De duisternis tegemoet

boek vrijdag 07 februari 2003

Gitta Sereny

Wie de twintigste eeuw wil doorgronden kan niet voorbij aan de holocaust. Over dit onderwerp verschenen reeds talloze boeken. Een van de meest beklijvende is alvast de bespreking van de figuur van Franz Stangl, kampcommandant van Treblinka, door onderzoeksjournaliste Gitta Sereny in het boek De duisternis tegemoet. De eerste uitgave verscheen reeds in 1974 maar pas sinds kort is de volledige tekst ook vertaald in het Nederlands. De levensloop van Stangl is uitzonderlijk omdat hij betrokken was bij de meest geheime operaties van de nazi’s inzake het uitschakelen van zogenaamd ‘unwertes Leben’. Van politieambtenaar in het Oostenrijkse Linz werd hij vanaf november 1940 tot februari 1942 ingezet als directeur van het Instituut voor Euthanasie in Schloss Hartheim. Hier leidde hij het zogenaamde T4-programma, dat staat voor de naam van een gebouw in de Tiergartenstrasse in Berlijn van waaruit de opdrachten werden gegeven voor actieve euthanasie op lichamelijk en geestelijk gehandicapten in Duitsland en Oostenrijk en later van ‘Endlösung’, de uitroeiing van de joden. Van maart 1942 tot september 1942 was hij commandant van Sobibor en van september 1942 tot augustus 1943 commandant van Treblinka. Hiermee was Stangl één van de vier mannen die de leiding hadden over de eerste nazi-vernietigingskampen. Nadien werd hij ingezet tegen partizanenakties in Noord Italië. Na de oorlog vluchtte hij met hulp van het Vaticaan naar Syrië en later naar Brazilië. Daar werd hij na een zoektocht door Simon Wiesenthal in 1967 opgepakt en uitgeleverd aan Duitsland. Eind 1970 werd het door de rechtbank van Düsseldorf tot levenslang veroordeeld. In juni 1971 overleed hij er aan een hartaanval.

Het werk van Gitta Sereny is uitzonderlijk. Zo interviewde ze niet alleen Stangl zelf maar ook zijn vrouw en schoonzuster en tal van andere voormale SS’ers die met Stangl samenwerkten, zowel in het T4-programma als in Sobibor en Treblinka. Daarnaast had ze exclusieve gesprekken met de enkele (zeldzame) overlevenden van deze vernietigingskampen. Tenslotte interviewde ze ook enkele betrokkenen bij het ontsnappingsnetwerk van de katholieke Kerk te Rome en personen die contacten onderhielden tussen het Vaticaan en nazi-Duitsland. Op basis van die talloze gesprekken met Stangl in de gevangenis en met zijn familie en overlevenden toont Sereny ons de man zoals hij zichzelf zag en zoals hij door vele anderen werd gezien. Het is een poging antwoord te vinden op de vraag hoe gewone mensen konden veranderen in werktuigen van zulk onvoorstelbaar kwaad. De aanklachten tegen deze man waren ook niet gering: medeverantwoordelijk voor de dood op duizenden geestelijk en fysiek gehandicapten in Hartheim en medeverantwoordelijk voor de dood van minstens 900.000 mensen in Sobibor en Treblinka.

Dit alles levert een hallucinant beeld over de werkwijze van de nazi’s en de vlotte morele inzetbaarheid van daders die uit sterk christelijk geïnspireerde landen als Oostenrijk en Duitsland kwamen. In zijn ‘verantwoording’ neemt Stangl geen echte verantwoordelijkheid op voor de moorden. Hij ziet zichzelf als de uitvoerder van beslissingen die van hogerhand werden opgelegd en waaraan hij zelf niet letterlijk deel had. Telkens weer herhaalt hij dat hij zich alleen verantwoordelijk achtte voor de daden die hij zelf uit ‘vrije wil’ had gedaan. Aangezien hij zelf geen mensen had vermoord (letterlijk dan) voelde hij zich niet echt schuldig. Een ander arument was het gebrek aan alternatief. Volgens Stangl was het kiezen tussen uitvoeren of een (volgens hem waarschijnlijke) dood voor hemzelf en eventueel ook voor zijn gezin. Voor de rest walgde hij naar eigen zeggen van wat er gebeurde. Zelfs geconfronteerd met ooggetuigenverslagen dat hij bij de aankomst van de treinen en bij het naar de gaskamers drijven van de joden steeds aanwezig was in een opvallend wit uniform ziet Stangl geen misstap. Het enige dat hem bezighield was het draaiende houden van het kamp.

Sereny maakt een onderscheid tussen de diverse kampen. Reeds voor de oorlog bestonden er concentratiekampen, vooral bedoeld voor het opsluiten van politieke gevangenen. Maar het eerste echte vernietigingskamp kwam in Chelmno in december 1941 (waar men nog gaswagens gebruikte), gevolgd door Belzec (maart 1942), Sobibor (mei 1942) en Treblinka (juni 1942). Ze lagen allemaal op een afstand van 300 kilometer rond Warschau. Geen enkele van deze kampen bestond langer dan 17 maanden. Daarna werden ze door de SS van de kaart geveegd. In die kampen waren de overlevingskampen bijzonder klein. Volgens officiële Poolse schattingen zijn hier ongeveer 2 miljoen joden en 52.000 zigeuners omgebracht. Slechts 82 mensen hebben deze vier kampen overleefd. In de andere concentratiekampen werden ook mensen doodgeschoten, vergast en stierven honderdduizenden door honger, ziekte en ontbering. Maar zelfs in Birkenau, het vernietigingskamp van Auschwitz (waar ongeveer 860.000 joden werden vermoord), was er nog een overlevingskans. Als men de plattegronden van Sobibor en Treblinka bekijkt dan merkt men dat alles er in het teken stond van de uitroeiing. Er waren weinig barakken, alleen voor de werkjoden en voor de Duitse bewakers.

In zijn gesprekken met Sereny legt Stangl uit hoe zijn ‘dagtaak’ eruit zag. daarbij spreekt hij nooit over mensen of joden maar over ‘vracht’. Elke trein die toekwam bevatte zo’n 5.000 mensen. Binnen enkele uren waren ze allemaal dood. Alleen het verbranden van de lijken duurde langer. Franciszek Zabecki was conducteur van het station in Treblinka vanaf mei 1942 tot het werd geliquideerd. Als lid van het Poolse verzet rapporteerde hij alle in- en uitgaande treinen. Op die manier heeft men een goed idee van het aantal vermoorden. Na de oorlog verwezen de meeste Duitsers en Polen, en ook de Westerse geallieerden, naar het feit dat ze niet wisten wat er met de joden gebeurde. Dit klopt niet. Volgens Stangl wisten zowat alle Polen die tussen het kamp en Warschau woonden wat er gaande was. Gewone boeren bewerkten zelfs het land rondom het kamp en heel wat boeren kwamen ruilen met de bewakers (vaak ook Oekraïners) van het kamp. Maar er waren ook andere getuigenissen die tot bij de geallieerden geraakten. Onder andere van Szmul Zygielbojm, een kopstuk van de Joodse Socialistische Bond, die uit Polen was ontsnapt en in juli 1942 getuigenis aflegde voor de BBC-wereldomroep. Op 1 augustus 1942 zond Gerhart Riegner naar rabbi Wise in de VS over 3,5 tot 4 miljoen joden die werden uitgeroeid. Enzovoort. Ook in andere werken wordt aangegeven dat de geallieerden op de hoogte waren (zie Hitlers Paus - De verborgen geschiedenis van Pius 12 van John Cornwell, uitgeverij Van Halewijck, 1999, nvdv).

De geschiednis van Treblinka is ook bijzonder omdat hier op 2 augustus 1942 de eerste grote joodse opstand plaatsvond. Rond drie uur in de middag gingen de werkjoden in de aanval. Ze staken barakken en installaties in brand. Enkelen konden vluchten, maar na een enkele uren was alles weer onder controle en vele vluchtelingen werden nadien gevonden en doodgeschoten. Ook in Sobibor gebeurde er op 14 oktober een opstand. Het zijn symbolisch belangrijke verzetsdaden geweest omdat ze ingingen tegen het beeld dat de joden zich nooit zouden hebben verzet tegen de Endlösung. Na de opstand werd Treblinka volledig ontmanteld (er werden nadien zelfs boompjes geplant om zoveel mogelijk te camoufleren). De treinen werden doorgestuurd naar Sobibor (en later naar Auschwitz).

Hierna werd Stangl, samen met de meeste van zijn medewerkers, overgeplaatst naar Triëst om er te vechten tegen de partizanen. Daar bleef hij tot het einde van de oorlog. Hij werd gevangen genomen en in een VS-kamp opgesloten (in Glasenbach). Na enige tijd wist hij te ontsnappen en trok naar Rome. Daar kreeg hij geld en steun van bisschop Hudal om weg te geraken naar Syrië. In het laatste hoofdstuk tracht Sereny de rol van de Kerk te onderzoeken. Zowel rond de gedwongen euthanasie als bij de uitroeiing van de joden was het Vaticaan en dus de paus blijkbaar in een vroeg stadium op de hoogte. De veroordeling van de gedwongen euthanasie kwam er pas laat, nadat ongeveer 150.000 slachtoffers vielen. Een echte veroordeling van de moord op de joden kwam er niet. Alleen in zijn kerstboodschap van 1943 veroordeelde de paus indirect de moord op mensen ‘vanwege hun nationaliteit of afstamming’.

Over het hoe en waarom van de stilzwijgen staat meer te lezen in andere boeken. Ondermeer in het boek van John Cornwell. De deportatie van de Romeinse joden gebeurde pas op 16 oktober 1943. De joden werden in open vrachtwagens weggevoerd. Ze reden langs het Vaticaan waar de paus zat die 500 miljoen gelovigen achter zich had staan en dus machtig genoeg was om te kunnen protesteren, maar dat niet deed. Tussen 15 mei en 7 juli 1944 werden 437.000 Hongaarse joden gedeporteerd naar en vergast in Auschwitz met behulp van de Hongaarse autoriteiten waaronder 3000 Hongaarse politieagenten. De kerkelijke overheid wist dit maar reageerde niet. Voor alle duidelijkheid : verschillende leden van de lagere clerus hebben wél geprotesteerd en tal van geestelijken en kloosterordes hebben zware risico’s genomen door joden te verstoppen.

Het boek van Sereny is ook belangrijk als onweerlegbaar bewijs over de uitroeiing van de joden in de vernietigingskampen van de nazi’s. Het vormt samen met andere boeken, foto’s en films (oa. de negen uur durende film Shoah van Claude Lanzmann) het beste wapen tegen het negationisme. Vooral het feit dat niet alleen slachtoffers en overlevenden aan bod komen, maar ook de daders en uitvoerders zelf, van kampen die door de SS in de loop van de oorlog nog werden geliquideerd, geeft dit boek een uitzonderlijke historische betekenis.

Gitta Sereny, De duisternis tegemoet, Het Spectrum, 2001.



Recensie: Dirk Verhofstadt (verhofstadt.dirk@pandora.be)

Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be