Lof van het conservatisme

boek

Bart Jan Spruyt

Bart Jan Spruyt is historicus en directeur van de Edmund Burke-stichting, een conservatieve denktank in Nederland. Vanuit die achtergrond schreef hij een boek over het conservatisme. Het is een poging om het conservatieve gedachtegoed te omschrijven én te promoten. Noch het eerste nog de tweede doelstelling zijn echt bereikt.

Spruyt geeft geen definitie van het conservatisme als beweging. Dat zou hij ook niet kunnen. Hét conservatisme bestaat immers niet, net zomin als hét progressisme. Het zijn attitudes: respectievelijk behouden en vernieuwen. En wie draagt beide niet in zich? Wat de ene generatie conservatieven wilde behouden, kon een volgende niet meer verdedigen. En hoeveel progressieven hebben geen monopolie op de vooruitgang geclaimd, terwijl ze die allen toch weer anders invulden. Over inhoud zeggen de begrippen conservatief en progressief dus niet veel.

Spruyts schets van de geschiedenis van het conservatisme in Nederland bewijst ook dat het niet mogelijk was één conservatieve partij op te richten, omdat er gewoon geen conservatieve consensus was. Een soortgelijke analyse kan je ook maken voor landen als België en Frankrijk. Maar even goed draaide nog maar enkele jaren geleden de progressieve frontvorming in Vlaanderen, met voortrekkers als Maurits Coppieters, Norbert De Batselier en Bert Anciaux op niets uit. Net zoals Stevaerts pogingen vandaag in het water gevallen zijn. Ook aan de zogenaamde 'progressieve zijde' was en is consensus immers afwezig. Die 'progressieve zijde' bestaat eigenlijk helemaal niet.

Spruyt stelt zelfs terecht vast dat het conservatisme zelfs geen ideologie is. Het is eerder een anti-ideologie, want het verzet zich tegen de opvatting dat mens en maatschappij gevat kunnen worden in een consistente theorie. Die houding van ideologische bescheidenheid vind je trouwens ook terug in liberale kringen. De conservatieve attitude - want een ideologie is het dus niet - legt de nadruk op gematigdheid in plaats van radicalisme, hervorming in plaats van revolutie, nuance in plaats van eenzijdigheid, aandacht voor de complexiteit van het leven in plaats van simpele ideologische formules, aanvaarding van het leven zoals het is in plaats van een blind geloof in de maakbaarheid van mens en wereld. Het gaat om een benadering die heel respectabel en wijs is. Ze kan behoeden voor politiek avonturisme en negatie van de werkelijkheid door politieke dagdromers of arrogante betweters. Realisme is inderdaad vaak eerlijker en sympathieker dan een ongerechtvaardigd optimisme dat soms beledigend kan zijn. Maar je hoeft deze houding niet eens conservatief te noemen. In combinatie met een wil tot veranderen wat beter kan, durven dromen en bereid zijn het debat te voeren in klare termen - die dan soms onvermijdelijk vervallen in schematisering en abstrahering - past ze naadloos in wat liberalisme heet.

Spruyt tracht verder aan de hand van een aantal portretten van conservatieve politici en intellectuelen achter het wezen van het conservatisme te komen. De journalist en columnist J.L. Heldring gaat uit van de onvolmaakte mens in een onzekere wereld. Dat zet hem aan tot voorzichtig voortbouwen op wat generaties voor ons moeizaam hebben opgebouwd om deze wereld een beetje leefbaar te maken. Cultuur, waarden en normen gooi je niet zomaar overboord, veranderen is een gewaagde onderneming. Dat weerhoudt hem er niet van, maar moedigt hem precies aan om het menselijk kennen en kunnen voortdurend in vraag te stellen.

De historicus Ernst Kossmann, een grote naam onder de geschiedkundigen in de Lage Landen, is geen conservatief. Wel kwam hij op de proppen met een theorie over het conservatisme. Voor hem ging het om een vorm van constitutionalisme, dat een evenwichtssysteem tussen alle krachten in de samenleving nastreeft. Daartegenover staat voluntarisme, een staatsmacht die met haar wil tot regeren en ingrijpen die evenwichtstoestand niet respecteert. Het complexe maatschappelijke leven dus versus de simplificerende ideoloog. Echt overtuigend vind ik deze theorie niet, want ook constitutionalisme heeft aanvulling door voluntarisme nodig. Tenzij je het kenschetst met het adagium 'doe maar gewoon, dat is al erg genoeg'. Maar dat is niet eens conservatisme, dat komt algauw neer op stagnatie.

Edmund Burke ontbreekt natuurlijk niet op het appel. De grondlegger van de conservatieve 'ideologie' was van nederige Ierse afkomst. Hij begreep de underdogs heel goed en nam het op voor de Amerikaanse opstandelingen, de Ieren en de Indiërs. Hij stond voor emancipatie, rechten en vrijheden, checks en balances, maar niet voor revolutionaire chaos en anarchie. Vandaar zijn banvloeken aan het adres van de Franse Revolutie in zijn Reflections on the Revolution in France, een klassieker waarop vele conservatieven zich beroepen. In een ander hoofdstuk wordt Winston Churchill haast als een moderne Burke opgevoerd.

Alexis de Tocqueville komt ook aan bod in een apart hoofdstuk. Hij waarschuwde voor het totalitarisme, dat hij aan het werk zag tijdens de Franse Revolutie. Zijn familie was van adel en had traumatische ervaringen opgelopen bij de revolutionaire terreur. Toch was de Tocqueville een democraat die vond dat een nieuwe burgerlijke samenleving noodzakelijk was. Maar als de staat zo goed wil zorgen voor zijn 'onderdanen' dat het slaven worden die niet meer in staat zijn hun eigen leven in handen te houden, is er iets grondig mis. De Tocqueville mag dus zeker een liberaal heten. De hedendaagse liberale combinatie van individuele zelfredzaamheid en solidariteit sluit goed aan op zijn antitotalitarisme. Hij had oog voor de nood aan vernieuwing en was dus in zeker opzicht progressief. Ook zijn biografisch en intellectueel portret in dit boek toont ironisch genoeg goed aan dat de auteur zelf het mis heeft door dergelijke figuren te willen inlijven bij een begrip als conservatisme. De Tocqueville legde de vinger op een veel relevanter en nog steeds actueel onderscheid: dat tussen individualisme en collectivisme, tussen liberalisme en socialisme.

Conservatieven beroepen zich vaak op het christendom als pijler van de samenleving en haar normatieve zekerheden. Spruyt wil daarom ook een figuur als de theoloog Dietrich Bonhoeffer en met hem de hele Duitse conservatieve oppositie tegen Hitler rehabiliteren. Bonnhoefer ging niet mee in de beweging van de Deutsche Christen, die het nazisme omarmden. Als lid van de Bekennende Kirche zag hij net een sterke oppositie tussen christendom en de Hitler-staat. Hij werd door het regime gevangen gezet en geëxecuteerd in 1945.

Met die aandacht voor het geloof raakt Spruyt een belangrijk punt aan. Hij wijst er immers op dat het conservatisme gelooft in algemeen geldige waarheden, waarden die absoluut behouden moeten blijven om menselijk samenleven mogelijk te houden. Op basis daarvan zijn conservatieven voorvechters van constitutionalisme, democratie, mensenrechten. Daartoe lijft hij zelfs de filosoof Paul Cliteur, vurig pleitbezorger van het universalisme, bij het conservatisme in. Andermaal begeeft hij zich op een terrein dat even goed liberaal mag heten. Voor een deel beseft hij dat ook wel, want hij stelt zelf dat het conservatisme in Nederland in partijpolitiek opzicht verdeeld is over christen-democraten en liberalen.

Maar er is nog een argument om het universalisme al een bij uitstek liberaal standpunt te beschouwen. Het cultuurrelativisme was vele conservatieven immers helemaal niet vreemd. Spruyt wekt wel de indruk dat conservatieven, vaak met een verwijzing naar het geloof, tegen het cultuurrelativisme reageerden. Maar dan vergeet hij dat conservatieve nationalisten weliswaar binnen de eigen cultuurkring de naleving van één moreel kader eisen, maar dat ze onverschillig staan tegenover wat zich buiten die cultuurkring afspeelt. Voor 1945 claimden de Duitse conservatieven, en zij niet alleen, voor Duitsland een Sonderweg, een bijzondere weg die van Duitsland een uniek land met een unieke cultuur maakten. Zij pasten de idee ook toe op andere volkeren die ze een eigen volksgeist toedichten. In de Sonderweg-idee zat zowel een particulier al universeel motief: het 'aparte' Duitsland was toch, of juist omdat het zo bijzonder was, geroepen om het bonte Europa onder zijn adelaarsvleugels te verenigen. Dat is nu de paradox van een auteur als Spruyt: in zijn poging om een anti-ideologisch conservatisme, dat niet wil simplifiëren, te omschrijven, vervalt hij zelf in een schematische duiding van dit fenomeen. Ook de geschiedenis van het conservatisme is veel complexer dan zijn boek laat vermoeden. Nog een voorbeeld: de Engelse conservatieven bewonderden Mussolini 'omdat hij de treinen weer op tijd liet rijden', met andere woorden omdat staatslieden zoals hij en Hitler voor orde zorgden. In hun ogen was een sterke leider wat Italië en Duitsland blijkbaar nodig hadden. Churchill was aanvankelijk net dezelfde mening toegedaan. Conservatief pragmatisme kan er namelijk net zo goed toe verleiden ook het leven onder een dictatuur te aanvaarden zoals het is. Het verzet tegen eenvormigheid kan een variatie in staatsvormen heel redelijk doen schijnen. Zoals een streven naar de status-quo de Duitse conservatieven, inclusief de latere verzetsheld von Stauffenberg, ertoe aanzette al voor 1933 de revolutionair Hitler uit te spelen tegen de rode revolutionairen. Of zoals een bezorgdheid voor de Amerikaanse conservatief Reagan de junta's in Zuid-Amerika deed ondersteunen. Waar sta je dan met je values, met je christelijke naastenliefde, met je universele normen en waarden? Het punt is namelijk dat het hier niet zomaar ging om misstappen van individuele politici in individuele gevallen. Het gaat erom dat in een conservatisme dat willens nillens verhard is tot een ideologie even goed motieven sluimeren die tot dergelijke politiek kunnen aanzetten. Maar even goed hebben de zogenaamde progressieven vaak foute keuzes gemaakt: voor Stalin, Castro, voor terroristen als de Rote Armee Fraktion, noem maar op. Het punt is opnieuw dat conservatisme en progressisme zo weinig zeggen, je kan er alle kanten mee op. Als liberaal daarentegen weet ik heel goed waarvoor ik wel en niet moet kiezen, ook al stelt het complexe leven ons allen vaak voor veel twijfel, moeilijke beslissingen en vergissingen.

Maar een ander aspect van die conservatieve universaliteitsthese is de vraag of je het christelijk of een ander geloof nodig hebt als moreel fundament. De Duits-Amerikaanse filosoof Leo Strauss en de Engelse literatuurhistoricus Lewis, die ook een hoofdstuk kregen in het boek, geloofden van wel. Maar als je individuele mensen, van wie niemand de waarheid in pacht heeft, vreedzaam met elkaar wil laten samenleven heb je net een formele moraal nodig. Dat is een moraal die zo weinig mogelijk zegt over zin en onzin van het leven, maar enkele fundamentele regels voor het leven in wederzijds respect overal en voor allen geldig maakt. Een seculiere moraal noemt de Nederlandse rechtsfilosoof Paul Cliteur dat. Of hij zichzelf conservatief wil noemen weet ik niet, maar voor mij is hij in de eerste plaats een liberaal. Met hun verdediging van het geloof als onontbeerlijke hoeksteen van de samenleving verraden de christelijke apologeten bovendien vooral een wil om te geloven in iets wat je nodig hebt. De schijnbare behoefte aan religie gebruiken ze uiteindelijk als bewijs van de waarheid ervan. Maar zo werkt dat toch niet. Spruyt overtuigt in zijn sympathiserende beschrijving van met name Lewis en zijn ideeën over religie dan ook geenszins.

Tot wat voor verkeerde gevolgtrekking zo een verkeerde redenering kan leiden, bewijst hij met zijn aanroeping van de natuurwet. De meerderheid heeft volgens hem niet altijd gelijk, zij kan in tegenspraak zijn met de natuurwet. Hij heeft het dan over de tirannie van de meerderheid. Akkoord, als een meerderheid een apartheidsregime zou verkiezen is dat daarom nog niet legitiem. Maar waar leg je de grens? Bijvoorbeeld inzake euthanasie, abortus, homo-emancipatie vechten conservatieven, vooral vurige gelovigen, bij ons en zeker in de VS de liberale wetgeving daarover aan. Of als vrije scholen in het gareel moeten lopen in ruil voor overheidsgeld heet dat ook verdrukking van een minderheid. Spruyts dédain voor de meerderheid uit zich ook in zijn beoordeling van de kiezers van Pim Fortuyn als verwende kinderen. Aan de echte problemen achter Fortuyns succes raakt hij nauwelijks.

Een belangrijk onderscheid tussen conservatieven en liberalen wordt ook zichtbaar in verband met de beoordeling van de sociale zekerheid. Terwijl volgens de auteur liberalen vooral financiële en juridische bezwaren hebben, veroordelen de conservatieven de volledig van overheidswege georganiseerde sociale zekerheid vanuit principiële en morele gronden. Het ontneemt mensen hun waardigheid als ze moeten bewijzen dat ze ziek of oud genoeg zijn om een uitkering te krijgen. In vroeger tijden verliep dat volgens een vrijwillige solidariteit. Om de waardigheid van de mensen te herstellen en blijkbaar ook het beroep op solidariteit te verminderen beveelt Spruyt het 'compassionate conservatism' aan. Deze redenering raakt kant noch wal. Als je het over vernedering hebt, dan juist de neerbuigende 'goede wil' van de beter gesitueerden ten aanzien van mensen die pech hebben in hun leven. In een officiële vorm van sociale zekerheid kan je duidelijk voorwaarden stellen die voor iedereen gelijkelijk gelden. Voor bepaalde diensten en of extra verzekering bouw je rechten op via bijdragen, minimumvoorzieningen zijn er voor allen. In het 'compassionate conservatism' is er helemaal geen rechtszekerheid en gelijkheid, alleen het gezag van bepaaldde mensen met middelen om deze naar eigen goeddunken al of niet aan te wenden ter ondersteuning van de 'sukkelaars'. Liberalen zullen altijd pleiten voor zoveel mogelijk zelfredzaamheid, inclusief het geven van de mogelijkheden daartoe van jongs af aan, en zij zullen ook een transparant en gezond financieel beheer van de sociale zekerheid eisen. Maar in naam van de gelijkheid en de solidariteit kunnen ze volgens mij een openbaar gestuurde en (deels) door de overheid georganiseerde sociale verzekering niet afwijzen.

In verband met het multiculturalisme staat Spruyt toch niet helemaal het idee van individueel burgerschap voor. Hij tracht aan te tonen dat het fundament van het hedendaagse Nederland de begin 20ste eeuw geïnstitutionaliseerde verzuiling is. Er werd ruimte gecrëerd voor bijvoorbeeld scholen 'met de bijbel', maar de verschillende levensbeschouwelijke groepen aanvaarden tegelijk de Nederlandse staat als overkoepeling van alle Nederlanders. De vergelijking met België dringt zich op. Ook hier aanvaarden gelovigen en vrijzinnigen de staat als neutrale instantie, die toch ruimte gaf aan de verschillende levensbeschouwingen. Dat gebeurde ondermeer in belangrijke mate door de overheidsfinanciering van vrije, meestal katholieke scholen. Is een islamzuil op z'n Nederlands dan echt wat Spruyt wil? Dat is onduidelijk, maar wel staat hij voor een algemene publieke moraal. Liberalen zullen hier toch duidelijker pleiten voor de ontzuiling en het door en met elkaar leven van individuele burgers, die zich uiteraard vrijelijk kunnen ontplooien op het zogenaamde middenveld (dat is nog geen verzuiling) én die een algemeen burgerschapsethos onderschrijven.

Spruyts boek is een verdienstelijke poging om rond het conservatisme voor wat opheldering te zorgen, maar echt overtuigen doet het niet. Hij slaagt er niet in een conservatieve beweging duidelijk af te lijnen en hij laat teveel facetten van het begrip onbelicht.


Recensie door Olivier Boehme


Jan Spruyt, Lof van het conservatisme, Uitgeverij Balans, 2003, 238 blz.

Links
mailto:olivier.boehme@belgacom.net
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be