The Transformation of Modern Europe

boek vrijdag 23 januari 2009

James Sheehan

1.

Iedereen is het er over eens dat Europa tijdens de afgelopen eeuw onderhevig was aan fundamentele veranderingen. Zowel de Europese geopolitiek als de aard van Europese samenlevingen veranderden onherkenbaar. Denken we bovendien ook maar aan het proces van Europese integratie. Dit proces wordt door de Duitse socioloog Ulrich Beck beschreven als een overgang van de eerste naar de tweede moderniteit waarin kosmopolitische natiestaten de traditionele natiestaten uit de eerste moderniteit aan het vervangen zijn. Dit gebeurt via een proces van reflexieve modernisering. De visie van Beck sluit nauw aan bij deze van de Duitse filosoof JŁrgen Habermas die in 2001 sprak van het ontstaan van de postnationale constellatie als nieuwe basis voor de wereldorde. Ook de Poolse socioloog Zygmunt Bauman schrijft in zijn boek Europe: An Unfinished Adventure over de radicale vernieuwingen die Europa de laatste decennia heeft doorstaan.

Zelfs verstokte idealisten en pacifisten hadden aan het begin van de 20ste eeuw niet durven dromen over de toestand waarin Europese samenlevingen zich anno 2008 bevinden. Dit is een punt dat hedendaagse critici van het Europese integratieproces nogal eens over het hoofd zien. Zo was er de Britse schrijver en politicus Norman Angell die in 1910 in zijn boek The Great Ilusion met veel optimisme verkondigde dat oorlog op het Europese continent een reliek uit het verleden was geworden. Dit was volgens hem het gevolg van de groeiende economische verbondenheid van de Europese grootmachten. Het boek van Angell was echter pas goed weg bij de drukker, of het begin van de eerste wereldoorlog was een feit. Tientallen miljoenen slachtoffers zouden het boek van Norman Angell op een bruuske manier logenstraffen. Het is echter belangrijk om ons te realiseren dat Angell inging tegen de algemeen aanvaarde visies van zijn tijd. Onder deze visies bevond zich het idee dat oorlog onlosmakelijk verbonden was met het systeem van natiestaten. Symptomatisch was de mening van de Duitse historicus Heinrich von Treitschke die aan het einde van de 19de eeuw tijdens lezingen in Berlijn verklaarde dat staten en oorlog onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hiermee sloot hij aan bij de wijdverspreide visie van de Pruisische militaire denker Clausewitz die, eveneens aan het einde van de 19de eeuw, proclameerde dat oorlog niets minder was dan de verderzetting van politiek met andere middelen. Treitschke en Clausewitz hun visies lagen aan het begin van de 20ste eeuw beter in de markt dan deze van Norman Angell. Voor de meeste Europeanen was oorlog een normaal deel van hun verwachtingsperspectief voor de nabije, en niet zo nabije, toekomst. Oorlog was een onderdeel van hun leven. Weinigen zagen hierin snel verandering komen.

2.

De verandering die Europa tijdens de afgelopen honderd jaren onderging is zo radicaal dat ze tegenwoordig door velen als vanzelfsprekend wordt aanzien. Oorlog tussen de belangrijkste Europese landen is ondenkbaar geworden en de Europese staten hebben zich getransformeerd tot civiele staten gebaseerd op economische waarden en politieke burgerschap in plaats van militaire staten die gebaseerd zijn op absolute loyaliteit ten aanzien van de natiestaat. Alleen om deze reden is het boek Where Have All The Soldiers Gone? The Transformation of Modern Europe een werk dat voor velen net op tijd komt. In dit boek schetst de Amerikaanse historicus James Sheehan van Stanford University de geschiedenis van Europa tijdens de 20ste eeuw in een notendop. Op een eenvoudige, doch subtiele, manier toont hij aan hoe de Europese staten transformeerden van een militaire naar een civiele staat. Het eerste deel van het boek gaat over de militaire cultuur die bestond aan het einde van de 19de eeuw, het losbreken van de twee wereldoorlogen en de opkomst van het fascisme en het communisme. Zeer terecht beschrijft Sheehan in navolging van de vooraanstaande historicus Francois Furet zowel het fascisme als het communisme als kinderen van oorlog en militarisme en de eerste wereldoorlog in het bijzonder.

Het tweede deel van dit boek behandelt de periode na 1945 en is dan ook opmerkelijk positiever qua inhoud en toon. De ontwikkeling van het proces van Europese integratie is aanmerkelijk minder onrustwekkend dan gebeurtenissen tijdens het eerste deel van de eeuw. Langzaam aan keerde het Europese continent zich af van geweld en oorlog en evolueerde het naar een cultuur waarin het voorkomen van beiden werd aanzien als een curiosum. Het boek culmineert in het beschrijven van de hedendaagse Europese staat als een civiele staat. Ondertussen worden ook treffende verklaringen gegeven voor de val van het sovjetcommunisme en lezen we over het einde van het imperiale tijdperk tijdens het proces van dekolonisering. In het laatste hoofdstuk schrijft Sheehan over de ontwikkelingen tijdens de jaren negentig en het eerste decennium van de nieuwe eeuw. Hier spelen zowel de oorlogen in het voormalige JoegoslaviŽ, de oorlog tegen het terrorisme als de verdergaande integratie van de Europese Unie na de verdragen van Maastricht en Amsterdam een grote rol.

Lezers die op zoek zijn naar nieuwe kennis over de Europese geschiedenis tijdens de 20ste eeuw zullen bij dit boek bedrogen uitkomen. Sheehan doet geen primair bronnenonderzoek en probeert niet om nieuwe historische kennis naar boven te brengen. Bovendien zijn het aantal feiten en gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden over zo een lange periode te omvangrijk om helemaal tot hun recht te kunnen komen in een boek met de omvang van 225 bladzijden. De omvang van dit werk vervaagt in het niets wanneer we het vergelijken met het recente boek van de Engelse historicus Bernard Wasserstein. Diens boek Barbarism and Civilization. A History of Europe in Our Time handelt ook over de Europese geschiedenis van de 20ste eeuw maar omvat in totaal 793 bladzijden leesvoer. Dit indrukwekkende boek van Wasserstein werd in 2007 gepubliceerd door Oxford University Press. Sheehan zou kunnen tegenwerpen dat het aantonen van zijn stelling niet meer ruimte vereist, maar alles bij elkaar is dit een vrij zwak argument.

Een ander nadeel van dit boek is de algemene aanpak. Hoewel het nuttig is om evoluties in Europa te benaderen vanuit een perspectief dat de nationale grenzen overstijgt, laat het gebrek aan differentiatie tussen landen onderling een zekere lacune na. Zeker is het zo dat er aandacht wordt besteed aan ontwikkelingen in verschillend landen. Uiteindelijk blijft de conclusie echter veralgemeniserend en lijken de verschillen tussen Europese landen te verdwijnen. Gebruikmakend van citaten van een diverse reeks van denkers en culturele autoriteiten doorheen de Europese geschiedenis, produceert de auteur desondanks een interessant historisch narratief dat uitnodigt tot een aangename lezing en dat aanzet tot denken. Positief is de aandacht die wordt geschonken aan de ontwikkelingen in Rusland en Centraal en Oost Europa. Sheehan loopt zo niet in de valkuil om de geschiedenis van Europa te reduceren tot een geschiedenis van West Europa. Gebeurtenissen op het oostelijk deel van het Europese continent worden ruim en helder beschreven. Bij historici in het verleden was dit niet altijd vanzelfsprekend.

3.

Een grondige analyse van dit boek en de onderliggende boodschap maakt duidelijk dat we te maken hebben met een specifieke Amerikaanse benadering van de recente geschiedenis en de hedendaagse wereldpolitiek. Zoals vaak het geval is met dit soort boeken moeten we dieper kijken dan de inhoud om te begrijpen waar de auteur heen wil. Opmerkzame lezers krijgen snel in de gaten dat James Sheehan wel erg nauw aansluit bij het betoog van de neoconservatieve auteur Robert Kagan die in 2003 een hevig debat wist los te ketenen over de relatie tussen Europa en de Verenigde Staten aan het begin van een nieuw geopolitiek tijdperk met zijn essay Power and Weakness. In de inleiding van dit boek van Sheehan wordt er expliciet naar Kagan en het debat rondom zijn thesis verwezen. Het verschil in de opvattingen over de wereld aan beide zijden van de Atlantische oceaan komt naar voren als ťťn van de redenen voor het schrijven van dit boek. Amerikanen vragen zich al jaren af hoe het komt dat Europeanen zo meewarig kijken naar het patriottisme dat de Amerikanen vertonen wanneer het gaat over militaire aangelegenheden. Sheehan verwijst ook naar de massale betogingen die in februari 2003 plaatsvonden tegen de aanstaande Amerikaanse invasie van Irak. Velen hebben die betogingen in navolging van Kagan beschreven als een botsing tussen twee verschillende wereldbeelden. Daar waar de Amerikanen nog geloven in het nut van oorlog en militaire interventie om vrede te handhaven, doen Europeanen louter nog een beroep op economische en diplomatische instrumenten op het internationale politieke toneel. Volgens Kagan leven Europeanen in een Kantiaans paradijs van vrede terwijl de Amerikanen vertoeven in een boosaardige Hobbesiaanse wereld van oorlog en geweld.

De bijzonderheden van deze manier van denken komen duidelijk naar boven drijven bij het lezen van Where Have All the Soldiers Gone? Er mag bijgevolg niet uit het oog verloren worden dat dit boek is geschreven door een Amerikaanse historicus met ruime ervaring in het bestuderen van de Europese geschiedenis. James Sheehan staat bekend als een kenner van de Duitse geschiedenis. In 1978 publiceerde hij bij The University of Chicago Press het boek German Liberalism in the Nineteenth Century, en in 1989 verscheen er bij Oxford University Press het boek German History, 1770-1866. De achtergrond van de auteur is bij het analyseren van dit boek zeer belangrijk. Het is duidelijk dat hij in de huid kruipt van de Amerikaanse analist die wil begrijpen waarom Europa tegenwoordig zo erg verschilt van de VS. Zijn houding vertoont de typische ambiguÔteit die op te merken valt wanneer Amerikanen denken en schrijven over het proces van Europese integratie. Enerzijds wordt er gesproken in termen van bewondering over de evolutie naar vrede en stabiliteit, anderzijds is er altijd de tendens om te benadrukken dat de toestand in de wereld in zijn geheel er anders uitziet dan in Europa. Europeanen mogen niet in de val lopen door hun eigen toestand te extrapoleren naar de rest van de wereld. In wezen vallen er weinig verschillen op te merken tussen Robert Kagan en James Sheehan. Enkel met een vergrootglas ziet men verschillen tussen het essay Power and Weakness en het boek Where Have All the Soldiers Gone? Beiden hebben eenzelfde boodschap, alleen komt deze van Sheehan ruim vijf jaar later dan deze van Kagan. In het laatste hoofdstuk komt dan ook een cynische toon bovendrijven wanneer de auteur schrijft over de oorlogen in het voormalige JoegoslaviŽ.

Hoewel enkele politieke leiders in Europa toen verklaarden dat het uur van de Europese Unie op het internationale toneel was geslagen, waren het uiteindelijk opnieuw de Amerikanen die paal en perk moesten stellen aan de gruwelen van etnische zuivering en bloedvergieten. Zowel de snelle Duitse beslissing om onafhankelijkheid toe te kennen aan SloveniŽ als de aarzeling om in te grijpen na het losbarsten van hostiliteiten in zowel BosniŽ als Kosovo wordt op de korrel genomen. Het was de toenmalige Luxemburgse minister van buitenlandse zaken Jacques Poos die verklaarde dat het moment van Europa was aangebroken. Zijn uitspraak wordt niet zonder ironie in dit boek geciteerd. De analyse van Sheehan verraadt een zeker cynisme ten aanzien van dit Europees optimisme dat kenmerkend is voor veel Amerikaanse waarnemers wanneer ze spreken over de ambities van de Europese Unie op het internationale toneel. De afwezigheid van een coherent buitenlands beleid en de afwezigheid van een georganiseerd Europees leger zijn voor hen vaak een steen des aanstoot. Onderliggend schuilt het idee dat wanneer het er op aankomt de Verenigde Staten toch weer hun militaire kracht zullen moeten laten gelden om de tekortkomingen van Europa op te vangen. Amerikanen maken het eten klaar, en Europeanen doen de afwas, zo klonk het enkele jaren geleden denigrerend in de woorden van Robert Kagan.

4.

Onmiddellijk na de val van het Sovjet-communisme verkondigde de politieke filosoof Francis Fukuyama het einde van de geschiedenis. De jaren na zijn publicatie leverden een reeks van optimistische benaderingen op van de internationale politiek. Sommigen meenden te kunnen vaststellen dat militaire conflicten behoorden tot het verleden. In het bijzonder wetenschappers vanuit de stroming van het idealisme binnen het domein van internationale relaties verkondigden dit soort positieve analyses met betrekking tot de toekomst van de wereldorde. De laatste jaren is er echter een einde gekomen aan deze optimistische retoriek. In de eerste plaats waren er natuurlijk de terroristische aanslagen van 11 september 2001. Daarnaast zijn er de aanslepende oorlogen in Afghanistan en Irak, de toename van de agressieve houding van Rusland en de hardnekkigheid van het conflict tussen IsraŽl en de Palestijnen. Het is opvallend hoe het intellectuele klimaat aan het einde van het eerste decennium van deze nieuwe eeuw is omgeslagen. Het optimisme uit de jaren negentig is verdwenen. Anno 2008 zijn er steeds minder opinieleiders die spreken van het aanbreken van een nieuw tijdperk van mondiale vrede.

Enkele jaren geleden zag dit plaatje er lichtelijk anders uit. Recentelijk heeft ook de linkse historicus Tony Judt in de inleiding van zijn nieuw boek Reappraisals. Reflections on the Forgotten Twentieth Century (2008) komaf gemaakt met het optimistische wereldbeeld dat ontstond na de val van de Koude Oorlog. Ook de onvermijdelijke Robert Kagan droeg weer zijn steentje bij tot de debatten. In zijn nieuw boek The Return of History and the End of Dreams (2008) verkondigt hij de terugkeer van internationale spanningen tussen democratieŽn en autoritaire regimes. Paradoxaal genoeg kan het boek van James Sheehan aanzien worden als een onderdeel van deze beweging. Het lijkt er op dat het kernthema van dit boek de verspreiding van vrede en orde op het Europese continent is. Dit is echter misleidend. Paradoxaal genoeg gaat het de auteur net om het contrast tussen Europa en de rest van de wereld. Hij spreekt over een bewonderenswaardige ontwikkeling waarneembaar in Europa, maar tegelijk doelt hij op de beperkingen van dit Europese model binnen een mondiaal kader. Dit is de dubbelzinnige Amerikaanse houding ten aanzien van Europa die de kop opsteekt. Op hetzelfde moment dat Sheehan schrijft over de ontwikkeling van een civiele staat wijst hij ook op de beperkingen die dit soort staat met zich meebrengt. Het impliceert dat de nieuwe Europese staat een beperkte rol zal spelen binnen de internationale politiek precies vanwege het feit dat het gezien haar maatschappelijke transformaties niet meer in staat is om oorlog te voeren of om een grootschalig leger te organiseren. In Europa zijn niet meer de waarden aanwezig om te beginnen aan zulke ondernemingen.

5.

Binnen de globale context van de Europese geschiedenis zou de 19de eeuw aanzien kunnen worden als een relatief vreedzame periode. Zo vonden er tussen 1815 en 1914 slechts 5 oorlogen plaats op het Europese contitent. Vergeleken met de 48 oorlogen die zich voordeden tussen 1648 en 1789 is dit een opmerkelijk laag aantal. In het eerste hoofdstuk wijst Sheehan er echter terecht op dat we ons niet mogen laten misleiden door deze cijfers. Het einde van de 19de eeuw was de periode van de opkomst van professionele legers en was eveneens getuige van de toenemende invloed van dit leger op de samenleving. Grondleggers van de sociologie zoals Max Weber en Emile Durkheim benadrukten in hun werken dan ook terecht de relatie tussen het ontstaan van complexe militaire apparaten en de opkomst van moderne staten. De werken van de Franse filosoof Michel Foucault hebben aangetoond hoe rationele discipline aanwezig in het leger gradueel werd overgenomen door de samenleving als geheel. Binnen de traditie van deze denkers zijn de beginbladzijden van dit boek geschreven.

Sheehan schetst de opkomst van het moderne leger onder invloed van de hervormingen in Pruisen en maakt ons attent op de invloed die het ontstaan van moderne legers uitoefende op de vorming van de Europese samenleving. Belangrijk is het nauwe verband tussen burgerschap, de natie en het leger. Aan het einde van de 19de eeuw ontstond de opvatting dat deze noties zeer nauw aan elkaar verwant waren. Burgerschap impliceerde militaire dienst, de bereidwilligheid om zijn eigen leven op te offeren voor de natie werd aanzien als een teken van burgerschap. Op deze manier ontstond er in een Europa een militaire staat met de gehoorzame soldaat die zijn leven toewijdde aan de natie als basis. De vooraanstaande historicus Eugen Weber omschreef het leger van de 19de eeuw als een school voor de natie. De militaire staat is ook zichtbaar aan de hand van de opkomst van monumenten toegewijd aan militairen en het leger. Denken we maar aan het reusachtige monument van Frederik de Grote op Unter den Linden in Berlijn. De proliferatie van deze uitgesproken militaire symbolen aan het einde van de 19de eeuw kan volgens de auteur van dit boek alleen maar gezien worden binnen het kader van het ontstaan van een specifieke staatsvorm: de militaire staat met zijn nadruk op oorlog en de doordringing van militaire waarden binnen de gehele samenleving.

In 1899 vond er in Den Haag onder instigatie van de Russische tsaar Nicolaas de Tweede een vredesconferentie plaats die werd bijgewoond door 130 afgevaardigden uit 26 landen. Sheehan beschrijft deze gebeurtenis als een duidelijk symptoom van het opkomende streven naar vrede. Op pagina 26 schrijft hij hierover het volgende: ďIn the course of the 19Th century, the idea that war should and perhaps could be avoided began to underminde the assumption, held by most people throughout human history, that war was as much part of life as suffering and deathĒ. Desondanks moesten pacifisten in deze tijdsperiode ruimschoots de duimen leggen voor militaristen. Weliswaar ontstond er een dialectiek tussen pacifisme en militarisme, vooralsnog werd dit pleit beslecht in het voordeel van diegenen die geloofden in de deugdzaamheid van oorlog en het leger. Aan het begin van de 20ste eeuw waren de voorstanders van een sterk leger en de morele waarden van oorlog ruim vertegenwoordigd. Velen aanzagen de discipline van het leger, het heroÔsme van de soldaat en de cohesie van de troepen als tegengewicht voor individualisering, materialisme en zelfingenomenheid. In 1906 werd dit punt toegelicht door de Amerikaanse filosoof William James tijdens een lezing aan Stanford University. Samen met denkers zoals de Franse psycholoog Gustave LeBon wordt William James in dit boek naar voren gebracht als symptomatisch voor het positieve beeld van oorlog, dat zelfs aanwezig was onder progressieve denkers. In het tweede hoofdstuk wordt er geschreven over een dialectiek tussen pacifisme en militarisme die gedurende een aantal decennia werd beslecht in het voordeel van de militaristen.

Het positieve beeld van oorlog en het leger werd echter gradueel ondermijnd. Over de precieze oorzaak van deze ontwikkeling laat dit boek ons grotendeels in het ongewisse. Sheehan beschrijft de gruwel van de twee wereldoorlogen en het daaropvolgende besef dat er nood was aan een project van Europese integratie om een totale ondergang van Europa te voorkomen. Ook de bipolaire wereldorde van de Koude Oorlog speelde een grote rol. De auteur laat uitschijnen dat de opdeling van het Europese continent in tweede delen in zekere mate een invloed uitoefende op het proces van Europese integratie en de daarbij horende pacificatie. Over de precieze oorzaken van deze omslag vinden we in dit boek echter niet zo veel informatie terug. In dit opzicht is het eerder descriptief van aard. Hoewel de beschrijving helder en overtuigend mag worden genoemd, blijft de lezer met een zekere honger achter met betrekking tot de vraag waarom de transformatie van Europa plaatsvond. In de inleiding wordt er vaag verwezen naar de invloed van modernisering, democratisering en industrialisering, echt concreet wordt dit niet. Het enige argument lijkt bijgevolg historisch van aard. Omdat de eerste decennia van de Europese geschiedenis zo gruwelijk waren, vond er in de decaden nadien een kentering plaats. De brutale geschiedenis wordt zo een argument voor de negatie van dit proces van barbarij tijdens het verdere verloop van de 20ste eeuw. Hoe het ook zij, de Europese samenlevingen ontwikkelden zich na de tweede oorlogen tot civiele staten. Wanneer we kijken naar het militarisme tijdens de 19de en het begin van de 20ste eeuw valt er veel te zeggen voor deze ontwikkeling.

6.

De civiele staat vond zijn oorsprong in de ontwikkelingen na de tweede wereldoorlog en de aanvang van het proces van Europese integratie. Eťn van de meest opvallende kenmerken van deze staat is de afname van het belang van militaire waarden in het voordeel van commerciŽle en economische waarden. Sheehan merkt een verandering op in de politieke legitimiteit van de staat. Steeds meer was deze te vinden in het verzorgen van economische welvaart, sociale stabiliteit en materieel welzijn in plaats van het garanderen van fysieke bescherming. Daar waar staten geacht werden om sterk te zijn op het internationale politieke toneel, werden ze in de loop van de eeuw steeds meer geacht om zich te richten op het handhaven van een goed leven voor haar burgers. Het is onmiskenbaar dat dit proces hand in hand ging met de opkomst van de welvaartstaat. Eťn van de ontwikkelingen die door Sheehan wordt beschreven is de afname van het defensiebudget en de gerelateerde toename van het budget voor sociale en publieke uitgaven. Het geld dat door staten werd gepompt in het onderhouden van een krachtig leger werd langzaam aan overgeheveld naar het creŽren van een goed leven voor de burgers. In Europa ontstond een consumptiemaatschappij die erg verschilde van de militaire samenleving die haar voorafging. Een opmerkelijk domein waar Sheehan de transformatie kan waarnemen is het proces van dekolonisering. Op bladzijde 169 lezen we hierover het volgende: ďThe Europeans had lost not only the ability but also the will to retain their empires, they no longer assumed that they could and should dominate the globeĒ.

Dekolonisering was met andere woorden het gevolg van de veranderingen in de Europese samenleving en de perceptie van de eigen identiteit van de Europese landen. Niet langer aanzagen ze het als mogelijk -of noodzakelijk- om wereldwijde rijken te onderhouden. Het proces van dekolonisering volgde als het logische resultaat van een verandering in zelfperceptie die gepaard ging met de overgang van een militaire naar een civiele staat. Ook hier speelde de welvaartstaat een grote rol. Het geld dat niet meer nodig was voor het onderhouden van de rijken kon immers worden besteed aan het verhogen van de welvaart van de burgers. De afname van de cultuur van geweld was ook zichtbaar in de breedte. Tijdens de jaren zeventig konden landen uit de periferie van Europa het juk van dictatoriaal bestuur afwerpen in het voordeel van democratisch bestuur. Zowel Griekenland, Spanje als Portugal volgde dit pad en werden een volwaardig lid van de Europese gemeenschap. In Centraal en Oost Europa was de verspreiding van de cultuur van pacifisme zichtbaar in de graduele instorting van het communistische rijk. Sheehan wijst hier op een opmerkelijke overeenkomst met het proces van dekolonisering. Beide processen verliepen relatief vreedzaam en ontwikkelden zich na een bewuste beslissing van het centrum om niet langer vast te klampen aan de onderworpen gebieden in de periferie. Het communistische blok kwam ten val toen de leiders in Moskou beslisten om niet langer geweld te gebruiken om de eisen tot onafhankelijkheid in de satellietstaten te onderdrukken. De val van het Sovjet-communisme kan gezien worden als een verspreiding van een cultuur van pacifisme van onderaf. Getuige hiervan de rol van de publieke sfeer en intellectuelen in de graduele ontmanteling van de communistische heerschappij.

7.

De toekomst van de wereldorde is afhankelijk van de manier waarop we er over nadenken en spreken. Wanneer we de wereld blijven definiŽren als een broeihaard van gevaar en geweld zal ook het politiek handelen gericht zijn op deze premisse. Dit was de strategie van de Amerikaanse neoconservatieven die G.W. Bush op een dramatische wijze in een oorlog hebben gestort in Irak. De nadruk van de realisten op de noodzaak van oorlog en conflicten tussen staten kan met andere woorden een zichzelfwaarmakende gedachte worden. Vanzelfsprekend mag men niet blind zijn voor bestaande gevaren. Het zou te ver gaan om te beweren dat de realiteit geheel afhankelijk is van onze manier van denken en spreken, desondanks mag de performatieve invloed van taal niet over het hoofd worden gezien. De conclusies van dit boek en de beoordeling van de rol van Europa in de wereld centreren zich grotendeels rondom dit dilemma. Dit blijkt in de benadering van de werken van de Amerikaanse politieke wetenschapper John Mueller in de inleiding van Where Have All The Soldiers Gone? Mueller schreef de afgelopen 20 jaar twee invloedrijke boeken over de toekomst van oorlog. In 1989 was dat Retreat from Doomsday: The Obsolesence of Major Wars en in 2004 The Remnants of War. In deze werken verkondigde hij het einde van oorlogen tussen grootmachten zoals die in het verleden vaak zijn voorgekomen. In de inleiding kunnen we lezen dat James Shehaan niet akkoord gaat met de stelling van Mueller: ďthe obsolesence of war is not a global phenomenon but a European one, the product of Europeís distinctive history in the twentieth historyĒ.

Zoals gezegd is het doel van dit boek naast het beschrijven van de transformatie van Europese samenlevingen tijdens de twintigste eeuw ook het formuleren van expliciete aannames over de toekomst van de wereldorde, de principes die deze wereldorde zullen reguleren, en de plaats van Europa. Hoewel James Sheehan positief staat ten aanzien van de transformatie van de Europese staten in de afgelopen eeuw, wijst hij ook op de beperkingen die deze verandering met zich meebrengen binnen het kader van de mondiale politiek. Hiermee plaatst hij zich tegenover denkers die de laatste jaren een grote nadruk hebben gelegd op de soft power van Europa. Een voorbeeld hiervan is de Britse politieke wetenschapper Mark Leonard. In 2005 schreef hij het boek Why Europe Will the Run the 21st Century waarin hij de toenemende invloed van de EU op de wereldpolitiek beschrijft. Vergelijkbaar is het boek The European Superpower van de professor politieke wetenschappen James McCormick. Hij publiceerde dit boek zopas in 2007 bij het gerenommeerde Palgrave. Uit hun analyses blijkt dat de civiele staat van Europa wel eens meer invloed zou kunnen uitoefenen op globale ontwikkelingen dan Sheehan suggereert. Aangezien wetenschappers zoals Leonard en McCormick de neiging hebben om al te positief te staan ten aanzien van de EU en blind lijken voor internationale conflicten en de uitdagingen voor liberale democratieŽn, is het een interessante zaak om hun visies te vergelijken met deze van James Sheehan.

Zal de wereld in de toekomst vreedzamer zijn dan vandaag de dag? Zal de transformatie die de Europese staten tijdens de 20ste eeuw hebben doorgemaakt zich ook voordoen in andere delen van de wereld? Zal het Europese model van soft power geen grote invloed uitoefenen op de toekomstige wereldorde? Of krijgt Mark Leonard gelijk en wordt de EU de leidende supermacht tijdens de 21ste eeuw? Dit zijn vragen die momenteel onmogelijk zonder gissen beantwoord kunnen worden. Wel is het zeker dat onze perceptie van de wereld, en de manier waarop we over de wereldtoestand spreken, een invloed zal hebben op ontwikkelingen in de toekomst. Hoe die ontwikkelingen er zullen uitzien is koffiedik kijken. Hoe dan ook staat ťťn gegeven als een paal boven water. De afgelopen eeuw onderging Europa een radicale transformatie die hartverwarmend is voor al diegenen die streven naar vrede en stabiliteit. Om deze ontwikkeling goed in onze oren te knopen is het boek van Sheehan van onschatbare waarde. Ondanks zijn tekortkomingen, en de kritische bespiegelingen over de implicaties van de finale conclusies, is dit immers een boek dat zeker de moeite loont om te lezen.


Recensie door Christophe Andrades



De recensent is docent aan de Universiteit van Maastricht



Noten:

Bauman, Z. (2004). Europe. An Unfinished Adventure. Cambridge: Polity Press.

Beck, U. (2006). Cosmopolitan Vision. Cambridge: Polity Press.

Beck, U. , Grande, E. (2007). Cosmopolitan Europe. Cambridge: Polity Press.

Habermas, J. (2001). The Postnational Constellation. Cambridge: Polity Press.

Judt, T. (2008). Reappraisals. Reflections on the Forgotten Twentieth Century. New York: The

Penguin Press.

Kagan, R. (2002). Power and Weakness: Why the United States and Europe See the World Differently, Policy Review 113: 3-28.

Kagan, R. (2008). The Return of History and the End of Dreams. New York: Alfred Knopf.

Leonard, M. (2005). Why Europe Will Run the Twenty-First Century. London: Fourth Estate.

McCormick, J. (2007). The European Superpower. Basingstoke: Palgrave Macmillan.

Mueller, J. (1989). Retreat from Doomsday: The Obsolesence of Major Wars. New York: Basic Books.

Mueller, J. (2004). The Remnants of War. Ithaca: Cornell University Press.

Wasserstein, B. (2007). Barbarism and Civilization. A History of Europe in Our Time. Oxford: Oxford University Press.

Sheehan James, Where Have All The Soldiers Gone? The Transformation of Modern Europe. New York: Houghton Mifflin, 2008

Links
mailto:C.Andrades@PHILOSOPHY.unimaas.nl
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be