Markt en moraal

boek vrijdag 11 juni 2004

Onno Ruding

De Edmund Burke Stichting is het platform in Nederland voor het conservatieve gedachtegoed. Burke schreef ten tijde van de Franse Revolutie Reflections on the Revolution en geldt sindsdien als het boegbeeld van het conservatisme. De Burkestichting, onder de bezielde leiding van dr. Bart Jan Spruyt, brengt met deze lezing van Onno Ruding alweer de derde Burke lezing uit. Eerder verscheen Roger Scruton, De betekenis van het conservatisme en Herman de Dijn, Erkenning, gelijkheid en verschil. De lezing van Onno Ruding, Markt en Moraal, met een inleiding van Hans Hillen, gaat over een zeer actueel onderwerp. Bijna dagelijks is te lezen over het spanningsveld tussen liberale vrijheid en politieke inmenging. Waar begint en eindigt de verantwoordelijkheid van de overheid? Hiermee probeert de Burkestichting een conservatief antwoord te geven op de vraag hoe en tot hoever de overheid, groepen in de samenleving en individuen (zelf)beperkingen mogen of moeten opleggen aan de vrije markt.

Nog weinig mensen ontkennen het belang van een vrije marktwerking voor de creatie van meer welvaart. Toch worden tal van mistoestanden toegeschreven aan het feit dat de markt vrij is. Hoever mag de vrijheid gaan? Is de vrijheid absoluut of wordt ze begrensd door andere vrijheden, rechten en belangen? De antwoorden op deze vragen liggen tussen het neoliberale laisser-faire enerzijds en het socialistische dirigisme anderzijds. De auteur ziet drie mogelijke actievormen om de markt te corrigeren: ingrijpen door de staat, invloed van groepen in de samenleving en de manier waarop individuen handelen op de markt. De staat moet een krachtig mededingingsbeleid voeren om de markt ook echt vrij houden. Dit is een puur liberaal principe dat zich afzet tegen prijsafspraken, kartel- en monopolievorming. In de praktijk zie je dat echter vooral conservatieve regeringen de neiging hebben om echte mededinging te omzeilen. Zie bijvoorbeeld de gestage aanvaarding van machtsconcentratie in de mediasector in de Verenigde Staten (onder Bush) en Italië (onder Berlusconi).

Een andere reden voor overheidsingrijpen is het steunen van mensen die omwille van tegenslag, ziekte of ouderdom aangewezen zijn op solidariteit van anderen. De auteur stelt terecht dat dergelijke steun niet mag ontaarden tot een ‘verzorgingsmaatschappij’ van de wieg tot het graf omdat het de individuele verantwoordelijkheid ondermijnt. Ook dit is een liberaal credo. Het probleem van met massale belastingsgelden georganiseerde solidariteit tot een ingewikkeld systeem van sociale zekerheid is dat de doelen en resultaten onduidelijk zijn en dat de structuren waarlangs de hulp gebeurt onpersoonlijk, bureaucratisch en financieel ondoorzichtig zijn. Door de overheid georganiseerde solidariteit moet stoelen op de overtuiging van het zinvolle en zelfs een emotioneel draagvlak hebben. Als dit niet het geval is, verwordt het tot een abstract systeem waar niemand zich nog bij betrokken voelt, waardoor onverschilligheid en calculerend gedrag toenemen.

Een tweede correctie op de marktwerking ziet de auteur in de impact van groeperingen in de samenleving. Hij denkt aan de sociale partners, het onderwijs, de kerken en de NGO’s. Samen zouden ze moeten meehelpen de vrije markt te coördineren en rekening te houden met het ‘algemeen welzijn’. Opvallend is dat hier het discours van conservatieven en linkse denkers samenvalt. Want doorgaans gaat het hier om de verdediging door behoudsgezinde instituties van hun ‘groepsbelang’. Zo komen nogal wat ‘sociale organisaties’ op voor het behoud van verworven rechten, zelfs als die nadelig zijn voor medemensen. Een goed voorbeeld hiervan is de steun vanuit socialistische maar ook conservatieve hoek voor protectionisme in de Europese landbouwpolitiek. Alleen liberalen pleiten voor het opheffen van importheffingen, productiesteun en exportsubsidies waardoor landbouwers in minder ontwikkelde landen de kans zouden krijgen om hun eigen welvaart op te bouwen.

Ruding gelooft eerder in vormen van zelfregulering, eigen normbesef en zelfdiscipline dan in overheidsdwang. Daarmee schaart hij zich opnieuw achter een liberaal principe. Hij haalt het voorbeeld aan van de vrijwillige invoering van een eigen ‘code of conduct’ in grote bedrijven. Dat gebeurt in steeds meer multinationals. Dit gebeurt evenwel niet zozeer door een groter ‘normbesef’ bij de bedrijfsleiding maar wel door de invloed van de consument die dank zij een steeds betere informatie zijn voor- of afkeur voor een bedrijf laat blijken uit zijn koopgedrag. Zo komen we als vanzelf bij de impact van de individuele deelnemers in de markt. Hier vertrekt de auteur van de conservatieve grondgedachte dat de mens steeds geneigd is tot het kwade. Dus moeten de ouders, de school en de kerk kinderen aanleren om ethisch verantwoord te handelen en zichzelf te beheersen.

Het is een pessimistisch mensbeeld. Natuurlijk moet via de opvoeding waarden doorgeven. Maar dat betekent niet dat het recht van het individu ondergeschikt moet worden gemaakt aan de gemeenschap. Liberalen geloven in de positieve kracht van het individualisme en het eigenbelang. Individualisme is niet tegengesteld met solidariteit. Integendeel, de autonomie en de wilsbeschikking van het individu is juist noodzakelijk om te komen tot een ware solidariteit. En solidariteit is dan weer nodig om diegenen die niet in staat zijn om over zichzelf te beschikken, kansen te geven. Er bestaat dus een duidelijk raakvlak tussen individualisme enerzijds en solidariteit anderzijds. Daarvoor hebben we geen almachtige overheid nodig en ook geen religieuze geboden, maar volstaat de categorische imperatief van Kant. In zijn tekst verwijst de auteur regelmatig naar de positieve kracht die zou uitgaan van de kerk en van religie maar waarom dat zo zou zijn is onduidelijk. Ruding pleit inzake ‘markt en moraal’ voor een evenwichtige aanpak ‘die enerzijds een liberaal en anderzijds een conservatief karakter moet hebben’. Met dat laatste insinueert hij dat het liberalisme op zich ‘waardenvrij’ zou zijn, maar dat klopt niet.

Het liberalisme erkent de morele grenzen van de vrijheid en het belang van de vrijheid en gelijkwaardigheid van de medemens. Het wil de samenleving zo inrichten dat mensen de kansen en mogelijkheden krijgen om voor zichzelf uit te maken wat goed voor hen is zonder dat dit ten nadele gaat van anderen. En het is pas vanuit die toestand dat het individu in staat is en wordt aangezet om ook de positie van de medemens te bevorderen. De ‘autonome’ mens erkent zijn medemens niet alleen uit compassie, uit sympathie of ‘om een goed gevoel te beleven’, hij kent ook een ‘plicht’ jegens anderen. Immanuel Kant heeft duidelijk aangetoond dat de plicht om er als mens ‘te zijn voor anderen’ onvoorwaardelijk is en niet vervalt omdat iemand geen rechten kan doen gelden op andermans hulp. Op die manier zit in het begrip vrijheid een opdracht verborgen: Du kannst, denn Du sollst. Je kunt ethisch handelen, want het is je plicht. Het is een universele zedelijke wet die je als mens verplicht te doen wat je hoort te doen. Hiermee koppelt Kant de autonomie van het individu aan een plicht tegenover anderen. Een plicht die verder gaat dan een religieus gebod of een formeel sociaal contract waarbij mensen enkel verplichtingen hebben ten aanzien van anderen voor zover ze vooraf bindende afspraken met elkaar hebben gemaakt.

Een onderwerp als ‘markt en moraal’ behandelen in een korte tekst leidt onvermijdelijk tot oppervlakkigheid en een gebrek aan diepgang. Daar lijdt dit boekje aan. Dat neemt niet weg dat de Burkestichting hiermee een heel belangrijk thema op tafel gooit. Want niemand kan de ogen sluiten voor mistoestanden die sinds de val van de Berlijnse Muur aan het licht kwamen, bijvoorbeeld in de voormalige Sovjet-Unie maar ook in de Verenigde Staten (denk aan Enron). Deze mistoestanden worden zowel door andersglobalisten als conservatieven terecht aangeklaagd. Alleen zou de oplossing wel eens kunnen liggen in het politiek en economisch systeem dat ze het meest verafschuwen of veroordelen, namelijk het liberalisme.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Onno Ruding, Markt en moraal, Aspekt, 2004

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be