De samenzwering

boek vrijdag 23 december 2005

Imre Kertész

De Hongaarse auteur Imre Kertész (1929) kreeg pas ten volle bekendheid door de toekenning van de Nobelprijs literatuur in 2002. Hij was sinds de jaren negentig al wel bekend bij westerse literati, bij een uitgelezen kransje van vooral Duitse kenners, maar in Hongarije bleef hij nagenoeg onbekend, ook al wordt hij door historici als het geheugen van zijn land aangemerkt. Het is bijvoorbeeld tekenend dat Kertész in de memoires van de Hongaarse filosofe Agnes Heller nergens ook maar een kleine verwijzing krijgt, terwijl zowat iedere Hongaarse intellectueel erin figureert: het in 1998 uitgegeven boek Agnes Heller. Het levensverhaal van de Hongaars-joodse filosofe door Janos Köbanyai (in 2002 in het Nederlands vertaald) is een ware fundgrube voor het twintigste-eeuwse Hongaarse geestesleven, maar dan zonder Kertész – en dat is zonde.Voor de petite histoire: onze eigen Antwerps-Gentse syncretistische wijsgeer Leo Apostel was ook door het werk van Agnes Heller geďnspireerd.

De verhalen, de romans en de essays van Imre Kertész zijn in wezen alle semi-autobiografische geschriften die geen vrolijk verhaal vertellen, noch over Europa noch over Hongarije noch over de geschiedenis van de mens tout court.. Wie én de judeocide in Auschwitz overleefde én daarna als ‘innere emigrant’ (en dus niet als dissident) moest overleven in een stalinistische dictatuur kan menselijkerwijs niet veel optimisme meer aan de dag leggen, bij hem of haar is in het beste geval de lucide neerslachtigheid de basishouding geworden, velen pleegden zelfmoord (Levi, Améry, Borowski, Kosinski, al is deze laatste beslist een twijfelgeval). De totalitaire ervaring, van welke signatuur ook, levert daarvan helaas het primaire getuigenis: dat bewijzen alle overlevingsauteurs, van Améry over Borowki, Durlacher en Kis, tot Levi en Tisma.

Hongarije verloor in 1920 als medeverliezer van de eerste wereldoorlog door de Vrede van Trianon tweederde van zijn grondgebied. Waarschijnlijk heeft het ressentiment dat hiermee gepaard ging de Hongaren ertoe verleid tijdens het interbellum driftig met Duitsland samen te werken. Aan het eind van de tweede wereldoorlog, toen de collaborerende admiraal Horthy door Hitler aan de kant was geschoven omdat hij een uitweg naar vrede zocht, werkte de Hongaarse politie onder Szalasi, de fanatieke duce van de Pijlkruisers, overijverig mee aan de op transportstelling van de joden. In juli 1944 werden 437.402 Hongaarse joden, meer dan de helft van hun gemeenschap, naar de gaskamers gestuurd; wat overbleef werd opgeëist voor tewerkstelling in de assemblagefabrieken van de V2-raketten en ging een dodenmars tegemoet.

Toen de Russen op 11 februari 1945 Boedapest bevrijdden, lagen er duizenden dode joden in de straten. Het is een voor ons bekend verhaal dat nog niet echt in de collectieve psyche van de Hongaren is doorgedrongen en dat door Kertész voortdurend op een soms vervreemdende en vrij rationele manier wordt beschreven: voor hem is de mens altijd een beetje schuldig, maar hij kan zich verzetten tegen het ‘noodlot’. Kertész blijft in al zijn geschriften echter een buitenstaander wiens enige echte vaderland de taal is, en om die taal alleen al, die compromisloze analysedrift van zijn schriftuur, moet men deze auteur lezen die van zichzelf zegt dat hij noch Hongaar noch jood is en daardoor, ook als gefęteerd auteur, een ongemakkelijke positie inneemt. Voor hem geen sacralisering van de jodenmoord maar een zo helder mogelijke röntgenfoto. Zijn rationaliteit is doordrongen van een koele emotionaliteit en legt daardoor des te klemmender beslag op onze verbijstering.

Als men na het Auschwitzinferno andermaal terechtkomt in een regime dat op een dystopische manier de mens dehumaniseert, dan is het niet verwonderlijk dat men zich uit de maatschappij terugtrekt. Kertész werkt en schrijft als vertaler verder maar voor het regime bestaat hij niet. Veel van zijn werk werd in het Nederlands vertaald en dit elektronische tijdschrift refereert er geregeld aan. Wat hij in ander werk in verband met zijn relatie tot Auschwitz deed, zien we nu weer opduiken in relatie tot het stalinisme in zijn pas in het Nederlands vertaalde roman De samenzwering uit 1976. Het is een werk dat in twee weken geschreven werd omdat een andere roman die hij bij de Hongaarse staatsuitgeverij had ingeleverd te dun werd bevonden; omdat een boek minstens uit tien vellen druks moest bestaan, moest de auteur iets aan het ingeleverde werk toevoegen: het werd De samenzwering, een roman die zich afspeelt in een Zuid-Amerikaans land dat model staat voor de perverse stalindictatuur en waarin de perfide mechanismen worden beschreven die plaatsvinden telkens als gewone mensen zich gedachteloos en vaak onverschillig overgeven aan het totalitaire denken.

Kertész gebruikt in deze roman de oude truc van het openbaar gemaakte manuscript, in dit geval een soort dagboek in de vorm van een verhaal van ene Antonio R. Martens, een modaal man die op een bijna plausibele manier zijn rol als beul beschrijft in een regime dat pas ten val werd gebracht. Hij zit nu op zijn beurt opgesloten en mijmert over de noodzakelijke functie van beul die hij met veel onthechting uitoefende. Hij ontkent zijn rol geenszins, beschrijft die koeltjes en maakt aannemelijk dat hij interessant maar zwaar werk had dat goed betaald werd, werk dat nu eenmaal gedaan moest worden als men de veiligheid van de Staat wilde garanderen. Hij geeft toe dat hij misschien wel een kleine hersenspoeling moest doormaken vooraleer als beul aan het echte werk te kunnen beginnen maar dat hij toch niet helemaal omgeturnd werd: “Ik hield nog genoeg van mijn oude ideeën over, in ieder geval veel meer dan die lui van het Korps wenselijk achtten, maar ja, ze zaten nu eenmaal dringend om mensen verlegen”. En dus rolt hij beetje bij beetje in het echte martelwerk en in de psychotische denkwijze van een dictatoriaal regime, dat uiteraard ook reminiscenties oproept aan ondermeer het Chili onder Pinochet of het Argentinië van Videla.

Het perverse van dit soort analyse van een marteldictatuur is de overtuigende wijze waarop Kertész ons als het ware op een nonchalante wijze rondleidt in het rijk van de beulen en in het hoofd van één van hen, dat hij zowel de echte sadisten als de meelopers schildert, de onnozele halzen die altijd wel een verontschuldiging klaar hebben maar ook de doortrapte ideologen. Op een bepaald moment is er voor Antonio R. Martens als beul geen weg meer terug, althans dat is zijn perceptie en zo drukt hij het ook uit in zijn nagelaten manuscript, maar Kertész lijkt daarmee aan te willen tonen dat wie eenmaal een bepaalde totalitaire logica heeft aanvaard, rijp is voor de mentale schroothoop, dat een weg terug wel degelijk mogelijk is als men maar niet gedachteloos (Hannah Arendt) leeft.

Kertész overleefde de naoorlogse Hongaarse periode in volslagen isolement, in een land dat de waanzin van de Radenrepubliek had meegemaakt, de witte terreur en de krankzinnige nachtmerries (Agnes Heller) van horthyisme, nazisme en stalinisme (de terreur tussen ’48 en ’56), de opstand van ’56 en het min of meer genormaliseerde goulashcommunisme. Hij overleefde dat alles in de anonimiteit, en dit in een Hongarije dat ook na de val van de Muur zijn verleden nog niet recht in de ogen durft te kijken. Kertész kende dus de mechanismen, die hij in zijn roman uit angst voor de censuur naar Zuid-Amerika transponeerde, zeer goed. Nu en dan schemert de Hongaarse situatie erdoor, bijvoorbeeld wanneer hij een van de beulen laat zeggen dat hij de arrestanten zo haat omdat het joden zijn.

Het sterke aan Kertész’ roman is de manier waarop hij de banale alledaagsheid van beulen toont, hun zwakheden ook, maar dat hij daar doorheen een vader en een zoon portretteert die door de geheime diensten worden aangehouden en gefolterd. Ook die geschiedenis, die doordrongen is van het basale gegeven dat men niet op het slechte moment op de verkeerde plaats moet zijn maar ook van de vaak averechtse logica van goede bedoelingen en vaderliefde, wordt door de beul tegelijk nonchalant en huiveringwekkend in zijn manuscript uit de doeken gedaan, ondermeer via het dagboek van de zoon dat hij na een huiszoeking in handen heeft gekregen. Het vormt literair technisch gesproken het dagboek van een slachtoffer in het manuscript dat deze beul wil nalaten. Het navrante hiervan is dat de auteur laat zien hoe ook de vader-zoonrelatie door de politiek als ideologie geďnfecteerd is. Niemand of niets ontsnapt aan de politiek, zeker de twintigste eeuw niet: dat is de onherroepelijke boodschap die de auteur ons meegeeft. Inderdaad, terreur en ideologie, het zijn de kerningrediënten van de vorige eeuw. En het ziet er naar uit dat onze prille eenentwintigste eeuw aan de infernale cocktail van terreur en ideologie nog een sinister element kan toevoegen waardoor het allemaal nog explosiever wordt: religie, in welke vorm ook maar meestal monotheďstisch, wat de psychose alleen maar groter maakt.

Imre Kertész schreef met De samenzwering een universele en spannende roman die meer zegt over de dehumanisering en de psychosen van totalitaire regimes dan om het even welk politicologisch geschrift. De aanval van de ideologie op de culturele waarden die we moeten koesteren, de kloof die er groeit tussen een humane cultuur en de politiek, de rationele analyse van het kwaad én de strijd van het individu tegen een verdrukkende en barbaarse globalisering van de holocaust (een religieus woord dat Kertész wel vaker gebruikt, al prefereer ik het concept ‘judeocide’) zijn kernthema’s van zijn oeuvre. In het omineuze en ontheemde gezelschap van Danilo Kis en Alexander Tisma, auteurs die beiden ‘het gebruik van de mens’ als thema hebben, misstaat hij absoluut niet en is hij via zijn nuchtere taalgebruik misschien wel de overtuigendste, al is de vergelijking die ik hier maak allicht pervers en ongepast.


Recensie door Wim van Rooy

Imre Kertész, De samenzwering, De Bezige Bij, 2005

Links
mailto:wimvanrooy@gmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be