De Jodenjagers van de Vlaamse SS. Gewone Vlamingen?

boek vrijdag 14 maart 2008

Lieven Saerens

In zijn zorgvuldig gedocumenteerde studie schetst Saerens een gedetailleerd portret van de Militärverwaltung en de SIPO-SD in Antwerpen tijdens WOII. Ook de lugubere opdracht van de Vlaamse vertalers- tolken (Dolmetschers) van de Judenabteilung wordt zorgvuldig uit de doeken gedaan, evenals de opdrachten van de algemene SS-Vlaanderen.

Naar het mij voorkomt is het de eerste keer in de Vlaamse geschiedschrijving dat (uiteindelijk) zoveel aandacht wordt besteed aan de rol van de collaboratie met het Derde Rijk in verband met de jodenvervolging in ons land. De auteur geeft bovendien toelichting bij de Antwerpse ‘Kristallnacht’ op paasmaandag 14 april 1941 en belicht de rol van ‘de boekhouder van de dood’: Pierre Beeckmans en de landelijke Anti- Joodse Centrale. Het is ook verdienstelijk dat de auteur de laakbare rol van ‘de professionals’ opheldert en daarbij terecht wijst op de ‘stille’ medewerking van verhuisfirma’s zoals die van Arthur Pierre, die zich illegaal verrijkte op de rug van weerloze joden (mannen, vrouwen en kinderen) door hen te vervoeren naar plaatsen vanwaar ze later gedeporteerd werden naar uitroeiingskampen, zoals Auschwitz.

Lieven Saerens besteedt ook heel wat aandacht aan de medewerking van de Antwerpse autoriteiten en politie aan de Jodenvervolging en stuit daarbij op de rol die ze speelden ten tijde van de Jodenrazzia’s in de zomer van 1942. Hoofdcommissaris Jozef De Potter en Tweede Schepen Leon Delwaide bleven op post. Deze laatste werd zelfs waarnemend burgemeester en later oorlogsburgemeester. Burgemeester Leon Delwaide was advocaat en als Katholiek politicus het boegbeeld van de Vlaamsgezinde vleugel van de Katholieke partij. Reeds vóór de oorlog had hij zich als xenofoob laten kennen. Reeds op 25 november 1933 had hij tijdens een vergadering van het schepencollege gesteld: ‘ik vraag welke uw (de socialistische Antwerpse burgemeester Camille Huysmans), inzichten zijn tegenover de scharen vreemdelingen die hier te Antwerpen […] onze veiligheid in het gedrang brengen. Ik vraag nu wat ge zult doen tegen velen van deze ersatzhandelaars die hier de laatste tijd zich gevestigd hebben en een groot gevaar opleveren voor onze middenstand; een des te groter gevaar daar de concurrentiemethodes soms allesbehalve koopmanschappelijk zijn.’

Delwaide nam weliswaar het woord Joden niet in de mond, maar het was duidelijk dat hij hierop alludeerde. Hij trok hier dus de middenstandskaart en hanteerde louter economische argumenten. Enkele jaren later zou hij echter ook de ‘racistische/völkische’ toer opgaan, tot zelfs in het parlement toe. Toen in 1936 Henri Buch tot rechter in het Antwerpse werd benoemd, lokte dat een storm van protest uit. Buch was van joodse afkomst en dat zat blijkbaar ook Delwaide dwars. ‘Volgens hem’, zoals hij op 16 februari 1936 in de KvV verklaarde, ‘konden alleen maar juristen worden benoemd die het streven, de cultuur, de mentaliteit en de gemoedsstemming van het Vlaamse volk kennen en begrijpen.’ Twee jaar later, tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1938, trok Delwaide de Katholieke lijst. Naar aanleiding daarvan verspreidden de Katholieken een pamflet, waarop afgebeeld stond hoe Joden samen met de socialistische burgemeester Camille Huysmans het stadspark ingetrapt werden.

Tijdens de bezetting radicaliseerde Leon Delwaide steeds meer. Op 15 juli 1940, de bezetting was amper twee maanden oud, had hij een vergadering met de Vereeniging van Belgische Diamantnijveraars (VBD), een patroonsorganisatie die duidelijk in het collaboratievaarwater zat en haar Joodse collega’s uit de diamantindustrie wou verdrijven. Delwaide kon zich in het VBD-standpunt vinden. Uit de notulen van de vergadering bleek dat hij stelde ‘dat de VBD aangewezen was om de diamantnijverheid, welke uitsluitend een Vlaamse nijverheid was, terug in handen te brengen van Vlaamse mensen.’ In augustus 1942 verleende de Antwerpse politie tot driemaal toe haar medewerking aan Jodenrazzia’s. Dat gebeurde telkens op vraag van de Duitsers, meer bepaald de Judenabteilung van de Antwerpse Sipo- SD. De Antwerpse hoofdcommissaris van politie en andere beleidsverantwoordelijken legden de Duitsers geen strobreed in de weg. Bij alle drie de razzia’s gaf de Antwerpse hoofdcommissaris, Jozef de Potter, vooraf duidelijke instructies hoe manschappen uit zijn korps, konden worden ingezet.

Contrast

Deze houding staat in schril contrast met de houding van de conservatief-katholieke oorlogsburgemeester van Brussel, Jozef Coelst. In Brussel lieten de Duitsers nochtans niet na om tot tweemaal toe de medewerking voor de Jodenrazzia’s te vragen. Reeds op 3 juli 1942 kreeg de Brusselse burgemeester, een brief van de Brusselse Oberfeldkommandantur. Coelst werd gevraagd om zijn politie ter beschikking te stellen voor de aanhouding van Joden die niet waren ingegaan op de convocaties van het Arbeitsambt. Het ging hier met name over de houding van ‘Atlantikwall-Joden’. Coelst weigerde echter in een schrijven van 6 juli 1942 elke medewerking. Hij verwees naar het feit dat zijn politie enkel voor administratieve aanhoudingen bevoegd was en dat was hier niet het geval. Indien het echter om aanhoudingen in het kader van criminele feiten zou gaan, zo argumenteerde hij verder, was alleen de Procureur des Konings bevoegd. Ook verwees hij naar de Conventie van den Haag uit 1907, die het internationaal oorlogsrecht regelde.

In tegenstelling tot de Antwerpse burgemeester Leon Delwaide, gaf Coelst dus een klare beleidslijn en tekende hij duidelijk zijn bevoegdheden uit. Op 3 september 1942, was het de Sipo-SD die de medewerking van de Brusselse politie trachtte te verkrijgen, waarbij ze om de inzet van 100 à 150 Brusselse politieagenten vroegen. Tevergeefs. De beleidsverantwoordelijken werden ondanks hun botte weigeringen op geen enkele manier gestraft, laat staan dat ze naar het Kamp van Breendonk of naar Duitse concentratiekampen werden gevoerd. Tijdens de bezetting lieten de Duitsers dus een zekere speelruimte aan de Belgische autoriteiten om bepaalde bevelen niet uit te voeren, zonder dat daarop een sanctie volgde. De massale medewerking van de Antwerpse politie aan de razzia’s in de zomer van 1942 was zonder twijfel een unicum in de geschiedenis van de Jodenvervolging in België.

In september van dat jaar kwam de Vlaamse SS aan zet, die zich ‘en bloc’ inzette. De auteur gaat uitvoerig in op de rol van 20 Vlaamse SS’ers en meer bepaald op de bijzondere inzet van vier SS vertrouwelingen. De sadistische roofmoordenaar, Felix Lauterborn, komt daarbij extra in beeld evenals jodenjagers René Bollaerts, Emiel Janssens en Joris Wiethase. Toen de heer Raymond Tanghe als omstaander tegen Bollaerts bij een aanhouding op de Plantin Moretuslei op 22 november 1942, opmerkte dat Bollaerts helemaal geen erbarmen met die aangehouden joden (‘ces pauvres gens’) had, antwoordde Bollaerts: ‘Met zo’n volk hebben wij geen medelijden’. En Janssens, de andere SSer, zou eraan hebben toegevoegd: ‘U hebt chance dat mijn revolver niet ging.’ De lezers krijgen ook een overzicht van de Jodenjagers in de rest van het land. Het Veiligheidskorps van Robert Verbelen bijt hierbij de spits af. Leden van Rex maakten zich zo mogelijk nog aan meer moorden schuldig, in het bijzonder op het einde van de oorlog.

Balans van de vervolging

Van de 55.670 op last van de Duitsers, geregistreerde Joden zouden er in totaal 24.906 worden gedeporteerd. De meeste werden bij aankomst onmiddellijk vergast! Slechts 1.194 Joden overleefden de oorlog en keerden naar België terug. Anders gesteld overleefde 42,90% van de geregistreerde Joodse Gemeenschap in België de oorlog niet. Van de door de Vereeniging van Joden in België in de periode maart-mei 1942 geregistreerde Joden uit Brussel, Luik en Charleroi werden respectievelijk 37, 33 en 38 % weggevoerd. Deze cijfers sloten aan bij het Belgisch gemiddelde. Het Antwerpse cijfer - hoezeer ook medebepaald door het verrassingseffect van de eerste razzia’s - is van een andere orde: hier werden 65 % van de Joden slachtoffer van de Endlösung! Door haar medewerking aan de razzia’s was de Antwerpse politie verantwoordelijk voor de aanhouding en deportatie van meer dan 3.000 Joden. Op termijn had de Antwerpse politie, door haar aandeel in de deportatie van de ‘OT-Joden’ (Organisation Todt), er voor gezorgd dat 1.000 tot 1.500 Joodse gezinnen van ‘OT-Joden’ uit Groot-Antwerpen als het ware gegijzeld waren. Achteraf bekeken, betekende de fase van de ‘OT-Joden’ evenzeer dat Groot-Antwerpen één van de voornaamste ‘reserves’ voor naar Auschwitz te deporteren Joden leverde. Dat alles doet onvermijdelijk het (indirecte) aandeel van de Antwerpse politie en autoriteiten in de Jodenvervolging toenemen. Daarnaast werd een groot deel van de Antwerpse Joden vanaf oktober 1942 door Vlaamse SS’ers aangehouden.

Oogjes dicht en snaveltjes toe

De feitelijke rol van een gedeelte van de mededaders, de Vlaams-nationalistische collaborateurs, verdween na de oorlog geleidelijk uit het collectieve geheugen, in het bijzonder uit dat van Katholiek ‘rechts’ Vlaanderen. Na de oorlog - tot ongeveer de jaren 1950 - werd op bepaalde momenten de oude draad weer opgenomen. Historicus Pieter Lagrou, aldus Lieven Saerens,heeft het in die context over het gebruik door katholieken van ‘een genetisch criterium van afstamming om te definiëren wie tot de natie behoorde en wie niet.’ Het is - ook in een breder kader - inderdaad opmerkelijk dat de oorlogsperiode geen echt maatschappelijk breekpunt vormde; die breuk zou er pas in de jaren 60 komen. Zo kaartte in 1946 het invloedrijke en talloze leden tellende Algemeen Christelijk Werkersverbond (ACW) opnieuw even het Jodenvraagstuk aan. Een artikel in de Gids op Maatschappelijk Gebied noteerde: ‘Wie kent niet de Jood met de vochtige glans voor zijn ogen, met zijn doordringende blik, zijn hartstochtelijk lispelend stemgeluid dat ons zo dikwijls afstoot.’

Ter oplossing van het Jodenvraagstuk, aldus nog steeds de Gids, kon in bepaalde gevallen overwogen worden om Joden hun ‘ politieke burgerrechten’ te ontnemen. Ter vervanging daarvan zou ‘een soort vreemdelingrecht’ van kracht worden, kon worden gepleit voor een ‘numerus clausus’ en moesten ‘de Joodse banken en andere financiële instellingen onder streng toezicht worden gesteld.’ Algemeen was er ook sprake van een ‘Joodse materialistische geest’ die enkel uit was op winst: ‘Wanneer een Jood woekerwinsten maakt, zal hij er over waken, dat alleen christen en het slachtoffer worden; zijn stamgenoot zal hij niet uitzuigen.’ Dit kon Hitler zelf bedacht hebben.

Dankzij Lieven Saerens wordt dit eindelijk - in 2007! - opnieuw onder de belangstelling gebracht. De Jodenvervolging stond in het naoorlogs Antwerps onderzoek nooit centraal, noch bij de epuratie, noch bij de gerechtelijke repressie. De beslissing van het militair gerecht hierin, gesteund door brede lagen van de publieke opinie, om niet tot een grondig onderzoek over de Jodenvervolging in Antwerpen over te gaan, blijft heel wat vragen oproepen. Dat alles toonde weinig of geen respect voor de slachtoffers en leek zelfs op collectieve medeplichtigheid. Het ging zelfs zo ver dat de Jodenjagers van de Vlaamse SS na de oorlog grotendeels aan onze aandacht ontsnapten. Een minderheid vluchtte naar het buitenland. Tweederden van hen, die wel werden gevat, kregen de doodstraf, maar die werd in Beroep in vele gevallen omgezet in levenslang. Al in 1951 kwam het gros van hen vrij, waarna in de loop van de volgende decennia de opvatting veld won dat de collaboratie het werk was van ‘Vlaamse idealisten.’

De franciscaan Renaat De Muyt (onder het pseudoniem Nemrod) publiceerde Het feest van de haat (Diksmuide, 1966) een brochure die beweerde dat ‘het feest van de haat’ pas tijdens de bevrijding was begonnen; bovendien werd het aandeel van het Vlaamse nationalisme in de Jodenvervolging totaal ontkend. De historicus vergiste zich. Het feest van de haat begon niet in 1944 maar wel in 1940. In 1967 was het de beurt aan Berkenkruis, het Tijdschrift van de oud-Oostfrontersorganisatie, om de genocide op het Joodse volk volledig te ontkennen.

De ontkenning van elke verantwoordelijkheid bij de Jodenvervolging bleef niet beperkt tot rechtse kringen, zo mocht blijken uit een vreselijk incident uit 1964 tussen Lode Craeybecks en een aantal Joodse Antwerpenaren. Craeybeckx, een doctor in de Rechten, was op dat moment al jaren socialistisch burgemeester van Antwerpen. Het gebeuren speelde zich af in een café op de Antwerpse Grote Markt. Aan zijn dochter deed Craeybeckx, de volgende dag (cursief YVS) het relaas van de feiten: ‘Op zeker ogenblik werd me verweten dat ik tijdens de oorlog niets had gedaan om de Joden te beschermen tegen de nazi-bezetter en toen heb ik die mensen gevraagd wat zij zelf hadden gedaan en waar zij zich bevonden tijdens de oorlog. Maar zij waren, omdat zij daartoe de middelen hadden, naar Amerika gevlucht, en de arme leden van de Joodse gemeenschap waren hier moeten blijven. En toen heb ik gezegd dat zij misschien beter waren vergast geweest in plaats van die arme sukkelaars.’

Over het gebeuren valt uiteraard heel wat te zeggen. Los van de term ‘vergassen’ verraadde het een ontstellend gebrek aan inlevingsvermogen in en reflectie over de situatie van de Joodse Gemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nog het meest essentieel was de boodschap dat de Joden in feite zelf voor hun deportatie verantwoordelijk waren. De Antwerpse omstanders hadden niets kunnen doen, alleen maar toekijken. In die visie werd de mogelijkheid dat de Antwerpse politie aan de deportatie had deelgenomen niet eens in overweging genomen.

Dankzij het voortreffelijk werk van Lieven Saerens werd dit in 2000 (!) mogelijk,met zijn studie over de geschiedenis van de joodse bevolking in Antwerpen (1880- 1944). Door zijn ontluisterende studie kon naderhand, in oktober 2007, op een Congres georganiseerd door het Forum van de Joodse Organisaties, burgemeester Janssens (SPA) en zijn schepencollege zijn verontschuldigingen aanbieden voor het gedrag van de toenmalige beleidsverantwoordelijken en politie in Antwerpen. Dankzij de alertheid van Michael Freilich, hoofdredacteur van Joods Actueel, kreeg dit historisch moment ook de nodige ruchtbaarheid.


Recensie door Yves Van de Steen

Lieven Saerens, De Jodenjagers van de Vlaamse SS. Gewone Vlamingen?, Uitgeverij Lannoo, Tielt, 2007, 301 blz., ISBN 9789020973846

Links
mailto:Yves.vandesteen@skynet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be