De ringen van Saturnus

boek vrijdag 26 oktober 2007

W.G. Sebald

Strikt gezien kun je alleen maar flaneren door een stad. Je laat je meevoeren door de anonieme straten en aanschouwt de mensen om je heen als brachten ze louter voor jouw plezier een toneelstuk op scène. Hier raak je aan de praat met de een en daar wordt je aandacht getrokken door de ander, maar finaal blijf je altijd je burgerlijke afstandelijkheid bewaren en heb je je persoonlijke mening over wat er allemaal gebeurt. Je associeert en denkt terug aan het verleden en zo sprokkel je een verhaal bij elkaar. In De ringen van Saturnus ontpopt W.G. Sebald zich als een plattelandsflaneur, waarbij de stilaan in verval rakende huizen vervangen zijn door afstervende bomen en we in de immer voortklotsende Noordzee reminiscenties zien van de Parijse Seine.

Sebalds boek is de neerslag van een wandeling die hij in 1992 maakte door het graafschap Suffolk, in het noordoosten van Engeland. De man kende die streek goed aangezien hij er woonde sinds 1970, toen hij hoogleraar Duits werd aan de University of East Anglia in Norwich. De naam Suffolk doet bij de meesten onder ons niet meteen een belletje rinkelen. Het bekendst werd die streek door Graham Swifts roman Waterland, die de immer platte, met kleine riviertjes doorkruiste wereld een plaatsje schonk op de kaart van de wereldliteratuur. Maar voor de rest? Veel valt er dan ook niet te beleven. Er is geen industrie en de vis is bijna op. Hele dorpen staan zo goed als leeg en van Dunwich, tijdens de middeleeuwen op Londen na de grootste stad van Engeland, blijven vandaag alleen nog maar een paar huizen over. De rest is samen met de afkalvende rotsen in zee gestort. Door dit landschap maakt Sebald zijn wandelingen, met een reisgids van het begin van de twintigste eeuw onder de arm om duidelijker de afdruk van de tand des tijds te kunnen zien.

En het begint al goed. Zijn eerste bestemming is immers Somerleyton, een landhuis met geschiedenis dat hij met de trein probeert te bereiken. Wanneer het oude diesellocje in het station stopt, blijkt hij de enige te zijn die uitstapt. Tot zijn ontzetting merkt hij niet veel later dat het pad van het station naar het huis gebarricadeerd is. Tegenwoordig komt immers iedereen met de auto, zo blijkt. In de tuin van het landhuis merkt Sebald dat er een pretpark in gevestigd is om de onderhoudskosten van het historische patrimonium te betalen. Er zijn molens, bootjes op de vijver en er rijdt zelfs een miniatuurtreintje rond waarin de kinderen samen met enkele gedresseerde dieren een toertje kunnen maken. Helemaal voorop, de machinistenpet stevig op het hoofd en de kaartjesknipperstang aan zijn koppelriem, zit de heer des huizes, Lord Somerleyton zelve, The Queen's Master of the Horse.

Sebald lijkt niet echt een plan te hebben tijdens zijn wandelingen. Hij stapt maar wat rond en kijkt wat er te zien is. Zijn grote voorbeeld in deze is Thomas Browne, een zeventiende-eeuwse magister die onder meer een nog steeds in druk zijnd boekje over begrafenisrituelen heeft geschreven en het Musaeum Clausum, een boek dat een overzicht bevat van alle verloren gegane boeken, schilderijen en andere objecten, en daardoor een van Borges' lievelingsboeken was. Volgens Browne - niet toevallig herontdekt door de romantici - was de wereld fundamenteel onkenbaar en bleef de mens altijd een taster in het duister. Het enige wat hij kon doen, was zo veel mogelijk beschrijven en op zoek gaan naar parallellen en terugkerende thema's. Op die manier zou hij een landweg uit de chaos kunnen vinden. Zo'n terugkerend thema in De ringen van Saturnus is de zijderups. We ontmoeten haar voor het eerst in het verhaal over de Chinese keizerin-weduwe Tz'u-hsi die vanaf de jaren 1880 van haar land een uiterst decadent oord maakte en er niet voor terugschrok haar eigen kinderen te vermoorden zodat zij langer op de troon kon blijven.

Voor haar, aldus Sebald, waren de zijderupsen de ideale onderdanen: "dienstvaardig, bereid om te sterven, op korte termijn naar believen vermenigvuldigbaar, slechts op één voorbeschikt doel gericht en volkomen het tegendeel van mensen, die principieel niet te vertrouwen waren." De tweede keer duiken deze beesten op wanneer Sebald over Dunwich schrijft, waar de oudere Swinburne de rust opzocht en als een asgrijze zijderups door het leven ging. Naarmate het boek vordert lezen we niet alleen over de Ierse Ashbury's die zo verarmd waren dat ze eraan dachten zijderupsen te kweken in hun vervallen kasteel, we leren ook een en ander over de geschiedenis van Suffolk, en die blijkt heel sterk door de zijde-industrie bepaald te zijn. In de zeventiende eeuw werd de zijderups in dat graafschap geïntroduceerd en ze zorgde er voor een ongekende welstand. Zeker is dat dit via Frankrijk gebeurde, waar het koningshuis een ferme voorstander was van de zijde-industrie, maar hoe die rupsen daar dan weer beland zijn, weet niemand met zekerheid. Volgens een legende zouden de eerste westerse zijderupsen in een holle bamboestok China uitgesmokkeld zijn, en de beschrijving van die stok is natuurlijk terug te vinden in Brownes Musaeum Clausum.

Sebald blijkt een geboren verteller. Het ene verhaal loopt in het andere over zonder dat je het merkt. Van tijd tot tijd vindt de overgang plaats via een droom, andere keren via een eenvoudige associatie. Soms vindt hij een boek of een krantenartikel dat bij zijn verhaal aansluit en een enkele keer valt hij in zijn hotelkamer voor de tv in slaap, waardoor hij een documentaire over Roger Casement mist, waarna hij zelf op zoek gaat naar het levensverhaal van deze man. Via hem komt hij bij Joseph Conrad terecht, wat hem naar Kongo voert en laat nadenken over de invloed van dit land op zijn voormalige kolonisator: "Inderdaad bestaat er in België tot op de huidige dag een bijzonder soort lelijkheid, die door de periode van ongeremde uitbuiting van de Kongolese kolonie is gevormd en zich manifesteert in de macabere sfeer van bepaalde salons en in de opvallende mismaaktheid van de bevolking, zoals je die elders maar zelden aantreft." Na een paar voorbeelden richt hij zijn aandacht op het toppunt van die Belgische lelijkheid en die is voor hem de Leeuw van Waterloo en het panorama aan de voet ervan: "Dat is dus, denk je, terwijl je langzaam rondloopt, de kunst van het afbeelden der geschiedenis. Het berust op een vervalsing van het perspectief."

Sebald blijkt dus te beseffen dat objectieve geschiedschrijving niet bestaat. Ook zijn verhaal is er eentje vanuit het gezichtspunt van een bepaalde mens. De parallellen die hij aanduidt, zou een ander misschien niet eens opmerken. Overal waar hij komt, ziet Sebald ondergang en verval. Kastelen tuimelen in elkaar tot ruïnes, steden ontvolken tot dorpen, bossen verarmen tot woestijnen en genieën degenereren tot imbecielen. Dat is de gang van de wereld in de filosofie van de man die Sebald hier speelt, want in hoeverre is de Sebald uit het boek de Sebald die het neerschreef? Dat weet je nooit. In hoeverre deze filosofie zelfs de waarneming kan beïnvloeden, blijkt uit een van de indrukwekkendste passages uit het boek, waarin Sebald beschrijft hoe hij vanop een klif iets op het strand ziet liggen: "Het was een mensenpaar dat daar beneden lag, op de bodem van de groeve, dacht ik, een man, uitgestrekt boven op het lichaam van een ander wezen, waarvan niets anders zichtbaar was dan de gebogen, naar buiten gekeerde benen. En tijdens de een eeuwigheid durende schrikseconde waarin dit beeld door me heen schoot, had ik het gevoel dat er een stuiptrekking door de voeten van de man ging als bij een zojuist gehangene. Nu lag hij in elk geval stil, en stil en roerloos lag ook de vrouw. Wanstaltig als een grote, aan land gesmeten mollusk lagen ze daar, schijnbaar één lichaam, een van verre hierheen gedreven zeemonster met veel ledematen en twee koppen, het laatste exemplaar van een monstrueuze diersoort, dat met een oppervlakkig uit zijn neusgaten stromende adem zijn einde tegemoet doezelt."

De ringen van Saturnus is een prachtig boek, geschreven door een man die zes jaar geleden jammer genoeg veel te vroeg om het leven is gekomen. Net zoals Sebalds eerder vertaalde werken, met als meest bekende Austerlitz, bevat het een schatkamer aan verhalen en verhaaltjes die samen een onverwacht geheel vormen. Hij wil in ieder boek de wereld vangen, in al zijn complexiteit en zijn onbegrijpelijkheid, en hij acht het niet nodig daar een lesje bij te vertellen. Dat laat hij liever over aan de lezer, die, nadat hij de laatste bladzijde van het boek heeft omgeslagen, meteen ook weet wie er op Saturnus woont: de melancholici.


Recensie door Marnix Verplancke



Deze tekst verscheen eerst in De Morgen van 26 september 2007

W.G. Sebald, De ringen van Saturnus. Een Engelse pelgrimage, vertaald door Ria van Hengel. De Bezige Bij, Amsterdam, 296 p., 18,90 euro.

Links
mailto:egbert@liberales.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be