Ooggetuigen van Sobibor

boek vrijdag 25 maart 2011

Jules Schelvis

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden in Europa zes miljoen Joden vermoord door de nazi’s. Een groot deel van hen werden vermoord door Einsatzgruppen die achter het front in het Oosten massaal Joden doodschoten. Een ander groot deel werd gedeporteerd naar en vermoord in de vernietigingskampen in Bełżec, Chełmno, Majdanek, Sobibór, Treblinka en Auschwitz-Birkenau. Dat laatste kamp, Auschwitz, is het meest gekende ondermeer omdat het quasi intact in handen viel van de oprukkende Sovjets. De Duitsers hadden er enkel de gaskamers en installaties kunnen opblazen. Minder bekend zijn de andere kampen die ruim voor het einde van de oorlog door de nazi’s ontmanteld en vernietigd werden teneinde de sporen van hun massamoorden uit te wissen.

Toch raakte zowel tijdens als na de oorlog bekend wat er in deze kampen gebeurde onder meer door directe getuigenissen van zowel Duitsers als overlevenden. Zo rapporteerde SS-Obersturmführer Kurt Gerstein reeds tijdens de oorlog over de massale vergassingen in Bełżec en Treblinka. Andere informatie kwam er van de weinige Joden die erin geslaagd waren hun kamp te ontvluchten, in enkele gevallen na een opstand. Dat gebeurde ondermeer in Sobibór waar tussen april 1942 en november 1943 ongeveer 170.000 mensen werden vermoord, waaronder 34.000 uit Nederland. Op 14 oktober 1943 kwamen er 365 Joden in opstand. Ongeveer 200 konden ontsnappen, 50 maakten de bevrijding mee en voor zover geweten waren er begin 2010 nog zeven onder hen in leven.

Over het kamp en de bewuste opstand publiceerde historicus Jules Schelvis, een van de weinige Nederlandse overlevenden, het boek Ooggetuigen van Sobibór. Het is een bundeling van interviews die in 1983 en 1984 werden afgenomen van 13 overlevenden van de opstand, later aangevuld met informatie van 2 Poolse spoorarbeiders die werkzaam waren in de buurt van het kamp. Dank zij hun getuigenissen weten we hoe het kamp functioneerde. Het enige doel van Sobibór was het vernietigen van de ‘vijanden van het Derde Rijk’, doorgaans Joden, die vanuit diverse landen met de trein werden aangevoerd. De overgrote meerderheid werd onmiddellijk na aankomst vergast en vervolgens verbrand. De weinigen die in leven mochten blijven, werden verplicht om te helpen bij de vernietiging, het leeghalen van de gaskamers, het verbranden van de lijken, het sorteren van de kledij, het bouwen van nieuwe barakken en, voor vrouwen, het wassen van de kledij van de Duitsers en het breien van sokken en mutsen. De bewaking was in handen van enkele tientallen SS-ers en een groep Oekraïners, doorgaans ‘Volksduitsers’. De hele moordmachine stond onder leiding van SS-Gruppenführer Odilo Globocnik en SS-Oberscharführer Karl Frenzel.

Tot het einde van de oorlog was er over Sobibór heel weinig bekend. Alleen enkele Poolse treinmachinisten en spoorwegarbeiders uit de omgeving konden gedeeltelijk zien wat er zich in het kamp afspeelde. De gedeporteerden die uit de goederenwagons stapten, dachten dat ze dwangarbeid zouden moeten verrichten. Ze werden eerst naar een ruimte gebracht waar ze zich moesten uitkleden om te douchen en dan naar een afgesloten gebouw te gaan om ze te vergassen. De twee Poolse spoorwegarbeiders hoorden hoe mensen gilden en geslagen werden, honden die blaften en geweerschoten. Nadien roken ze hoe de verbrande lichamen. De overlevende Joden hadden het ‘geluk’ dat ze geselecteerd werden om mee te helpen in het kamp. Onder hen de Poolse vrouwen Esther Raab, Hella Weiss en Regina Zielinski die kousen en handschoenen moesten breien voor de SS-mannen. Zij zagen de stapels haar, brillen, kleding, schoenen en zelfs gouden tanden die dan met de trein naar Duitsland werden gestuurd. Vooraf sorteerden ze de kleren van de mensen die via transport waren toegekomen en vergast, waarbij ze soms een kledingstuk van hun eigen familieleden aantroffen.

De Poolse overlevende Thomas Blatt, die zijn memoires neerschreef over zijn gevangenschap in Sobibór, beschrijft hoe de aangekomen mensen misleid werden kwestie van geen paniek in het kamp te veroorzaken. Zo kregen ze eerst te horen dat ze er waren om arbeid te verrichten maar dat ze omwille van de hygiëne eerst onder de douche moesten. Ze moesten zich allemaal uitkleden, de haren van de vrouwen werden afgeknipt en daarna werden ze in de gaskamer geleid. ‘Daar stond SS-officier Bauer te wachten. Hij startte de motor van een grote Russische tank. Vervolgens hoorde ik vijftien minuten afschuwelijk gegil en gehuil. En dan was het stil’. Hoe goed georganiseerd de moordmachine draaide blijkt ook uit de plattegrond van Sobibór die getekend werd door Schelvis en achteraan in het boek staat. Je ziet hoe bomen en planten het kamp camoufleerden voor buitenstaanders. Het was opgedeeld in drie delen: Kamp I waar de bewakers en dwangarbeiders aten en sliepen, Kampt II waar men werkte en Kamp III waar de mensen vergast en verbrand werden. Het aantal SS-ers was in feite heel beperkt en de overlevende Kurt Thomas die als ziekenverzorger was, getuigt hoe SS-ers stalen en roofden. ‘Als ze na 42 dagen in het kampt gewerkt, dus gemoord, hadden, mochten ze achttien dagen met verlof naar Duitsland, en dan namen ze die achterovergedrukte spullen mee.’

Via een clandestiene radio waren de dwangarbeiders in de loop van de maand september 1943 op de hoogte van de opmars van de Sovjets. Toen rijpte het idee voor een opstand en een gezamenlijke vluchtpoging. Ze waren er immers van overtuigd dat de Duitsers geen getuigen in leven zouden laten. Op 22 september 1943 werd Alexander Petsjerski, een Joodse luitenant bij het Rode Leger, gevangen genomen en overgebracht naar Sobibór. Hij richtte er samen met de Poolse gevangene Leon Feldhendler een verzetsgroep op die de opstand van 14 oktober 1943 minutieus voorbereidde. Zowat alle geïnterviewden vertellen hoe dat in zijn werk ging. Eerst werden een tiental SS-ers met bijlen gedood, ze namen hun wapens en begonnen te schieten naar de gealarmeerde bewakers. Doel was de hoofdpoort te bestormen maar daar stond Frenzel met een machinegeweer. Uiteindelijk konden zowat 300 gevangenen via een opengesneden prikkeldraad ontvluchten. Verschillende onder hen liepen op landmijnen en waren op slag dood, maar daardoor kregen de volgende vluchters wel een vrije doorgang. Er volgde een klopjacht door de Duitsers waarbij nog veel ontsnapten werden gedood. Na de opstand besloten de Duitsers het kamp op te heffen. De sloop gebeurde door Joden uit het vernietigingskamp van Treblinka die op hun beurt werden doodgeschoten.

Bij de bevrijding van Sobibór in de zomer van 1944 werden in de omgeving nog een vijftigtal van de ontsnapte Joden aangetroffen. Zij hadden zich al die tijd schuil gehouden of zich aangesloten bij de partizanen. Enkele van de vluchters waren op eigen kracht verder geraakt en kregen daarbij te maken met Polen die hen op verschillende manieren behandelden. Zo meed Esther Raab elk contact met de lokale bevolking. Sommigen onder heb lagen juist op de loer om Joden te vangen en ze voor een beloning uit te leveren aan de Duitsers. Andere Polen hielpen dan weer op gevaar voor eigen leven, want wie Joden hielp werd doodgeschoten. Na de oorlog hebben sommige van de overlevenden hun beulen teruggezien en geïdentificeerd. Zo trok de Poolse overlevende Stanislaw Szmajzner naar Brazilië waar hij in 1968 Franz Stangl, die eerst commandant was in Sobibór en later in Treblinka, herkend. De katholieke bisschop Aloïs Hudal had hem daarvoor de nodige valse documenten en geld gegeven. Stangl werd door Brazilië uitgeleverd aan Duitsland. Szmajzner ontdekte in Brazilië ook Gustav Wagner, een van de meest wrede SS-ers in Sobibór die nadien zelfmoord pleegde omdat hij zou overgedragen worden aan het Duitse gerecht.

Uiteindelijk kreeg men ook Karl Frenzel te pakken, een van de ergste moordenaar in Sobibór. Enkele van de overlevende Joden getuigden op zijn proces. Frenzel was oorspronkelijk actief in de vernietigingscentra van Grafeneck, Bernburg en Hadamar (waar fysiek en mentaal gehandicapten werden vermoord), en vanaf 1942 in Sobibór. Hij stond bekend als een brutale en fanatieke bewaker, die persoonlijk Joden doodschoot en bezittingen van de slachtoffers stal. Hij was opgegroeid in een christelijk gezin, vond zichzelf geen antisemiet, was getrouwd voor de Kerk, ging naar de kerk en zijn kinderen waren gedoopt; zijn jongste zelfs in 1941. Toch had hij geen gewetensproblemen en vond hij dat hij zijn plicht gedaan had. Na zijn vrijlating werd hij in 1983 werd hij geïnterviewd door de Sobibór-overlevende Thomas Blatt. Op de vraag of zijn daden in die tijd niet in conflict waren met zijn religieuze overtuiging antwoordde Frenzel: ‘Neen, wij waren Duitse christenen. Al mijn kinderen waren christenen, zoals ikzelf. Mijn broer studeerde theologie. Mijn vrouw en ik gingen niet elke zondag naar de Kerk met het oog op de kinderen, maar toch om de twee of drie zondagen.’

Ooggetuigen van Sobibór is een uniek historisch document. Het is de verdienste van Jules Schelvis om de persoonlijke getuigenissen op een sobere en ingetogen manier aan bod te laten komen. Zoals hijzelf in het voorwoord schrijft moeten de interviews kritisch benaderd worden maar de verschillende getuigenissen vormen een deel vaan de puzzel waardoor de lezer stilaan maar zeker een totaal beeld krijgt van het drama dat zich in Sobibór heeft afgespeeld. Met zijn boek zorgt de bijna negentigjarige auteur er alvast voor dat het bestaan van dit kamp en de slachtoffers niet in de vergetelheid geraken.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Jules Schelvis, Ooggetuigen van Sobibor, Ambo, 2010

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be