Slingerbeweging

boek vrijdag 22 april 2011

György Konrad

“Mijn eigen brein is een opslagloods die ik altijd kan betreden. Wat daar bewaard wordt, is meer dan wat verteld kan worden. Ik vind altijd weer dingen waarvan ik dacht dat ik ze me niet meer herinnerde, en zie, ik weet ze nog.” Zo begint het nieuwe boek Slingerbeweging van de Joods Hongaarse schrijver György Konrad, die algemeen wordt erkend als één van de belangrijkste schrijvers van onze tijd. Hij brak door in ons taalgebied met romans zoals De bezoeker, De medeplichtige, Tuinfeest en De oude brug. Al even indrukwekkend waren zijn autobiografieën Geluk en Zonsverduistering waarin hij zijn bijzondere levensloop beschreef onder het nazisme en later onder het communisme. “Mijn leven? Ik werd geboren in 1933; ik was zes jaar oud toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en elf toen ik als gevolg van geluk en vindingrijkheid in leven bleef. Ik was twaalf toen ik het nationaal-socialisme overleefd bleek te hebben. Ik was vijftien in het jaar van de krachtdadige invoering van het communisme, werd daarna samen met het regime ieder jaar ouder, en was zesenvijftig toen het eindelijk de geest gaf.” Jarenlang mocht zijn werk in Hongarije niet uitgebracht worden en behoorde hij tot de Samizdat. Na de val van de Muur betoonde Konrad zich een vurig verdediger van de rechten van de mens en voor de opname van de Midden- en Oost-Europese landen bij de EU, iets wat in 2004 uiteindelijk ook gebeurde. Sindsdien is hij schijnbaar tot rust gekomen.

Vijf jaar geleden verscheen zijn melancholische boek Het verdriet van de hanen, alweer sterk autobiografisch, waarin hij zinspeelde op zijn lichamelijke aftakeling. Intussen is hij 78 jaar geworden en loopt hij met gekromde rug steunend op zijn wandelstok. Maar de reus is nog lang niet geveld en zijn geest is scherper dan ooit. Dat voel en proef je in Slingerbeweging waarin hij zich als een pendule beweegt tussen heden en verleden, tussen waarheid en fictie die in zijn gedachten onscheidbaar zijn. Zo staat hij stil bij alledaagse, vredige tafereeltjes in Boedapest, zijn thuisstad die hij ziet uitbloeien tot een aantrekkelijke plaats om te wonen en te leven. Maar even later gaan zijn gedachten naar de vreselijke gebeurtenissen die in diezelfde stad gebeurden tijdens de Tweede Wereldoorlog en later in 1956 bij de Hongaarse opstand. Dat hij nog leeft is al een wonder op zich. Mocht het fascistische regime van de Pijlkruisers het in 1945 nog enkele weken langer hebben uitgehouden tegen de oprukkende Russen, dan was hij, net zoals talloze andere Joden, allicht doodgeschoten en zijn lijk in de Donau gegooid. “Toen ik een kind was, stond de doodstraf op het redden van mijn leven”, zo schrijft hij, maar ook onder het communisme werd hij niet beschouwd als een volwaardige burger maar als een ‘klassenvreemde’.

Op die manier slingert Konrad tussen zijn rustige oude dag en de gruwelijke herinneringen uit het verleden. Zo mijmert hij over de jaren onder leiding van Imre Nagy die na de dood van Stalin aan het hoofd kwam te staan van de Hongaarse communistische regering. Hij zorgde voor een zekere dooi, begon met economische hervormingen en liet een hele reeks politieke gevangenen vrij. Het bood aan Konrad de mogelijkheid om opnieuw te studeren aan de universiteit (een recht dat hem in 1953 om politieke redenen ontzegd werd). Nagy werd in april 1956 echter opzijgeschoven, wegens te hervormingsgezind. Enkele maanden later brak de Hongaarse opstand uit en kwam hij weer aan het roer. Hij wou zijn land terugtrekken uit het Warschaupact en Hongarije tot een neutraal land omvormen. Daarvoor riep hij hulp in van het Westen en van de Verenigde Naties, maar de opstand werd gewelddadig neergeslagen door het Russische leger. Twee jaar later werd Nagy veroordeeld wegens hoogverraad en samenzwering tegen de volksdemocratie, en opgehangen. Konrad beleefde de opstand heel intens mee en maakte deel uit van een soort revolutionair comité op de universiteit. Hij liep er met een vuurwapen rond samen met anderen ‘die meenden dat de geschiedenis zich niet zonder hen kon voltrekken’, schrijft hij niet zonder zelfspot.

Ontroerend, zelfs ongewild grappig, beschrijft hij zijn persoonlijke ervaringen tijdens de Hongaarse opstand die zijn mensbeeld sterk hebben beïnvloed. Binnen het revolutionair comité was men ervan overtuigd dat men de Russische bezetters met pamfletten zou kunnen van overtuigen dat ze een verkeerde strijd voerden. Ze moesten hen toch maar gewoon te kennen geven dat hun daden niet overeenstemden met de principes van Marx over het recht van een volk om niet onderdrukt te zijn? Zelf werd hij door de oudste van het comité met een pistool de straat opgestuurd ‘om te zien wat er gaande was in de stad, en als ik meende een politieman te moeten neerschieten dat maar te doen’. Maar wie moest hij doodschieten? De bestuurders van de tanks zaten verveeld rond te kijken vanuit hun kijkpost, en de gewone Hongaren waren vooral begaan hoe ze aan voldoende brood en melk konden geraken voor hun kinderen. Het geloof dat het Westen tussenbeide zou komen ebde al snel weg en niemand geloofde nog dat men de bezetters kon overhalen om te vertrekken met slogans van Marx. Waarop Konrad naar het comité terugkeerde om er te zeggen dat hij geen ‘Sovjetsoldaten noch Hongaarse collaborateurs zou kunnen doden en dat dat bovendien eerder schadelijk dan nuttig zou zijn’. Vanaf toen voerde hij de strijd voor de vrijheid op zijn manier en met zijn mogelijkheden, met zijn pen. En die zou achteraf krachtiger blijken dan een wapen.

“Deze bladzijden bevatten wat gefladder en herinneringen, ingeklemd tussen twee kartonnen kaften”, schrijft hij, bescheiden als hij is. Maar het zijn herinneringen die soms striemend uithalen naar al die idioten die gedurende decennia tegen beter weten in, door en door onmenselijke systemen, overeind hielden en zelfs hielpen. Zo haalt hij vernietigend uit naar al die Hongaren, gelovig of niet, die zonder enig bezwaar Jodenwetten aannamen en toepasten met als doel achthonderdduizend Joden van het toenmalige Hongarije te elimineren. Daar stopten ze pas mee, niet uit medemenselijkheid, maar uit het groeiende besef dat ze vreselijke misdaden begingen waarvoor ze na de oorlog zouden gestraft kunnen worden. Zo blijft Konrad ‘verbijsterd’ over ‘die onbarmhartige leegheid’, niet alleen van gewone mensen maar ook van wereldlijke en geestelijke leiders zoals paus Pius XII die pas voor de Joden opkwam toen de geallieerden het Vaticaan hadden ontzet, en dan deed hij dat nog maar alleen voor ‘de gedoopte Joden’, dus Joden die zich tot het katholicisme hadden bekeerd. Op die manier, door het gebrek aan weerstand – op enkele uitzonderingen na – werd 68% van de Europese Joden vermoord. En juist het feit dat ze de kinderen niet spaarden, om te voorkomen dat er een nieuwe Joodse generatie kon opstaan, maakt de Holocaust zo uitzonderlijk, schrijft de auteur.

Ook na de oorlog ging de stompzinnigheid door. Waarna Konrad in één welgemikte zin tot de essentie komt en duidelijk maakt dat elke vorm van fanatisme, nationalisme en totalitarisme zich finaal tegen de mens keert. “Het geweld waarvan ik object en getuige was, hing elke keer samen met een religie, een verzameling ideologieën, woorden die in essentie neerkwamen op het tot doelwit maken van een andere groep mensen, die je hoorde te haten en die eventueel ook vernietigd moest worden.” Maar ondanks de mogelijkheid om na de Hongaarse opstand het land te verlaten, zoals veel van zijn collega-schrijvers deden bleef Konrad koppig in zijn geboorteland en trotseerde het regime dat hem via censuur het zwijgen trachtte op te leggen. Dat lukte niet helemaal want hij slaagde erin om zijn manuscripten het land uit te smokkelen. Pas in de jaren tachtig kreeg hij het gevoel dat het communistische regime op zijn laatste voeten liep. In 1988 werd hij uiteindelijk geschrapt van de lijst van de verboden auteurs. Een jaar later viel het systeem in duigen. Konrad zag echter snel in dat dit nog niet het einde van de miserie betekende. Zo zag hij na de ‘omwenteling’ op televisie de voorstelling van de nieuwe democratische regering zonder één lid van de voormalige democratische oppositie. Maar wat hem vooral opviel was de hernieuwde christelijk-nationale retoriek waarin het antisemitisme opnieuw de kop opstak. “Niets is internationaler dat het nationale idiotisme”, aldus Konrad die de opstoot van nationalisme hekelt. “Als het zo doorgaat wordt iedereen die geen wrok koestert tegen de omwonende volkeren verdacht van landverraad.”

Intussen is het land lid van de Europese Unie en voelt Konrad zich een stuk geruster. Naarmate het boek vordert slaat de slinger terug naar overpeinzingen van een oude wijze man over de eenvoudige zaken in het leven, een wandeling in de natuur, een blik op de sterrenhemel en vooral het genoegen van de stilte om zich heen. “Ik heb de ideologieën en religies achter me gelaten, ik heb me uit de kring van de strijders teruggetrokken”. Helemaal waar is dat niet. Hij blijft alert voor de opkomst van extreemrechts in zijn land en keerde zich de voorbije maanden en weken nog bijzonder fel tegen de draconische mediawet en de omstreden grondwet van de nieuwe Hongaarse regering onder leiding van de rechts-populistische Viktor Orban. Slingerbeweging is een ode aan de tolerantie en het kosmopolitisme zonder dewelke een bloeiende cultuur onmogelijk is. Het is een oproep voor meer tact, volgens de grote meester een belangrijke Europese waarde omdat ze ‘aandacht, kennis, empathie en het principe “wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”’ omvat. Meer tact. Het lijkt een oubollige deugd, maar wie er even op doordenkt en ziet hoe bijvoorbeeld onze politici elkaar te lijf gaan, beseft dat het een houding is die we al te lang hebben vergeten.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Liberales organiseert op woensdag 27 april om 20 uur een interview door Dirk Verhofstadt met György Konrad over zijn nieuw boek. Dit vindt plaats in het Liberaal Archief, Kramersplein, 9000 Gent. Inkom is gratis. Inschrijven moet op onderstaand mailadres.

György Konrad, Slingerbeweging, De Bezige Bij, 2011

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be