Lof van het conservatisme

boek vrijdag 27 juni 2003

Bart Jan Spruyt

De katholieke politicus Nolens zei in 1917 dat de gemiddelde Nederlander "liever van diefstal of brandstichting beschuldigd wordt dan van het feit dat hij conservatief zou zijn". Dat is vreemd. Aan de andere zijde van het kanaal vinden we een "Conservative Party" die zich voor een beroep op conservatieve beginselen niet lijkt te schamen. Ook in de Verenigde Staten kent men weinig schroomvalligheid. Toen een journalist het werk van Irving Kristol als "neoconservative" typeerde werd het etiket door Kristol als een geuzenaam opgepakt. Daarmee was het neoconservatisme geboren, een van de belangrijkste ideologische stromingen in Amerika, een bron van inspiratie voor zowel Ronald Reagan als George W. Bush. In Nederland echter wil conservatisme maar niet van de grond komen. Althans nog niet.

Volgens Bart Jan Spruyt, directeur van de Edmund Burke Stichting, een in Den Haag gevestigde denktank voor conservatisme, is het oude vooroordeel de laatste jaren doorbroken. Conservatief wordt niet langer gelijk gesteld met een reactionaire mentaliteit. Inmiddels is ook duidelijk geworden dat hedendaagse conservatieven allerminst gehecht zijn aan de uitkomst van een ontwikkeling die sinds de jaren zestig in Nederland haar beslag heeft gekregen.

Ik denk dat Spruyt daarin wel gelijk heeft, maar toch ook weer niet. Men moet twee dingen onderscheiden. Weliswaar is conservatief gedachtegoed populair, maar dat betekent nog niet dat het etiket "conservatisme" (of "conservatief") populair of zelfs minder impopulair is geworden. Anders gezegd: de conservatieve traditie wordt flink geplunderd, maar zonder dat daarvoor de auteursrechten worden betaald. Allerlei sociaal-democratische intellectuelen bijvoorbeeld nemen vrijelijk (neo)conservatief gedachtegoed over, maar men blijft zichzelf keurig netjes binnen de links-liberale traditie plaatsen. De PvdA schuift gewoon een tikje op naar rechts, maar het blijft "PvdA" - althans in de eigen beeldvorming.

Wat er ook zij van een verandering van de bordjes (conservatisme als etiket), veel belangrijker is natuurlijk of meer draagvlak ontstaat voor conservatief gedachtegoed. En dat is zeker het geval. Aan die herwaardering probeert Spruyt natuurlijk ook een bijdrage te leveren. Hij doet dat met een serie goed geschreven portretten van conservatieve denkers als Burke, Churchill, Tocqueville, Strauss en anderen. Ook behandelt hij wat over conservatisme geschreven is door Nederlandse historici als Boogman, Von der Dunk en Kossmann.

De titel Lof van het conservatisme verwijst naar een opstel van J.L. Heldring en dat is niet voor niets want de NRC-commentator lijkt ook een belangrijke rol te spelen in het conservatisme van Spruyt. Dat komt de duidelijkheid niet te goede, want Helding heeft over het conservatisme verwarde opvattingen. Laat ik op zijn ideeŽn over conservatisme iets dieper ingaan.

Heldring belijdt een conservatisme als "houding". Zijn conservatisme is geen ideologie of een systeem. Van zijn conservatisme werd Heldring zich pas bewust toen hij al de zestig naderde. Zijn conservatisme hangt ook samen met zijn religieuze vrijzinnigheid. Na zijn 25ste heeft het christelijk geloof bij Heldring plaatsgemaakt voor wat hij noemt een "mild agnosticisme" (Wat "mild" is aan agnosticisme blijft overigens onduidelijk). Hij keerde zich tegen het "activistische christendom" dat niet "overweg kan" met noties als het menselijke tekort. Voor conservatisme daarentegen is een pessimistisch mensbeeld kenmerkend. Toen Heldring werd gevraagd een artikel te schrijven voor Liberaal Reveil, het orgaan van de Teldersstichting, waarin hem uitleg werd gevraagd over zijn redenen waarom hij liberaal was ontdekte hij, maar eigen zeggen, dat hij zich meer aangetrokken voelde tot het conservatisme. De liberaal staat immers in de Verlichtingstraditie en die gaat uit van de goedheid van de mens, denkt Heldring. "En dat geloofde ik dus al lang niet meer."

Het moge zo zijn, maar is het juist om aan de verlichtingstraditie toe te dichten dat ze uitgaat van de goedheid van de mens? Voltaire deed dat niet. Hume ook niet. Men vindt het bij Rousseau, maar dat was een kriticus van de Verlichting.

Heldring meende ook - met de Poolse filosoof Kolakowski - dat het christendom "deel is van onze gemeenschappelijke erfenis, en volledig niet-christen te zijn zou betekenen dat wij ons buiten die cultuur sloten".

Ik denk dat Spruyt een goed beeld geeft van het denken van Heldring, maar juist daaruit blijkt dat het moeilijk is Heldring erg serieus te nemen als theoreticus over filosofische en wereldbeschouwelijke kwesties. Neem dat met instemming aangehaalde citaat van Kolakowski. Het gedachtegoed van de Germanen is ook een deel van onze erfenis, evenals dat van de Romeinen of de Grieken of de moslims of de humanisten. Maar je gaat toch niet de Germaanse, Romeinse, Griekse, islamitische of humanistische beginselen uitdragen alleen maar omdat het een deel is van onze culturele erfenis? Als je dŠt conservatisme wilt noemen, is het wel een vorm van conservatisme van het meest primitieve soort.

De merkwaardige consequenties van dit soort conservatisme als "houding" blijken ook bij Heldrings opvattingen over de monarchie. Heldring noemt zichzelf "theoretisch een republikein". Wat is dat, denk je dan? Wat mag het verschil zijn tussen een "theoretische republikein" en een "gewone republikein"? Dat blijkt te zijn dat Heldring niet wilde "morrelen" aan de huidige positie van het koningshuis in ons staatsbestel.

Nu kan ik mij voorstellen dat iemand onverschillig staat tegenover het onderwerp. Monarchie of republiek - het interesseert hem gewoon niet. Maar ik kan mij niet voorstellen hoe iemand met enig recht zegt "theoretisch" een bepaald ideaal te omarmen om vervolgens praktisch niet te willen "morrelen" aan een stand van zaken die op gespannen voet staat met dat ideaal. Dan meen je gewoon niet wat je zegt.

Kossmann heeft in een liber amicorum voor Heldring eens beweerd dat Heldring de gedachtevorming over de aard van het conservatisme wezenlijk vooruit geholpen heeft. Met alle respect, maar dat is onzin. Heldring had (en heeft) grote verdiensten op vele terreinen, maar van het conservatisme draagt hij een zeer bescheiden kennis en zijn opmerkingen over het conservatisme zijn bovendien op allerlei punten inconsistent. Wat Heldring wťl gedaan heeft, is enkele noties van een bepaalde vorm van conservatisme (het burkiaanse) populariseren. Geen geringe verdienste overigens.

Een andere theoreticus van het conservatisme van de oudere generatie die door Spruyt nogal instemmend wordt aangehaald, is de jurist Huib Drion, tegenwoordig het meest bekend van de (nog) niet bestaande pil. Drion publiceerde in 1963 een artikel onder de titel "Het conservatieve hart". Volgens Drion staat het conservatieve hart tegenover de progressieve ratio.

Conservatisme als een zaak van het "hart" en progressivisme als iets dat met de "ratio" te maken heeft? Zou je dat niet net zo goed om kunnen draaien, zullen de meesten geneigd zijn te denken? Progressief of links, dat ben je met je hart. Conservatief, rechts, dat ben je met je hoofd.

Ook een andere typering van het conservatisme door Drion brengt ons weinig verder. "Tenslotte is het conservatisme in de eerste plaats de instinctieve, diep menselijke, afkeer van veranderingen, om wat deze impliceren aan ontrouw, verraad tegenover de eigen emoties van nu."

Laten we eerlijk zijn: dit is adacadabra. Spruyt had wat mij betreft iets kritischer mogen zijn over het "conservatisme" van deze heren van de oudere generatie. Een ander verschil van inzicht met hem betreft de rol van de religie. Sommigen theoretici doen voorkomen alsof een onderdeel van het conservatisme is dat het zich positief verhoudt tegenover religie. Ook bij Spruyt kan men die neiging onderkennen, al is hij niet helemaal duidelijk op dit punt. In ieder geval verheft hij enkele religieuze denkers in het conservatieve pantheon die in geen enkel handboek van het conservatisme tot de traditie worden gerekend. Dat is bijvoorbeeld het geval met de literatuurwetenschapper en christelijk apologeet C.S. Lewis of met de theoloog Dietrich Bonhoeffer. Voortreffelijke schrijvers overigens, vooral Lewis, maar bepaald geen conservatieven. Het zijn volgens mij gewoon schrijvers waarmee Spruyt op religieuze gronden sympathiseert.

Het ligt gezien het voorgaande voor de hand dat mijn pleidooi voor beperking van de vrijheid van godsdienst en kritische houding tegenover bekostiging van religieus getint onderwijs uit de staatskas, bij Spruyt niet in goede aarde valt. Ook heeft Spruyt bezwaar tegen wat hij noemt het "fundamentalisme van Cliteur c.s.". Daarmee doelt hij op het gehamer op de seculiere verlichtingswaarden.

Nu moet ik zeggen: I plead guilty. Maar is dat erg? Of, voor ons onderwerp belangrijker, is die oriŽntatie op verlichtingswaarden niet-conservatief? Ik geef toe, het is in ieder geval niet-burkiaans, maar het is zeker niet in strijd met het neoconservatisme en ook in de Britse traditie zijn tal van seculiere conservatieven te onderkennen (zoals Michael Oakeshott of David Hume).

Er is met name in de Verenigde Staten een vorm van neoconservatisme tot ontwikkeling genomen dat zich gemotiveerd weet door de stelling dat we over de jaren zestig heen moeten teruggrijpen op de klassiek liberale grondslagen (of fundamenten) van ons bestel. Een dergelijk soort conservatisme lijkt mij legitiem of sterker nog: verkieslijk. Wat Norman Podhoretz, Irving Kristol, Nathan Glazer of voor de jongere generatie Dinesh D'Souza ("Letters to a young conservative") verenigt is niet een of andere religieuze overtuiging, noch een vage religieuze honger in het algemeen. Het is een kritische houding tegenover de revolutie van de jaren zestig, tegenover politieke correctheid, multiculturalisme en waardenrelativisme. Precies eigenlijk zoals Burke zich twee eeuwen eerder verzette tegen de geest van de Franse Revolutie. Volgens de neoconservatieven zijn het de klassiek liberale uitgangspunten die het beste arrangement verschaffen voor het vreedzaam samenleven van mensen met een verschillende oriŽntatie op geloof, politiek en het goede leven. Die klassiek-liberale fundamenten moeten in ere worden hersteld. Vandaar dat ik liberaal fundamentalisme best als geuzenaam wil oppakken, zoals Irving Kristol niet ineen kromp toen hij als "neoconservative" werd aangeduid.

Het geeft ook aan waarom een conservatief tevens een klassiek liberaal kan zijn. De conservatief wil over de decadentie van de laatste decennia heen teruggrijpen op de grondslagen van een liberale ordening die verloren is gegaan.

Met het liberale fundamentalisme van Cliteur contrasteert Spruyt zijn eigen model dat men wellicht kan typeren als een soort van contractsdenken, ten aanzien van godsdienst met name gefixeerd op een specifiek moment: de onderwijspacificatie van 1917. Hij schrijft daar het volgende over: "Moslims zijn na 1917 ons land binnengekomen. Zij doen nu ook een beroep op de rechten en vrijheden die toen zijn verworven. En zij willen die op hun eigen voorwaarden. Maar dat kan niet. De voorwaarden zijn onze voorwaarden, voorwaarden van toen."

Dit is een cryptische zin. Bedoelt Spruyt dat de christelijke bevoordeling die in 1917 is afgesproken verder niet ter discussie gesteld kan worden? Misschien is het liberaal fundamentalistisch, maar dat lijkt me toch moeilijk te verdedigen. Als we het bijzonder onderwijs willen blijven voortzetten dan kunnen we niet moslims van het systeem uitsluiten. Daarin hebben Abou Jahjah of Cheppih gelijk, vrees ik. Als we geen etnisch-religieuze scheiding in deze maatschappij willen zullen we dus moeten gaan nadenken over het terugdringen van de invloed van de godsdienst in het openbare even. (Een voortreffelijk boek daarover is zojuist gepubliceerd door August Hans Den Boef, Nederland seculier!). En er is niets in de conservatieve traditie dat zich daartegen verzet.

Maar ondanks deze kleine verschillen van inzicht tussen mij en de schrijver vind ik Lof van het conservatisme een heel mooi en ook belangrijk boek. Het is zelfs het beste boek dat over conservatisme in de Nederlandse taal geschreven is. Wat mij betreft nemen we nu met een zwaai afscheid van het getheoretiseer van de oudere generatie conservatisme-schrijvers en hebben de belhamels van de Burke Stichting nu het conservatieve rijk alleen. Maar misschien is dat voor een conservatief een onaanvaarbare breuk met de traditie.

Recensie door Paul Cliteur



Spruyt, Bart Jan, Lof van het conservatisme, Balans, z.p. 2003

Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be