Vergeten stemmen van de Holocaust

boek vrijdag 08 juni 2007

Lyn Smith

De laatste overlevenden van de Holocaust sterven uit. Dat betekent dat er binnenkort geen mensen meer zullen zijn die uit de eerste hand kunnen getuigen over de verschrikkingen die zich onder het naziregime en in de concentratiekampen voordeden. Om te vermijden dat de herinneringen aan deze gruwelijke gebeurtenissen verdampen in de nevelen van de geschiedenis heeft men in zowat alle landen die betrokken waren bij de Tweede Wereldoorlog getuigenissen van slachtoffers, betrokkenen en zelfs beulen opgenomen via klank en beeld of neergeschreven. Een van de eersten die daar systematisch mee begon was Simon Wiesenthal, zelf een overlevende. In 1947 opende hij in het Oostenrijkse Linz het Documentation Centre on the Fate of the Jews and their Persecutors. Vanuit dit centrum werd bewijsmateriaal verzameld, maar ook praktische hulp gegeven aan overlevenden van de kampen. In 1961 richte hij het Joods Documentatie Centrum, beter bekend als het Simon Wiesenthal Centrum op, die de herinnering aan de holocaust levend houdt. In 1985 presenteerde Claude Lanzmann Shoah, een monumentale, negen en een half uur durende documentaire waarin tientallen overlevenden getuigen over de Endlösung. En met het geld dat Steven Spielberg verdiende met de film Schindler’s List richtte de filmmaker de Shoah Foundation op, een digitale bibliotheek met meer dan 50.000 opgenomen getuigenissen over de Holocaust.

Ook het aantal boeken over de Holocaust neemt nog toe. Recent verscheen Vergeten stemmen van de Holocaust van de Britse docente Lyn Smith. Zij besteedde de voorbije 25 jaar aan het vastleggen van de ervaringen van Holocaustoverlevenden, in opdracht van het Imperial War Museum Sound Archive. Het resultaat is een indrukwekkend verslag in woorden van mannen en vrouwen die de gruwel overleefden. Daarbij staat ze niet alleen stil bij het lot van de joden, maar ook bij de andere slachtoffers van het naziregime, zoals de communisten, de Polen, de homoseksuelen, de gehandicapten, de krijgsgevangenen en de zigeuners die in de nazikampen massaal om het leven kwamen. Lyn Smith publiceert de herinneringen chronologisch, zodat de lezer een goed beeld krijgt hoe het leven in het vooroorlogse Duitsland zich langzaam ontwikkelde tot een leven vol geweld, terreur en uiteindelijk de ‘finale oplossing’. Tientallen overlevenden vertelden haar hun persoonlijke herinneringen aan de invoering van de jodenster, de Kristalnacht, de aanleg van de getto’s, het leven in de kampen en tenslotte de bevrijding en de opvang na de oorlog. De verhalen staan vol van menselijk leed, tragiek en moed, en treffen de lezer met meer kracht dan de gekende films en foto’s over de Holocaust.

Eén van die gekende beelden is die van Bill Essex, de Britse soldaat die met een bulldozer de stapel lijken in Bergen-Belsen in massagraven schuift. Het zijn de beelden uit dit kamp die eerst de wereld rondgingen en getuigden van de gruwel die in de kampen had plaatsgevonden. Pas na het proces tegen Adolf Eichmann in 1961 zou de wereld meer te horen krijgen over de volkerenmoord op de joden en verschoof de aandacht naar de kampen in het Oosten, zoals Sobibor, Treblinka en Auschwitz. Het boek van Smith begint met herinneringen aan de tijd van voor de machtsovername door de nazi’s. Veel joden waren goed geïntegreerd en voelden zich ook Duitser. Sommigen hadden zelfs meegevochten tijdens de Eerste Wereldoorlog en daarvoor militaire onderscheidingen gekregen. De meesten hadden zowel joodse als niet-joodse vrienden, anderen hadden zich bekeerd tot het roomse geloof en bepaalde kinderen beseften zelfs niet dat ze joods waren. Natuurlijk bestond er latent antisemitisme maar de joden voelden zich doorgaans veilig in Europa. De eerste getuigenis over een anti-joodse maatregel komt van Roemeens-joodse student die in 1932 te horen kreeg dat hij niet meer werd toegelaten op school, een regel die door de Kerk werd afgekondigd.

In Duitsland begon de hetze tegen de joden na de machtsovername door Hitler in 1933. Zo vertelt het Duits-joodse meisje Bea hoe ze op 10 maart 1933 haar vader bebloed aantrof. Hij was advocaat en wou klacht neerleggen bij de politie. Daarop werd hij afgeranseld door bruinhemden. Ze hingen een bord rond zijn nek met de tekst: ‘Ik ben een jood en ik zal mij nooit meer over de nazi’s beklagen’. Ook die foto’is gekend en staat afgedrukt in het boek. Via allerlei wetten en decreten werden de rechten van de joden ingeperkt en ontnomen. Opvallend zijn ook de getuigenissen van de ongemene brutaliteit van de Oostenrijkers tegen de joden vlak na de Anschluss. Een Oostenrijks-joodse scholier werd op paasmaandag voor dood geslagen. Een Duitse officier kwam tussenbeide en redde hem. Hij zei de Oostenrijkers dat hij orde weste en ‘geen boeven zoals jullie’. Na de Kristalnacht werden heel wat joden opgepakt en in concentratiekampen gestopt. Wie het zich kon veroorloven vluchtte naar het buitenland, maar het was hen verboden activa of kapitaal mee het land uit te nemen. Intussen verergerde de situatie. Een getuige vertelt dat niet alleen de Gestapo en de SS wreed waren ‘maar hun buren, gewone mensen uit een gemeenschap, die zich opeens anders begonnen te gedragen tegenover de joden’. En dan moest het ergste nog komen.

Na de inval in Polen begon pas echt het plunderen, vernielen en vermoorden door de SS-ers die in het zog van het leger binnentrokken. De joden moesten een ster dragen en werden in getto’s gestopt. Joden die naar het Oosten waren gevlucht ondergingen hetzelfde lot. Smith schrijft dat ruim 200.000 joden naar werkkampen in de Sovjet-Unie werden gedeporteerd. Stalin en Hitler hadden in 1939 immers een niet-aanvalspact getekend en Polen onderling verdeeld. Na de Duitse inval in de Sovjet-Unie werden die Polen weer ingezet aan het front. Niet alleen de Duitsers waren vreselijk, ook de Litouwers en Oekraïners vermoordden talloze joden. Om hun kinderen te redden, klopten Litouws-joodse vrouwen aan bij kerken en kloosters maar overal liepen ze tegen een muur. Intussen stroomden de getto’s in de grote steden vol en stierven duizenden van honger en dorst. Neem bijvoorbeeld Lodz waar 34% van de inwonders voor de oorlog joods was. Van de 300.000 mensen die in het getto woonden overleefden er slechts 900. Mensen werden er uit ramen gesmeten, met de kolf van geweren doodgeslagen en gedeporteerd. Schrijnend is de getuigenis van een Poolse jood die zich samen met anderen in het getto van Warschau had vertopt om een selectie te vermijden. De baby van een vrouw begon te huilen, waarop de vrouw het kind smoorde. Toen de razzia voorbij was, was de baby dood.

Op een foto staat een rij kinderen die in september 1942 gedeporteerd werden, en een andere met joden in openveewagons die naar het vernietigingskamp van Chelmno werden afgevoerd. Een Pools-joodse vrouw getuigt dat ze moest werken in het station in Lodz. Zij moest in elke veewagon een emmer plaatsen waarna de joden werden afgevoerd naar Auschwitz of Majdanek, en hoe ze de wagons weer moest schoonmaken toen ze leeg terugkwamen. Daarin vond ze stukjes papier met hulpkreten. Ook een Poolse machinist die treinen naar Treblinka moest rijden zag hoe de wagons die terugkeerden smerig waren van menselijke uitwepselen. In sommige kampen werden joden terwekgesteld. Zo is er een foto van gevangenen die zware stenen dragen op de Todesstiege, de trap des doods, in Mauthausen. Anderen maakten in onmenselijke omstandigheden V2-raketten ein het kamp Dora. Tallozen stierven door het zware werk en het gebrek aan voedsel. Hoe cynisch de Duitsers te wek gingen blijkt uit het feit dat ze overal kamporkesten samenstelden die muziek moesten spelen om de gevangenen gerust te stellen, en soms ook voor het plezier van de nazi’s zelf. Het bekendste voorbeeld is de opvoering van het Requiem van Verdi onder leiding van de dirigent Rafael Schächter in het kamp Theresienstadt. Hierover schreef de overlevende Tsjech Josef Bor een boek.

Daarna volgen verschillende getuigenissen over de gruwel in Auschwitz-Birkenau waar ongeveer 1,1 miljoen mensen werden vergast. En het waren joden zelf die in de zogenaamde Sondercommando’s het smerige werk moesten doen, de gaskamers leegmaken, de gouden tanden uittrekken en de lijken verbranden. Daarvoor kregen ze meer te eten maar na enkele weken werden ze zelf vermoord en verbrand. Een Brits-joodse gevangene die werkte in de Buna fabrieken (aangeduid als Auschwitz III) zag op een dag hoe een SS-bewaker die dieren hield een konijn knuffelde. Op hetzelfde moment schoten de Duitsers op vrouwen en kinderen die zich na aankomst in het vernietigingskamp niet snel genoeg in de rij gingen staan. Het is in die passages dat duidelijk wordt hoe onvoospelbaar het menselijk gedrag is in extreme omstandigheden, hoe medongeloos en brutaal mensen kunnen zijn als ze een complete macht over anderen krijgen. Het totalitair systeem verpulvert mensen tot een ding en vernietigt de laatste morele remmingen.

De wreedheden die gebeurden waren zo erg dat menige overlevende zich bewust was dat anderen hen niet zouden geloven. In zijn voorwoord in De verdronkenen en de geredden verwijst Primo Levi naar Simon Wiesenthal die de volgende uitspraak van SS’bewakers in de kampen optekende: ‘Hoe deze oorlog ook afloopt, de oorlog tegen jullie hebben we gewonnen; niemand van jullie zal overblijven om te getuigen, en ook al zou er iemand ontkomen, dan nog zal de wereld hem niet geloven. Er zullen misschien twijfels zijn, discussies, naspeuringen van historici, maar er zal geen zekerheid zijn, omdat we tegelijk met jullie de bewijzen zullen vernietigen. En ook al zou er ergens een bewijs overblijven, en al zou iemand van jullie overleven, dan nog zullen de mensen zeggen dat de dingen die jullie vertellen te monsterlijk zijn om geloofd te worden; ze zullen zeggen dat het overdrijvingen zijn van de geallieerde propaganda; ze zullen ons geloven, die alles zullen ontkennen, en jullie niet. De geschiedenis van de concentratiekampen zal door ons geschreven worden’. Het is een terechte vrees, nog gevoed door negationisten als David Irving, Raubert Faurisson en Fred Leuchter die de herinnering trachten bij te kleuren of uit te wissen. Deze getuigenissen zijn daar het beste antwoord op en tonen aan dat de gruwel echt gebeurd is.

Na de oorlog klonk het bij zowat alle Duitsers ‘Wir haben es nicht gewußt’. Toch hebben velen wat gezien. Zo vertelde een Nederlander die in Berlijn werkte dat hij op een perron in Tsjecho-Slowakije een trein had zien staan met kinderhandjes die door de planken van veewagons staken. Toen de geallieerden oprukten dreef men de gevangenen uit de kampen en begopnnen de vreselijke dodenmarsen die nog tienduizenden het leven zouden kosten. Een Poolse jood die van Pirnau naar Dresden stapte, getuigt over het gebrek aan medelijden van de Duitse bevoking. ‘Ze schreeuwden beledigingen en zeiden dat wij verantwoordelijk waren voor al die bombardementen’. Er waren leden van de Hitler Jugend die na de oorlog geconfronteerd werden met de kampen, het niet geloofden en zeiden: ‘Onze Führer zou dat nooit doen.’ Een Duitse vrouw die in het verzet was gegaan zegt dat die onwetendheid volstrekte nonesen is. ‘Op school, op de universiteit wist je het – niet precies wat er gebeurde, maar dat er joden verdwenen’. Even stuitend was de complete onverschilligheid waarmee overlevenden geconfronteerd werden bij hun thuiskomst. Een schrijnend geval was de pogrom in Kielce op 4 juli 1946 waarbij 42 joden werden vermoord door Polen die intussen hun huizen in beslag genomen hadden. Politieke gevangenen keerden doorgaans terug naar hun familieleden, maar voor veel joden gold dat niet, hun families waren uitgeroeid. ‘Van onze joodse gemeenschap van achthonderd in Chodecz, zijn er maar vier in leven gebleven’, aldus Romain Halter, een Pools-joodse overlevende die naar Engeland trok.

In de epiloog spreken vele overlevenden hun vrees uit dat als zij sterven, niemand nog kan getuigen en dat de herinnering aan de Holocaust zal verdwijnen. ‘Wie zal het na ons nog vertellen?’, zo vraagt Halima Kahn, een Pools-joodse overlevende zich af. Hier ligt een belangrijke taak voor het onderwijs en van de diverse overheden om de Holocaust in herinnering te houden. Ze moeten een blijvende dam vormen tegen de negationisten die in zowat alle landen actief zijn. Denk aan Jean Marie Le Pen, een vriend van Filip Dewinter, aan Volen Siderov, waarmee Marie Rose Morel lachend op de foto staat, aan Roeland Raes die de moord op zes miljoen joden bagateliseerde. Dit boek met getuigenissen van 122 verschillende personen uit diverse Europese landen is een belangrijk historisch document. Het zou verplichte lectuur moeten zijn in onze scholen, zodat jongeren kunnen lezen en zien waartoe ontolerantie, discriminatie en totalitarisme kunnen leiden.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Lyn Smith, Vergeten stemmen van de Holocaust, Uitgeverij M, 2006

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be