Op hetzelfde moment

boek vrijdag 19 oktober 2007

Susan Sontag

‘Wereldliteratuur is antinationalistisch, ze gaat over de grenzen heen. Ze gaat over de wereld, waarin wij leven. Dat ik een bekend schrijfster ben, daarvan maak ik soms dankbaar gebruik om mijn morele standpunten publiek te maken.’ Het is een fragment uit de toespraak van de Joods-Amerikaanse schrijfster en activiste Susan Sontag bij de aanvaarding van de Vredesprijs van de Duitse boekhandel voor haar inzet voor het vrije woord in 2003. Een jaar later overleed ze. Sontag was een van de meest vooraanstaande intellectuelen van de Verenigde Staten. Ze schreef zeventien boeken, die werden vertaald in 32 talen. In 2000 kreeg ze de prestigieuze Amerikaanse National Book Award voor haar werk In America en in 2001 de Jerusalemprijs. De politiek zeer geëngageerde Sontag gold als het morele geweten van de VS. Na de aanslagen van 11 september 2001 uitte ze felle kritiek op de rol van de Verenigde Staten in de wereld. Onlangs verscheen postuum een eerste deel van haar nagelaten werk onder de titel Op hetzelfde moment. Het bevat een reeks essays geschreven tussen 2001 en 2004 over haar favoriete onderwerpen zoals de fotografie, het belang van de literatuur, Russische schrijvers en de waanzin van de oorlog tegen de terreur die Bush na de aanslagen van 11 september begon.

Het eerste deel bevat een reeks portretten van bij het grote publiek minder bekende schrijvers als Leonid Zypkin, Anna Banti, Haldor Laxness en Victor Serge. Huldeblijken aan mensen die elk op zich een bijzonder leven hebben geleid en die dat tot uitdrukking brachten in hun literatuur. Tsypkin schreef het boek Zomer in Baden-Baden, een van de meest verheven werken van de eeuw, aldus Sontag. Niet alleen de inhoud is zo bijzonder maar ook de manier waarop het tot stand kwam. In de sfeer van antisemitisme in de Sovjet-Unie en na opeenvolgende weigeringen van de staat om hem te laten emigreren, schreef Tsypkin zonder de hoop dat zijn werk ooit gepubliceerd zou worden. Uiteindelijk gebeurde dat toch dank zij iemand die wèl het land mocht verlaten. Zeven dagen na de publicatie stierf de auteur. Het verhaal van Victor Serge is nog meer bijzonder. Oorspronkelijk een bolsjevist, nadien troskist, dan anarchist. Tijdens de oorlog op de vlucht voor zowel Hitler als Stalin (hij was de eerste die de Sovjet-Unie een totalitaire staat noemde) schreef hij verbannen in Mexico zijn legendarische boek Mémoires d’un révolutionair. Daarvoor had hij ondermeer L’Affaire Toulaév gepubliceerd waarin hij de Grote Terreur, de moord op miljoenen mensen in de jaren dertig, op bevel van Stalin, aan de kaak stelde. En S’il est minuit dans le siècle, de eerste roman die de Goelag beschrijft.

Zijn leven heeft nooit triomfen gekend’, schrijft Sontag over Victor Serge. Het doet denken aan de hoofdfiguur in The Real Life of Alejandro Mayta van Mario Vargas Llosa. Hierin beschrijft hij een foto van een 40-jarige trotskist en onverstokte revolutionair. Op de foto staat een man die intens vermoeid is, met een blik die gebroken illusies, frustraties, vergissingen, vijandschap, politiek verraad en andere mislukkingen uitstraalt. Jarenlang heeft hij gevochten en gemoord, zijn vrienden en familie verloren, en met welk resultaat? Niets. Sontag eert evenwel de moed van Serge om vanuit het linkse kamp al heel vroeg de wandaden van het communisme aan de kaak te stellen. In die zin was de houding van Sartre die bewust weigerde om over de Goelag te schrijven ‘omdat dat de Franse arbeiders zou ontmoedigen in hun terechte strijd’, schandelijk en weerzinwekkend. Serge heeft zijn collega’s niet verraden, denk aan Boris Piljnak, Isaak Babel, Osip Mandelstham en vele anderen die vermoord werden of stierven in de kampen. In elk geval volgt Sontag hiermee de joodse traditie om te blijven spreken over overleden mensen, om hun bijzondere ideeën en prestaties in herinnering te houden en ze op die manier ‘levend’ te houden.

Op de kaft van het boek staat de met hand geschreven oproep ‘Do something. Do something. Do something’. Het typeert Sontag ten volle als strijdster voor de mensenrechten. Al in de jaren zestig uitte ze kritiek op de rol van de blanke mens in de wereld. Zo schreef ze in 1967 dat Amerika werd opgericht op basis van genocide. Ze keerde zich tegen de oorlog in Vietnam, werd voorzitter van de Amerikaanse afdeling van PEN en haalde fors uit naar ayatollah Khomeiny toen die een fatwa uitriep over Salman Rushdie. Het tweede deel van dit boek bevat een reeks opmerkelijke uitspraken tegen de politiek van de regering Bush na de aanslagen van 11 september 2001. Die dag bevond ze zich in Berlijn en kroop onmiddellijk in haar pen tegen de oorlogstaal van Bush, zijn beruchte ‘wie niet voor ons is, is tegen ons’. En ze waarschuwde: ‘Als de Verenigde Staten en zijn bondgenoten met een “volledige” oorlog reageren, zullen niet de terroristen het slachtoffer zijn, maar nog meer onschuldige burgers – deze keer in Afghanistan, Irak en elders – en hun dood zal de door het radicale islamitische fundamentalisme verspreide haat tegen de VS (en meer in het algemeen tegen het westerse secularisme) alleen maar aanwakkeren.’ Profetische woorden waardoor ze beschuldigd werd van landverraad.

Haar grootste kritiek op de oorlog tegen het terrorisme is dat er nooit een einde zal aan komen. Ze noemt het een ‘fantoomoorlog’, maar die wel met zich meebrengt dat de VS zich alles mag permitteren en alle internationale verdragen opzij kan schuiven die haar belangen zouden kunnen schaden. Ze wijst op de absurde situatie dat de VS tegen Afghanistan en Irak opereren, maar dat ze de beste vrienden zijn met Saoedi-Arabië, het land die de wahabitische beweging het meest heeft gesteund (Osama Bin Laden is een Saoedische prins). Maar veel gevaarlijker is de neiging van de Amerikaanse overheid om traditionele vrijheden op te offeren voor een virtuele veiligheid. Susan Sontag heeft steeds interesse gehad voor fotografie. In die zin hechte ze veel belang aan de foto’s die werden genomen in de Abu Ghraib gevangenis in Irak en Guantanamo Bay, waar zogenaamde verdachten werden opgesloten zonder enige vorm van proces. Vooral de foto’s uit Abu Ghraib – een berg naakte mannen op elkaar gestapeld met een lachende soldate die een van de gevangenen aan de leiband houdt; honden die naar de geslachtdelen bijten van doodsbange mensen – gaven een onthutsend beeld van het leed en de vernedering die de ‘bevrijders’ de ‘verliezers’ aandeden. Blijkbaar gaan de Amerikanen daartoe over ‘als ze in de waan worden gebracht dat het ras of de godsdienst van de mensen die ze martelen minderwaardig is’. Voor Sontag gaat het hier duidelijk om marteling wat in strijd is met alle internationale conventies.

Voor Sontag is het onaanvaardbaar dat duizenden mensen, zonder aanklacht of contact met een advocaat, zijn opgesloten in gevangenissen onder Amerikaanse supervisie. Het gaat nochtans om mensen met onvervreemdbare rechten en vrijheden. Ze werden opgesloten omdat Amerikaanse militairen ‘vermoeden’ dat ze iets in het schild voeren. Op die manier ontstaat rechteloosheid. George Bush, Dick Cheney, Condoleesa Rice of Rumsfeld hadden geen concrete aanklachten tegen de betrokkenen, ze waren gewoon het slachtoffer van intentionele opinies. Sontag pleit voor een terugkeer naar de normaliteit, het aanklagen en veroordelen van mensen omdat ze iets verkeerds doen, een aantoonbare handeling tegen de menselijkheid bijvoorbeeld. ‘Achter gesloten deuren sterven democratieën’, dat was het keiharde argument van de rechterlijke macht toen de Amerikaanse administratie voorstelde om processen tegen terroristen achter gesloten deuren te laten houden. Ook hier haalde Sontag later haar gelijk. In mei 2007 verscheen een rapport van Martin Scheinin, een verslaggever van de Verenigde Naties die heeft vastgesteld dat de VS internationale wetgeving overtrad en onwettige ondervragingstechnieken toepaste.

Ook over het conflict in het Midden-Oosten nam Sontag een kritische houding aan. ‘De Palestijnen hebben een onafhankelijke staat nodig’, schrijft ze, en ook Israël zelf heeft dat nodig. Israël moet zich volgens haar onvoorwaardelijk terugtrekken uit de bezette gebieden, een wat naïeve houding zolang er radicale Palestijnse facties bestaan die de joodse staat letterlijk willen vernietigen. Haar bewondering gaat dan ook uit naar de Israëlische soldaten, vertegenwoordigd door Ishai Menuchin die weigeren om te vechten buiten de grenzen van 1967. Soldaten zijn immers niet verplicht om onrechtvaardige bevelen te gehoorzamen zoals we weten sinds de processen van Neurenberg. Dat brengt haar tot haar categorische imperatief: ‘De grote kans dat je door je verzetsdaden geen eind kunt maken aan de onrechtvaardigheid, ontheft je niet van de plicht naar eer en geweten te handelen in het belang van je gemeenschap’. Het is die plicht die bijvoorbeeld de verzetsbeweging Die weisse Rose van Hans en Sophie Scholl voor ogen hadden toen ze in 1942 aan de universiteit van Munchen pamfletten verspreidden tegen het naziregime. Schrijvers hebben een morele verantwoordelijkheid. Zo raakte ze in conflict met Gabriel Garzia Marquez die zweeg en blijft zwijgen over de dictatuur en repressie van Castro.

Het derde deel van het boek gaat over de waarde van de literatuur, het geweten van woorden en de inherente ethische waarde ervan. ‘Kunst en zeker literatuur kan mensen niet alleen vermaken en informeren, maar ook veranderen’, aldus Sontag. De literatuur leert ons immers wat de waarde van diversiteit is, het verzet zich tegen ‘de stemmen die simplificeren en het is de taak van de schrijver de werkelijkheid te beschrijven: de smerige werkelijkheid én de werkelijkheid die ons in verrukking brengt’. Hiermee keert ze zich tegen banaliteit, mediocriteit, vervlakking, maar ook tegen leugen, misleiding, hypocrisie, fanatisme, propaganda en pertinente onwaarheid. Ze heeft het niet enkel over schrijvers maar ook over vertalers die zo belangrijk zijn om boeken toegankelijk te maken in andere taalgebieden en zorgen voor verrijking, verdieping en verheffing. In feite verdedigt ze net als György Konrad de wereldliteratuur als middel van transcendentie. Daarbij merkt ze op dat het misschien wel Goethe (een Duitser) was die als eerste het project van een Weltliteratur ter sprake bracht (later zouden andere Duitsers boeken verbranden). Dank zij de wereldliteratuur ‘kon je ontsnappen uit de gevangenis van nationale ijdelheid, van bekrompenheid, van krampachtig provincialisme’, waarna Sontag besluit met de stelling dat literatuur vrijheid is. In die zin was ze een vrijheidsstrijdster pur sang.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Susan Sontag, Op hetzelfde moment, De Arbeiderspers, 2007, 254 blz.

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be