van misogyne teksten die binnen orthodox religieuze gemeenschappen tot de dag van vandaag leiden tot onderdrukking van meisjes en vrouwen, denk aan de gedwongen huwelijken, de toelating van geweld tegen de vrouw, de verstotingen en de eremoorden. Theologen krijgen ook moeilijk uitgelegd waarom Mattheüs in 10:34-37 het volgende verklaarde: ‘Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen (…) Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard.’ Niet te verwonderen dat in de loop van de geschiedenis zoveel moorden begaan werden in naam van god, die blijkbaar belangrijker is dan mensenlevens.

‘De menselijke moraal en de menselijke waarden (zijn) niet afkomstig van een goddelijk gebod (…) ze ontspruiten aan onze gemeenschappelijke menselijkheid’, schrijft Stenger. Je zou er namens Kant nog kunnen aan toevoegen dat zelfs indien er echte goddelijke geboden bestonden, de mens moreel hoogstaander zou handelen indien hij zich op de rede zou beroepen. Zo mag men geen medemens doden omdat god het ons zou gezegd hebben, maar gewoon omdat we dat als mens verwerpen, willen we niet worden overgeleverd aan de Leviathan en terechtkomen in een oorlog van ieder tegen ieder. De auteur wijst er terecht op dat de moraal een biologische en evolutionaire ontwikkeling kende. Zo zag Darwin scherp het belang van samenwerking en altruïsme in. In elk geval is de opvatting van een ‘een algoede, almachtige en alwetende God’ onhoudbaar. Daarvoor verwijst Stenger naar al het zinloze kwaad en lijden dat mensen door hun medemensen, maar ook door natuurrampen ondergaan hebben. Hoe kunnen we die algoedheid, almachtigheid en alwetendheid aanvaarden als zes miljoen Joden en miljoenen andere onschuldige burgers tijdens de Tweede Wereldoorlog werden geliquideerd? Waarom kwam god toen niet tussen? In het beste geval zou er dan nog enkel een ‘theodicee van de apathie’ kunnen bestaan. In dat geval is god ongevoelig voor elk menselijk lijden en voor het kwaad. Onze problemen interesseren hem gewoonweg niet, maar dat staat haaks op de vermeende rechtvaardigheid van god. ‘Het probleem van het kwaad blijft echter het krachtigste argument tegen een algoede weldadige God’, aldus Stenger.

De gevaarlijkste verbinding blijft intussen die tussen religie en politiek. Waar men regeert in naam van God gaat de mens (en vooral de vrouw) ten onder. Dat is het geval in tal van streng islamitische landen, met de Taliban in Afghanistan als gruwelijk voorbeeld, maar ook in het Westen. Zie bijvoorbeeld de opkomst van het christelijk nationalisme in de VS en hun strijd tegen abortus, tegen de evolutietheorie, en voor een bijbelse wetgeving. De meeste conflicten en oorlogen die we in het verleden en vandaag kennen, hebben religieuze oorzaken of vloeien voort uit de botsing tussen groepen die ervan overtuigd zijn dat alleen zij de juiste en goede godsdienst volgen. Stenger gaat ook in op een laatste argument dat soms gebruikt wordt om god en religie te verantwoorden: zij zorgen voor zingeving. ‘Kunnen we dan geen zin bij onszelf vinden?’, zo vraagt de auteur zich af. En hij heeft het over tal van zaken die ons leven voller kunnen maken. Het leven dat we nu kennen is het enige dat we hebben, het is dus nu dat we er iets van kunnen en moeten maken. Dit houdt in dat we niet onverschillig mogen zijn voor wat er om ons heen gebeurt. De zin van het leven is dat iedere mens iets kan doen voor een betere toekomst voor zichzelf en voor anderen. De zin van het leven is ‘de nooit eindigende taak het lijden te verminderen, vermijdbaar kwaad te bestrijden, misstanden op te ruimen’ zoals Karl Popper ons voorhield.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Victor Stenger, God een onhoudbare hypothese, Veen Magazines, 2008

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be