Stemmen in het Duister

boek

Julian Stryjkowski

Eerst en vooral mag de titel niet tot verwarring leiden . Het gaat niet om Schimmen met een ster van Han Hellemans of over Vergeten stemmen van de Holocaust van Lynn Smith, maar wel over Stemmen in het Duister, een soort Bijbel van het Joodse leven, een paar jaar vóór de Eerste Wereldoorlog in Groot-Galicië van de hand van Julian Stryjkowski (1905-1996), een van de grootste Poolse prozaschrijvers van de twintigste eeuw, die nogal eens wordt vergeleken met Isaac B.Singer. Binnen de literatuur van het katholieke Polen neemt hij als homoseksuele joodse intellectueel een bijzondere plaats in. Om aan de armoede en de geslotenheid van de kleine joodse gemeenschap te ontsnappen, vluchtte hij aanvankelijk in atheďsme, zionisme en later in communisme. Julian Stryjkowski schreef het sterk autobiografische Stemmen in het duister na de Tweede Wereldoorlog uit pure onmacht. Hij wil een monument oprichten voor de wereld van zijn jeugd,die door de oorlog voorgoed was weggevaagd.

Zijn boek is inderdaad een prachtig en ontroerend monument voor een jeugd die door de Shoah is vernietigd. De Poolsjoodse gemeenschap in Oost-Galicië die hij beschrijft komt onder grote druk te staan, ondermeer door het welig tierende antisemitisme van de bevolking en vooral van de Christelijke kerk. Het is echter niet de buitenwereld die voor dreiging zorgt: het zijn de veranderingen in de gemeenschap zelf. Modernistische ideeën over de vrouwenbeweging sijpelen binnen en het socialisme komt op. Op de achtergrond verschijnen, nog half in nevelen gehuld, de ‘Bund’ en het zionisme van de profeet Herzl… De kleine gemeenschap is ontroerend diep geworteld in het prachtig en eenvoudig joodse geloof, met al zijn kommer en kwel. Zij is als een oase in een oerchristelijke woestijn, waarbij, bij het minste foutje van de joden, steeds opnieuw het grimmige spoor opduikt van de pogrom, de razende storm, vol geweld en plundering die de ‘shtetel’ bedreigt, telkens weer.

Het boek weerlegt door zijn beschrijving van de bittere armoede onder deze boeren en ambachtslui, die ondanks hun vele vetes verknocht zijn aan elkaar om te overleven, de mythe van de rijke jood, van de woekeraar en de bedrieger. Het boek wemelt van de vele gevoelige schetsen van volkstypes, die in mijn dorp in 1950 ook nog het straatbeeld bepaalden. De vele kleine narigheden en vetes worden weergegeven in tal van volkse ruzies en dagdagelijkse gesprekken. Wat schitterend had moeten worden is door de Nederlandse vertaling gedeeltelijk verknoeid. Alles wordt herleid tot honderden kleine zinnetjes, die nooit langer zijn dan een halve lijn. Ik zeg er donder op dat de oude joodse boerengemeenschap in een galicisch dorpje honderd jaar geleden dergelijke minizinnetjes niet uitspraken.

De charme en de tover van de Pools-jiddische taal is verdwenen. Voor wie die charme van de joodse gemeenschap uit vervlogen tijden in Oost Europa wel wil ondergaan, raad ik eerder de deeltjes van de Jiddische Bibliotheek aan, uitgegeven bij Vassallucci (NL), waaronder Abraham Sutzkever, Jitschok Leib Peretj en andere joodse literaire grootheden van het interbellum. Alleen wanneer de gebeden aangeheven worden klinkt nog iets authentieks door. Deze zijn dan ook waarschijnlijk rechtstreeks uit het Hebreeuws vertaald.

Gelukkig is ook een vrij volledige verklarende woordenlijst in het boek opgenomen. Alles bij mekaar blijft het boek genietbaar te noemen door het beklijvende beeld dat het schetst van de door de Shoah vernietigde wereld van toen. Voor mij is het het best vergelijkbaar met het fotoboek Un monde disparu van Roman Vishniac met een voorwoord van Elie Wiesel, Ed.du Seuil, 1996. Dat is een hartbrekend maar oogstrelend feest om te lezen. Stryjkowski’s werk is alleen hartbrekend,maar niet oorbalsemend.

Julian Stryjkowski is het pseudoniem van Pesach Stark. Hij werd in 1905 geboren te Stryj, indertijd een Oost-Galicische shtetel, zo’n zeventig kilometer ten zuidoosten van Lwów, de bakermat van vele Poolse culturele en intellectuele grootheden, dat nu Lviv heet en net als Stryj in Oekraďne ligt. Pesach was de jongste zoon uit een talrijk gezin. Zijn vader, die Rosenmann heette (Pesach droeg de naam van zijn moeder), was een ‘melammed’, een onderwijzer, en hield aan huis een joodse dienstschool, een ‘cheider’, waar ook de kleine Pesach onderwezen werd. Thuis werd Jiddisch gesproken, maar van zijn oudere zus, die Poolse les gaf, leerde hij zijn eerste Poolse woordjes. Uiteindelijk mocht Pesach van zijn vader naar een Poolse school en daarna naar het klassieke gymnasium in Stryj.

De auteur van Stemmen in het duister heeft altijd een grote afkeer gehad van het benauwende en armoedige milieu waarin hij is opgegroeid. Dat blijkt ook ten overvloede uit zijn werk. Op jeugdige leeftijd sloot hij zich aan bij de ‘Ha-Sjomeer-beweging’, een soort padvinderij die Galicische joden voorbereidde op een nieuw leven in het toekomstige Palestina. Hier leerde hij Hebreeuws, waarin hij zijn eerste literaire teksten schreef. Om te ontsnappen aan de bedompte sfeer van de gesloten ‘shtetel’ keerde hij zich geestelijk af van de godsdienst van zijn voorvaderen en werd al snel atheďst. Vervolgens omarmde hij het zionisme en later nam hij op kosmopolitische gronden zijn toevlucht tot het communisme. Fysiek verliet Pesach de shtetel Stryj in 1924 en vertrok naar de grote stad Lwów, waar hij Pools ging studeren en in 1932 bij professor Juliusz Kleiner afstudeerde.

Als student sympathiseerde hij met de communistische beweging en in 1934 trad hij officieel toe tot de communistische partij van West Oekraďne. Vanwege dit lidmaatschap belandde hij achter de tralies. Na zijn vrijlating in 1936 verruilde hij Lwów voor Warschau,waar hij als acquisiteur bij een boekhandel ging werken en in zijn vrije tijd zich belastte met de vertaling van Louis-Ferdinand Célines Dood op Krediet, die in 1937 verscheen.

Céline? Van Céline heb ik de cruauté envers soi-męme (onverbiddelijkheid jegens zichzelf) geleerd’, zou Stryjkowski later in een interview zeggen. Deze ‘onverbiddelijkheid’ werd op den duur wat milder, en tegen de tijd dat hij aan Stemmen in het duister begon was deze geëvolueerd tot een ‘onverbloemd vertellen van de waarheid over mens,leven,armoede en lelijkheid.’ Maar iets van een Célineaans noircir et se noircir (zwartmaken en zichzelf zwart maken) heeft de schrijver van Stemmen in het duister behouden. Een van Stryikowski’s lijfspreuken was: “Een jood die communist wordt houdt op jood te zijn.” Toen Céline zijn Poolse vertaler een exemplaar van het extreem antisemitische en anticommunistische Bagatelles pour un massacre toestuurde, voelde Pesach Stark zich niettemin in de eerste plaats beledigd als jood en daarna pas als communist. Hij schreef Céline een woedende brief, waarin hij zweeg over zijn ‘communistische’ verontwaardiging.

De kortstondige onafhankelijkheid die Polen (na 123 jaar niet als natie op de Europese kaart te hebben bestaan) van 1918 tot 1939 mocht genieten had in ieder geval niet tot gevolg dat nu ook het joodse bevolkingsdeel (zo’n drie miljoen zielen) zich ‘vrij’ en ‘veilig’ mocht voelen. Het politieke klimaat, met name veroorzaakt door de extreemrechtse (en uitgesproken antisemitische) ‘Endecja’ – de populaire benaming van een groep nationaal democraten onder aanvoering van aartsconservatief Roman Dmowski – dreef de joden in deze periode nog verder in hun getto’s en maakte het isolement van de joden die buiten de ‘sjtetls’ leefden alleen maar groter. Als een joodse schrijver zich uit zijn afzondering wilde bevrijden of niet langer opgesloten wilde blijven binnen het isolement van het Jiddische schrijversmilieu ,had hij de keuze uit twee mogelijkheden: emigreren of assimileren.

Zij die kozen voor de eerste mogelijkheid konden de Jiddische literatuurtraditie in het buitenland voortzetten, zoals Isaac Bashevis Singer deed; andere verpoolsten hun voor- en achternaam en schreven vanaf het begin in de Poolse taal. Het is overigens opvallend hoezeer van oorsprong joodse schrijvers (Julian Tuwin, Bruno Schulz, Aleksander Wat, Bolestaw Lésmian) vooral in deze periode het gezicht bepaalden van de Poolse literatuur, overigens zonder expliciet over de eigen joodse leefwereld te schrijven. Bovendien waren joodse personages in de Poolse literatuur voor 1939 vaak (geassimileerde) intellectuelen of kooplieden die nogal stereotiep en vanuit een Pools perspectief werden beschreven. Het proletariaat werd overgelaten aan de Jiddische literatuur. Een belangrijk element in het assimilatieproces van de joodse bevolking vormde de opkomende zionistische beweging, die vooral op de jongeren een grote aantrekkingskracht uitoefende.

Zoals gezegd heeft Pesach Stark aan beide ideologieën zijn hart verpand. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog keerde Pesach terug naar Lwów. Na het verdrijven van de Russen door het Duitse leger vluchtte hij voor de nazi’s naar het Oosten. Dank zij de immer in uniform geklede Wanda Wasilewska – rechterhand van Stalin – kreeg hij een baantje bij de Moskouse redactie van het tijdschrift Vrij Polen. Hier begon hij te publiceren onder het pseudoniem Julian Stryjkowski. Stemmen in het duister schreef hij tijdens zijn verblijf in Moskou en wel als directe reactie op de berichten over het neerslaan van de joodse opstand in het getto van Warschau in april 1943. Uit pure onmacht wilde hij een matsewa (een grafsteen) oprichten voor de wereld van zijn jeugd.

De roman kon tien jaar lang niet verschijnen. Het zou niet opportuun geweest zijn zo vlak na de oorlog een werk te publiceren dat op zijn zachtst gezegd geen verheerlijking was van het nog maar net verwoeste leven in de sjtetl. Het boek gaat immers over het verzet tegen een wereld die door de Shoa was vernietigd. Maar een waarschijnlijker reden is dat voor de autoriteiten een roman met een Pools-joods onderwerp onwelkom was,want in de nieuwe communistische orde was natuurlijk geen plaats voor de Pools-joodse kwestie. Later kwam daar nog bij dat Stemmen in het duister volstrekt niet beantwoordde aan de vormeisen van het vanaf 1949 ook in Polen geldende socialistisch realisme. De roman was nog niet helemaal af toen Julian Stryjkowski in 1946 terugkwam naar Polen,waar hij Stemmen in het duister voltooide.

Het sterk autobiografische Stemmen in het duister wordt algemeen beschouwd als het belangrijkste werk van de meest joodse onder de Poolse schrijvers van joodse afkomst die de Shoa hebben overleefd. In deze roman die speelt aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, is het niet de buitenwereld die de grootste bedreiging vormt voor de intieme joodse gemeenschap. Het zijn vooral de innerlijke twijfels ten aanzien van assimilatie en de gemeenschap binnensijpelende modernistische ideeën als vrouwenemancipatie, socialisme en zionisme, en het twisten over goed en kwaad tussen de joden onderling,die de arme maar vreedzame ‘sjtetl’ onder druk zetten en barsten veroorzaken in de samenhorigheid van het gezin van de vijfjarige Aronek. Aronek, door wiens ogen de lezer kennismaakt met het leven in de ‘sjtetl’, is de zoon van ‘de agent van God’, de hardnekkig orthodoxe en vrome Melammed Tojwje en zijn eeuwig ontevreden maar pragmatische moeder Elke, die naast een heldere blik op de wereld een kraam met stoffen op de markt heeft.

Ook heeft Aronek een zus, Chamarjem die zich tot groot verdriet van haar vader Maria (sic!) laat noemen. Zij is in een naburig stadje onderwijzeres op een christelijke school en doet moeite om haar jongste broertje van de Cheider te halen en op een Poolse school te plaatsen. Als Maria er tot overmaat van ramp met een ‘goj’ vandoor gaat, is zij in de ogen van haar moeder ‘erger dan de dood’. Aroneks oudere broer ,Modeke,bestudeert aanvankelijk nog wel ijverig de Thora, maar uiteindelijk wil hij - om niet als zijn geestelijke vader te ontsnappen aan de benauwing van het leven in de ‘sjtetl’ - via Hongarije naar Palestina om zo daadwerkelijk bij te dragen aan de realisering van de joodse droom. Volgens de vertaler, Karol Leman, wordt in Stemmen in het duister een merkwaardig soort Pools gesproken. ‘Het lijkt wel of de auteur het in de “sjtetl” gesproken Jiddisch woordelijk omzette in geheel eigen Pools. Hierdoor ontstonden allerlei weliswaar heldere en vanzelfsprekende, maar in het Pools niet-bestaande uitdrukkingen’.

Bovendien psychologiseert Stryjkowski niet in zijn romans, naar eigen zeggen onder invloed van de gedurende zijn verblijf in Moskou frequente bezoeken aan het MCHAT-theater. Julian Stryjkowski gaf zijn lidmaatschap van de communistische partij terug in 1966, als protest tegen het uit de partij zetten van de filosoof Leszek Kolakowski. Zijn werk wordt verder getypeerd door een typisch ‘joodse angst’, een symptoom van de eeuwigdurende bedreiging die het joodse volk achtervolgt. Deze angst typeert ook Stemmen in het duister. Soms wordt Stryjkowski vergeleken met Isaac B. Singer, die je met enige welwillendheid ‘de Julian Stryjkowski die naar Amerika emigreerde, zou kunnen noemen.’

Al blijven er naast overeenkomsten, zoals een toegankelijke verteltrant, humor en hartveroverende uiteenzettingen van joodse wijsheid, duidelijk verschillen. Stryjkowski schreef in het Pools, Singer in het Jiddisch. Bij Singer krijgt het leven van de Poolse joden een bijna mythische dimensie, terwijl Stryjkowski een meer realistisch, bijna onverbloemd beeld van deze door de Shoa weggevaagde levens schetst. Stryjkowski wilde ook niet dat zijn proza een smakelijk recept werd van ‘gefilte fisj’, gevulde karper in zoete saus. Mocht ik U zijn lezer, ik zou starten bij de wonderlijke verteller Singer en pas nadien het wat rauwe proza van Stryjkowski mondjesmaat beginnen lezen.


Recensie door Yves Van de Steen


Julian Stryjkowski, Stemmen in het Duister, De Geus, Breda, 2006, 415 blz.

Links
mailto:egbert@liberales.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be