Hitlers privébibliotheek

boek vrijdag 27 maart 2009

Timothy Ryback

Over geen enkele historische figuur werden meer boeken geschreven dan over Adolf Hitler. Dat hoeft ook niet te verwonderen want de Führer was samen met Stalin een van de grootste massamoordenaars in de wereldgeschiedenis. Vandaar de drang van filosofen, psychologen, historici en andere publicisten om op zoek te gaan naar de drijfveren, de argumenten en vooral de inspiratiebronnen die tot een dergelijk crimineel gedrag geleid hebben. Een uitstekend middel daartoe is na te gaan welke boeken Hitler heeft gelezen en welke hem hebben geïnspireerd. Walter Benjamin stelde vroeger al dat ‘de boeken die iemand bezit veel over hem vertellen: zijn smaak, zijn interessen, zijn gewoonten.’ Een dergelijke studie verscheen reeds in 2001 onder redactie van Philipp Gassert en Daniel Mattern onder de titel Hitler Library, in feite een catalogus van 1.244 bekende boeken van Hitler, maar die enkel een fractie bevatten van wat de Führer in zijn bezit had. In 2007 pakte de historicus Michael Hesemann uit met Hitlers Religie waarin hij steunde op de herontdekking in 2001 van de bibliotheek van Hitler die gevonden werd in een zoutmijn in de buurt van Berchtesgaden en later terechtkwam in Washington DC. Het bevat tal van boeken over ‘het westerse occultisme, vanaf de oosterse mystiek tot de leer van Jezus’ waarmee Hesemann, weinig overtuigend, probeert aan te tonen dat Hitler aanstuurde op de uitroeiing van het christendom. Een globaal overzicht van de boeken van de Führer bleef echter uit.

In 2008 verscheen Hitlers privébibliotheek van Timothy Ryback, de directeur van het Institute for Historical Justice and Reconciliation in Den Haag. Hij detecteerde meer dan 16.000 boeken die Hitler op diverse plaatsen in zijn bezit had. Uiteraard had de Führer die niet allemaal gelezen. Interessanter is dan ook het onderzoek van Ryback naar die boeken die Hitler als jongeman aankocht, de exemplaren die hij ook effectief gelezen heeft (ten bewijze de aantekeningen en opmerkingen die hij erin maakte), en de werken die hij van medestanders ontving met een bijzondere dedicatie. Dat de latere dictator wel degelijk artistieke interesses had, blijkt niet alleen uit het feit dat hij tal van landschappen tekende en schilderde maar ook uit de aankoop in 1915 van een boek van Max Osborn over de geschiedenis van de architectuur, een onderwerp dat hem zijn hele leven intrigeerde. Toen de geallieerden massaal en systematisch de Duitse steden plat bombardeerden, zei Hitler aan Albert Speer dat hij dit niet erg vond. Op de ruines van de Duitse steden, en van Berlijn in het bijzonder, zou men dan immers het nieuwe Germania kunnen bouwen. Steden met megalomane lanen en pleinen die de grootsheid van het regime moesten benadrukken en de tand des tijds moesten doorstaan.

Hitler werd al snel beïnvloed door meer politieke en filosofische geschriften, zoals Dietrich Eckarts bewerking van het toneelstuk Peer Gynt van Hendrik Ibsen. Eckart was een virulente antisemiet en gaf zijn jodenhaat via zijn geschriften door aan tal van extreme nationalisten. In zijn gedichten had hij het voortdurend over de Ausrottung en Vernichtung van de Joden. Dergelijke termen waren toen geen eufemismen, maar synoniemen voor massamoord op de niet-arische mensen. Dat las Hitler al in een vroeg stadium en het blijft gissen hoezeer dit boek en andere antisemitische werken van invloed waren op zijn mensbeeld. Want tegelijk bezat hij ook moreel hoogstaande werken van Montesquieu, Rousseau en Kant. Maar ook van Oswald Spenglers Der Untergang des Abendlandes. Dat laatste werk moet hem bijzonder getroffen hebben, net als werken van Houston Stewart Chamberlain, Lüther, Schopenhauer en Richard Wagner die elk op hun manier virulent tekeergingen tegen de Joden. Zelf schreef Hitler zijn antisemitische boek Mein Kampf in 1923 toen hij in gevangenisschap zat wegens een coup tegen het toenmalige regime en waarin hij ideeën verwerkte van het boek Rassenkunde des deutschen Volkes van Hans Günther en The International Jew van Henry Ford. Uiteindelijk werd zijn boek mee geredigeerd door een Beierse priester, Bernhard Stempfle, die regelmatig bijdragen schreef in allerlei antisemitische bladen.

Hitler werd ook beïnvloed door Ernst Jünger die zich keerde tegen de pacifistische lectuur van destijds, zoals het boek Im Wetsen nichts Neues van Erich Maria Remarque. Voor de latere Führer had het individu geen enkele waarde maar moest het zich onderwerpen aan het belang van de volksgemeenschap. Diezelfde redenering dreef Hitler in de armen van Nietzsches zuster, een radicale jodenhaatster, die inkomsten verzamelde voor een museum voor haar illustere broer. Maar de meeste invloed ging uit van Johann Gottlieb Fichte die verkondigde dat de Duitsers een uniek volk vormden onder de Europese volkeren. Fichte geloofde ook dat ‘de Joden altijd een staat binnen een staat zouden blijven en dus een bedreiging waren voor een verenigde Duitse natie’. Tegelijk werd Hitler bestookt met pseudo-wetenschappelijke werken van Lehmann Verlag over het biologisch racisme en de superioriteit van het (Duitse) blanke ras. Cruciaal waren daarin de werken van Paul de Lagarde. ‘Alle macht van Duitsland zal in de daden van de staat tot uiting komen, en de staat die alleen de dienaar van het volk behoort te zijn, zal de meester van de afgevaardigden van het volk worden.’ Het was in dergelijke boeken dat de jonge Hitler zijn aantekeningen maakte en uitroeptekens plaatste naast verschillende passages over het ‘Joodse vraagstuk’.

Een ander interessant boek dat goed de relatie blootlegt tussen Hitler en de Rooms katholieke kerk is Die Grundlagen des Nationaalsozialismus; eine ideengeschichtliche Untersuchung van de Oostenrijkse bisschop Alois Hudal, waarin hij een samengaan van het katholicisme met het nationaal-socialisme voorstelde. Hij liet een exemplaar overhandigen aan Hitler met een handgeschreven mededeling waarin hij de Führer prees. ‘Dem Führer der deutschen Erhebung Dem Siegfried deutscher Hoffnung und Grösse Adolf Hitler vom Verfasser’. ('Voor de Führer van de Duitse verheffing, de Siegfried van de Duitse hoop en grootheid Adolf Hitler. Vanwege de schrijver.’) Daarin wees hij op de ‘fundamentele gelijkenissen tussen katholieken en nazi’s’ omdat beiden vasthielden ‘aan blinde gehoorzaamheid aan autoriteit’ en ‘een diepgewortelde antipathie tegen Joden’. Hudal zou met zijn boek echter ook het nationaal-socialisme hebben proberen te ondermijnen. Zo waarschuwde hij al in 1934 de Vaticaanse overheden in een geschreven votum dat de ontwikkeling en verspreiding van de ras- en bloedleer van het nationaal-socialisme als totaal interpretatiemodel van de samenleving zeer zorgwekkend was. In plaats van Hudal bij te vallen keerde het Vaticaan zich echter van hem af. Ryback verwijst ook naar een bisschop die bezwaar maakte tegen de opname van het boek Der Mythus des 20. Jahrhunderts van Alfred Rosenberg in de schoolbibliotheken, maar dat uitdrukkelijk niet deed tegen Mein Kampf.

Dat Hitler ook oog en oor had voor de diverse aspecten van oorlogsvoering blijkt uit de aanwezigheid van tal van boeken over marineschepen, vliegtuigen en pantserwagens, en verschillende biografieën over ondermeer Julius Caesar en Frederik de Grote. Eén boek moet Hitler zelfs mee geïnspireerd hebben bij zijn blitzkrieg tegen Nederland, België en Frankrijk, namelijk een biografie van Schlieffen, het hoofd van de generale staf tijdens de Eerste Wereldoorlog, geschreven door Hugo Rochs waarin de Führer allerlei aantekeningen in de marge maakte. Ondermeer bij een passage waarin Schlieffen waarschuwde tegen een tweefrontenoorlog. Daarom moest eerst het Frans-Engelse leger verslaan worden om dan Rusland aan te vallen. Volgens Ryback vormen deze aantekeningen (in de vroege zomer van 1940) ‘het vroegste schriftelijke bewijs van Hitlers plan de Sovjet-Unie binnen te vallen.

De meest interessante passage in dit boek is de houding van Hitler tegenover zijn generaals toen in 1942 duidelijk werd dat men de oorlog tegen Rusland aan het verliezen was. De Führer verweet hen dat ze zijn bevelen niet scrupuleus naleefden en een gebrek aan wilskracht vertoonden. Juist in die periode (einde 1942) ontving hij het boek Amerika im Kampf der Kontinente van de Zweedse ontdekkingsreiziger Sven Hedin die net als Hitler een bijzondere vrees koesterde voor de ‘bolsjewisering’ van Europa. Hedin prees de Führer omwille van zijn vooruitziendheid en voedde zijn zelfbedrog als zou hij steeds naar vrede hebben gestreefd. Het waren in de ogen van beiden de Amerikanen die deze onheilspellende oorlog waren begonnen en Hitler genoodzaakt hadden om militair in actie te komen. In plaats van zijn ogen te openen voor de harde realiteit dat de oorlog in dat stadium al verloren was, sterkte het de Führer om fanatieker dan ooit door te vechten, teneinde de duizenden jaren Europese cultuur te beschermen. Een waanidee want intussen gingen de geboortehuizen van Goethe, Arthur Schopenhauer, Eduard Mörike, Franz Liszt, Johannes Brahms, Heinrich von Kleist en de gebroeders Grimm in de vlammen op. Talloze kerken, stadhuizen, monumenten en standbeelden werden door bombardementen vernietigd. Hele bibliotheken met ontelbare boeken gingen verloren; alleen in de staatsbibliotheek van Hamburg al 625.000 boekbanden.

Tot die vernietiging heeft Hitler niet alleen de aanleiding gegeven, maar ook zelf bevolen. Dat blijkt ondermeer uit zijn krankzinnige Nero-bevel op 19 maart 1945, dus tijdens de laatste dagen van het Derde Rijk, waarbij hij het bevel gaf om de gehele Duitse industrieële infrastructuur op te blazen en leden van de Hitlerjugend, kinderen van nauwelijks 12 jaar, bewust de dood injoeg. Het was immers de wil van Hitler dat Duitsland een nederlaag niet zou overleven en dat zijn onderdanen samen met hem zouden ten onder gaan. ‘Als het Duitse volk de oorlog verliest, dan heeft het bewezen dat het mij onwaardig is,’ aldus Hitler op 18 april 1945. Terwijl geallieerde troepen en in het bijzonder het Rode Leger, stelselmatig terrein won en de hoofdstad naderde, verstrakte Hitler zijn houding om zijn land en zijn bevolking mee te sleuren in de totale zelfvernietiging. Op een ogenblik dat het Duitse volk zich in de meest ellendige omstandigheden bevond, wendde Hitler zich er vanaf. ‘Hij had zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de krijgsmacht, de staat en het volk op het meest kritieke ogenblik verloochend’, aldus Kershaw.

Nog eenmaal kende hij een opflakkering, namelijk op 12 april 1945, toen hij het nieuws vernam van het overlijden van Roosevelt, waarbij hij terugdacht aan Frederik de Grote die zich wist te redden na de dood van tsarina Elisabeth in 1762. ‘Toen het bericht over Roosevelts dood de Führerbunker bereikte, ging er een storm van vreugde door de onderaardse ruimte’, schrijft Ryback. Enkele dagen later stortte zijn rijk in, en daarmee ook zijn bibliotheek die zich op verschillende plaatsen bevond.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Timoty Ryback, Hitlers privébibliotheek, Balans, 2008, Vertaald door Marja de Bruijn, 294 p.

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be