Hitler’s Priests

boek vrijdag 25 juni 2010

Kevin Spicer

De opkomst en het dictatoriaal bewind van Hitler, de implosie van de Duitse parlementaire democratie en de vernietiging van zes miljoen Joden blijven schrijvers, wetenschappers en historici bezig houden. Hoe was het mogelijk dat een vulgaire antisemitische populist als Hitler miljoenen Duitsers kon bewegen om zijn radicale standpunten tot uitvoering te brengen? Eén van de redenen was ongetwijfeld de dubbelzinnige houding van de kerken, in het bijzonder van de Rooms Katholieke Kerk, ten opzichte van het nationaal socialisme. Al in een vroeg stadium had de Heilige Stoel het dictatoriale regime van de Führer erkend. Op 20 juli 1933 sloot de katholieke Kerk het beruchte concordaat met nazi-Duitsland, juist zoals ze dat op 11 februari 1929 had gedaan met de Italiaanse fascistische leider Mussolini met het Verdrag van Lateranen. De bedoeling van het concordaat met Hitler, was het veilig stellen van de belangen van de Duitse katholieke Kerk. Maar tegelijk betekende het akkoord een belangrijke internationale diplomatieke overwinning voor het nazi-regime. En het had ook een grote impact op de eigen Duitse katholieke bevolking die hiermee het signaal kreeg dat Hitler en de NSDAP voor de hoogste kerkelijke vertegenwoordigers aanvaardbaar waren.

Op 2 juni 1945, een kleine maand na de nederlaag van nazi-Duitsland, stelde Pius XII in een toespraak tot het Heilig College van Kardinalen de katholieke Kerk in Duitsland voor als een instituut dat door de nazi’s werd vervolgd en onderdrukt. Ook tal van Duitse bisschoppen gaven de indruk dat ze zich steeds tegen het regime hadden gekeerd en dat slechts enkele individuele geestelijken hadden samengewerkt met de nazi’s. In zijn boek Hitler’s Priests maakt de Amerikaanse hoogleraar geschiedenis Kevin Spicer brandhout van deze versie. Aan de hand van kerkelijke archieven, persartikels, herderlijke toespraken, dagboeken en andere publicaties beschrijft hij de houding van 138 priesters die concreet meewerkten met de nazi’s en dat al in een vroeg stadium. Volgens de auteur deden ze dat omwille van diverse redenen zoals hun sterke nationalistische overtuiging, hun afkeer voor het communisme en hun geloof dat katholicisme en nationaal socialisme perfect te verenigen waren. Omwille van hun antisemitisme, dat binnen de Kerk zo sterk aanwezig was, omarmden deze priesters ook verschillende aspecten van de raciale ideologie van het nazisme.

Deze ‘bruine’ priesters, zoals Spicer ze noemt, speelden een belangrijke rol in de beginjaren van de nazi-beweging. Tot voor de machtsovername door Hitler eind januari 1933, bleef de Kerk immers officieel gekant tegen de NSDAP. Op 10 februari 1931 verbood kardinaal Michael von Faulhaber van München de katholieken in zijn ambtsgebied om lid te worden van de nazi partij. Een maand later werd dat verbod van kracht over gans Duitsland. En in een aantal bisdommen mochten priesters zelfs geen sacramenten toedienen aan leden van de NSDAP. Dat weerhield de sympathiserende priesters echter niet om via toespraken op partijmeetings, artikels in nazi kranten en zelfs preken in hun parochies hun gelovigen op te roepen om Hitler te steunen. Die laatste maakte trouwens handig gebruik van hen teneinde katholieke kiezers voor zich te winnen. Spicer beschrijft hoe de bisschoppen zich daar officieel van distantieerden, maar tot echte sancties kwam het niet. Vooraanstaande katholieke geestelijken zoals Alban Schachleiter, Philip Haeuser, Franz Sandkuhl, Bernand Stempfle, Christian Huber, Josef Roth, Richard Kleine, Lorenz Pieper, etc. demonstreerden publiekelijk hun sympathie voor de nazi’s, brachten de Hitlergroet of schreven fel antisemitische teksten.

Zo schreef kapelaan Josef Roth artikels in de Völkischer Beobachter, het lijfblad van de nazi’s, waarin hij de Joden een gevaar noemde voor de christelijke beschaving, dat het joodse ras uit het publieke leven moest geëlimineerd worden en dat de strijd tegen de joodse invloed een patriottische plicht was. Kapelaan Lorenz Pieper, werd al NSDAP-lid in 1922, stelde dat Duitsers zich in de geest van Christus moesten beschermen tegen de Joden. Priester Philip Haeuser publiceerde in 1922 een boek waarin hij zich keerde tegen de parlementaire democratie, waarvoor hij felicitaties ontving van de bisschop van Regenburg. Later schreef hij ook dat iedereen die zich keerde tegen Hitler een zonde beging tegen Duitsland en God. Kapelaan en godsdienstleraar Richard Kleine schreef in 1929 dat priesters de brug moesten vormen tussen het Duitse volk en de Kerk. Later zou hij meewerken om van de rassentheorieën van de nazi’s een integraal deel van het katholieke leerplan te maken. Priester Joseph Mayer die moraaltheologie doceerde aan de Katholieke Universiteit van Paderborn verdedigde in 1927 het principe van de sterilisatie van mentaal zieken. Later zou hij in een document van ruim honderd bladzijden met historische uitweidingen, morele argumenten en verwijzingen naar kerkgeleerden euthanasie op geesteszieken goedkeuren. Het is maar een greep uit de vele voorbeelden dat heel wat van die priesters actief hebben meegewerkt aan de opkomst van de nationaal socialistische beweging en van Hitler.

Die medewerking nam nog toe na de machtsovername. Op 29 maart 1933 deelden de Duitse bisschoppen mee dat het lidmaatschap van de NSDAP geen probleem meer vormde voor het bijwonen van de kerkelijke diensten en dat NSDAP-leden zelfs in uniform weer werden toegelaten tot de sacramenten. Diverse Duitse bisschoppen, zoals kardinaal Michael von Faulhaber van München, kardinaal Adolf Bertram van Breslau, aartsbisschop Conrad Gröber van Freiburg en bisschop Wilhelm Berning van Osnabrück, spraken hun steun voor het nieuwe regime uit. Het valt op dat in die periode veel van de ‘bruine’ priesters officieel aansloten bij partij, sommigen zelfs van bij SS. Aartsbisschop Gröber werd in 1933 zelfs sympathiserend lid van de SS, de nazi-organisatie bij uitstek, die meer dan alle andere groeperingen de moord op zes miljoen Joden uitvoerde. Hij betaalde in die hoedanigheid aan de SS maandelijkse contributie. Op 28 juni 1933 verdedigde Gröber opvallend de nieuwe orde en zette zijn geestelijken aan om geen kritiek op het regime te uiten: ‘In het belang van de biechtvaders zelf en de Kerk, zien we ons gedwongen tot het vermanen en beleren om in de preek, catechismus en godsdienstles alsook in de verenigingen en privé-gesprekken, alles te vermijden wat als kritiek op de leidende personen in de staat en de gemeente of op de door hen verdedigde visie op de staatspolitiek zou kunnen worden aangezien.’

De bisschoppen ageerden niet langer tegen het regime, maar sommigen onder hen probeerden de ‘bruine’ priesters die nu nog meer dan vroeger het nazisme en Hitler bejubelden – enkelen zagen in de Führer de nieuwe Messias – binnen het gareel te houden. Paradoxaal bleek het concordaat daarbij juist nuttig want geestelijken mochten zich niet langer inlaten met politiek. Hitler hanteerde dit evenwel met veel opportunisme. Zo bleef hij de invloedrijke abt Alban Schachleiter uitnodigen op de partijdagen in Neurenberg en de Völkischer Beobachter publiceerde zijn foto, terwijl hij de Hitlergroet bracht tussen rijen SA en SS-leden, op de voorpagina. Kardinaal Faulhaber probeerde greep te krijgen op Schachleiter, zonder veel succes evenwel. Spicer laat zelfs verstaan dat het Vaticaan, in de persoon van Pacelli (de latere paus Pius XII) Faulhabers pogingen belemmerde. In naam van de paus gaf Pacelli zelfs aan Schachleiter de toestemming om de mis te vieren. Niet alleen in Duitsland werkten priesters mee aan het nazisme, dat was ook het geval in Oostenrijk. Op 18 maart 1938 verklaarden de Oostenrijkse bisschoppen dat ze het nationaal socialisme verdedigden. Kardinaal Innitzer liet de verklaring overmaken aan gouwleider Fritz Bürckel en voegde er het volgende aan toe: ‘Bijgaande verklaring van de bisschoppen stuur ik u hierbij op. U kunt daaruit opmaken dat wij bisschoppen vrijwillig en zonder dwang onze nationale plicht hebben vervuld. Ik weet dat op deze verklaring een goede samenwerking zal volgen.’ En de kardinaal ondertekende: ‘Met de meeste hoogachting en Heil Hitler!’ Kardinaal Innitzer en alle andere Oostenrijkse bisschoppen, met uitzondering van de bisschop van Linz, riepen de gelovigen op om bij de ‘Volksabstimmung’, het referendum van 10 april 1938, voor de ‘Anschluss’ te kiezen.

Hoe meer het nationaal socialisme verder doordrong in de Duitse samenleving, hoe minder de nazi’s nood hadden aan geestelijke propagandisten en sprekers, aldus de auteur. Dat betekende echter niet dat de ‘bruine’ priesters stopten met hun activiteiten. Met de start van de Tweede Wereldoorlog, zeker vanaf de inval in Rusland, werden er nog meer lid van de partij. De auteur gaat hier niet verder op in maar uit onderzoek blijkt dat de steun van de hogere kerkelijke instanties aan het regime in die periode nog toenam en tot het einde van de oorlog bleef bestaan. In januari 1945, toen de nederlaag voor het nazi-regime onafwendbaar was, de Joden in de concentratiekampen met tienduizenden crepeerden en talloze onschuldige burgers in platgebombardeerde steden in de diepste misère zaten, maande aartsbisschop Lorenz Jäger van Paderborn de katholieken aan om door te vechten tegen ‘het liberalisme en individualisme enerzijds, en het collectivisme anderzijds’. Dit tekent de hardnekkigheid waarmee de Kerk zich tot het laatst bleef vastklampen aan de autoritaire staat, al was die op dat moment letterlijk in puin geschoten. Tekenend was ook het verzoek van kardinaal Adolf Bertram enkele dagen na de zelfmoord van Hitler op 30 april 1945 aan alle parochiepriesters van zijn diocees om een plechtig requiem ter herinnering aan de Führer op te dragen zodat ‘zijn en Hitlers kudde tot de Almachtige konden bidden in overeenstemming met de liturgie, opdat de zoon van de Almachtige, Hitler, opgenomen zou worden in het paradijs’.

Spicer toont ook goed aan dat de katholieke Kerk na de oorlog niet happig was om mee te werken aan het denazificatieprogramma van de geallieerden. Die laatste hoopten dat de Kerk daar zelf voor zou zorgen en liet de uitvoering ervan over aan de bisschoppen. Maar buiten enkele flagrante gevallen, leverde dit bijna niets op. De auteur maakt melding van 17 priesters die voor de rechtbank moesten verschijnen. En zelfs die personen kwamen er bijzonder goed van af. In bijna alle gevallen werden de betrokken priesters gerehabiliteerd en konden later hun werkzaamheden gewoon doorzetten. Richard Kleine bijvoorbeeld mocht les blijven geven en maakte zelfs promotie. Intussen bleef hij zijn antisemitische ideeën verder verkondigen, zelfs nog in een tekst van 1962. Ook andere ‘bruine’ priesters bleven hun nazistische sympathieën behouden en weigerden zich uit te spreken tegen de wandaden van Hitler en de NSDAP. Dit boek, dat zich vooral richt op de lagere clerus tijdens het Derde Rijk, geeft inzicht in een van de donkerste bladzijden van de geschiedenis van de katholieke kerk.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Spicer Kevin, Hitler’s Priests, Northern Illinois University Press, 2008

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be