Kinderen van Aristoteles

boek vrijdag 08 februari 2008

Richard Rubenstein

De Middeleeuwen worden in het Westen algemeen beschouwd als een periode van geestelijke stilstand, verval en irrationaliteit. Ruim tien eeuwen duurde de periode van de Duisternis, de tijd waarin elke vorm van denken en creativiteit aan banden werd gelegd door de kerk en het christelijk geloof. De algemene visie is dat na de erkenning van het christendom als officiële godsdienst onder keizer Theodosius de wetenschap tot stilstand kwam en dit tot de ontdekkingen van Copernicus Galileï, tien eeuwen later. De realiteit was evenwel anders. De periode tussen de klassieke oudheid en de moderne tijd werd niet alleen beheerst door de dominantie van de kerk, maar werd ook gekenmerkt door een unieke uitwisseling van ideeën tussen christenen, moslims en joden, in de kloosters, synagoges, moskeeën en universiteiten in het zuiden van Europa. In zijn boek Kinderen van Aristoteles rekent Richard Rubenstein af met de mythe van de donkere Middeleeuwen. Volgens hem vormde de Middeleeuwen een periode van reflectie en zelfs onderzoek over de relatie tussen geloof en rede, waarbij de geschriften uit de Oudheid opnieuw bekend raakten en werden doorgegeven. Die uitwisseling maakte de herontdekking en verspreiding van het werk van Aristoteles mogelijk, die van beslissende invloed is geweest voor de overgang naar de Renaissance en de Moderne Tijd.

Richard Rubenstein stelt dat het effect van de herontdekking van de ideeën van Aristoteles werkelijk revolutionair was. Ze bracht volgens de auteur in Europa een transformatie teweeg die meer impact had dan welke latere ontdekking ook. Het is een wat overtrokken stelling. De auteur doet inderdaad zijn best om de verschillende personen te duiden die hun carrière en zelfs hun leven op het spel zetten om de ideeën van de Oudheid te conformeren met de toenmalige christelijke stellingen, maar zoals hij zelf impliciet aangeeft ging het om een heel langzaam proces van vallen en opstaan waarin mensen met gedurfde ideeën door de kerkelijke overheden eerder werden tegengewerkt dan aangespoord. Als er al sprake was van een transformatie dan is die er gekomen ondanks de conservatieve krachten die met de inquisitie elke ontwikkeling naar een vorm van zelfbeschikking in bloed smoorden. In feite begon die onderdrukking al heel vroeg, in 392, toen Theodosius openlijk koos voor een harde lijn tegen het heidendom. Fanatieke bisschoppen vernietigden niet-christelijke tempels en belangrijke cultuurcentra, zoals de bibliotheek van Alexandrië, waardoor talloze teksten uit de Oudheid voor altijd verloren gingen. In die zin is de omschrijving ‘duistere’ Middeleeuwen terecht. Niet voor niets noemde Petrarca deze periode de tijden van tenebrae (duisternis).

De auteur beschrijft hoe al in de zesde eeuw de christen Boethius enkele werken van Plato en Aristoteles vertaalde en zo redde voor het nageslacht. Hij was een van de laatste leerlingen aan de platoonse Academie in Athene, maar die werd op bevel van keizer Justinianus I voorgoed gesloten omdat ‘de heidense filosofie die daar werd onnderwezen het christelijk geloof ondermijnde’. Boethius werd opgesloten maar zijn opvolger Cassiodorus zorgde ervoor dat de vertaalde werken en andere Griekse en Romeinse manuscripten bewaard bleven. Een andere figuur die de werken van de Oudeheid probeerde veilig te stellen was de heidense filosofe Hypatia. Maar ook zij werd uiteindelijk door christelijke fanatici opgepakt, gemarteld en vermoord. Daarna ging het licht finaal uit. In feite is de herontdekking van het werk van Aristoteles te danken aan moslimgeleerden. Zij vertaalden de Griekse werken naar het Arabisch en brachten ze onder in de universiteiten van Bagdad, Cairo, Toledo en Cordoba. Het waren joodse en islamitische denkers als Maimonides, Avicenna en Averroes die zich de filosofie en natuurwetenschap van Aristoteles eigen maakten, maar ook ‘de wiskunde van Euclides, de astronomie en optica van Ptolemaeus, de technische grondbeginselen van Archimedes, de medische kennis van Hippocrates en Galenus en andere schatten van de Oudheid’, aldus Richard Rubenstein. En het zijn zij die er nog nieuwe kennis aan toevoegden zoals de scheikunde, algebra en geschiedenis.

Wat de auteur probeert aan te tonen is dat ook binnen de kerk zelf een strijd bestond van personen die het belang van de nieuwe aristotelische geleerdheid inzagen en de tegenstanders. Dat de islam gezorgd heeft voor het behoud en zelfs uitbreiding van deze kennis, erkent de auteur, maar in tegenstelling tot de islamitische leiders die in de twaalfde eeuw plots de deuren naar verder onderzoek sloten, lieten ‘vooruitziende’ pausen en bisschoppen intussen wel toe om geloof en rede met elkaar te verzoenen. Die vooruitziendheid moet echter met een grote korrel zout genomen worden. Juist is dat Averroes in de jaren zeventig van de twaalfde eeuw moest vluchten voor orthodoxe moslims. Zijn stellingen werden veroordeeld, hij moest voor een tribunaal verschijnen en zijn boeken werden verbrand. Zijn invloed in het Oosten was quasi onbestaande, maar des te groter in het Westen. Ironisch genoeg hebben de Hebreeuwse en Latijnse vertalingen van zijn werk ervoor gezorgd dat de wijsheden uit de Antieke wereld niet verloren gingen. Sommigen noemen Averroes zelfs ‘de vader van de Europese Renaissance en van de Verlichting’. Dit is wat kort door de bocht maar de ideeën van Averroes inspireerden wel het rationalisme van Thomas Van Aquino en de eerste empirische denkers in de dertiende eeuw, zoals Roger Bacon.

Richard Rubenstein wijst er terecht op ‘dat mensen die een repressief regime ontvluchten de vonk van de beschaving meenamen in hun beduimelde boeken en manuscripten’. De vonken sloegen terug over naar het Westen waar men geschokt kennis maakte met tal van inzichten. Zo stelde Aristoteles dat het goede leven in deze wereld kan worden bereikt, een stelling die diametraal tegenover de christelijke gedachte stond dat het geluk enkel in het hiernamaals te vinden was. Hij huldigde ook het ‘eudaemonisme’, de gedachte dat het leven tot doel heeft de gelukzaligheid te vinden door de studie van de filosofie en de wetenschap. In zijn visie zijn alle dingen met het verstand te begrijpen. Allemaal zaken die de geestelijke leiders bijzonder verontrusten. En steeds als een middeleeuwse geleerde opstond en de aristotelische ideeën probeerde te verzoenen met de uitgangspunten van het christendom, kwam hij onder vuur te liggen. Zoals Pierre Abélard die de Bijbel wel beschouwde als Gods woord, maar rationele vraagtekens plaatste bij enkele geloofspunten. In feite introduceerde hij op die manier de theologie, als een combinatie van filosofie en godsdienst. Hij botste al snel met Bernard van Clairvaux die hem van ketterij beschuldigde en de beruchte uitspraak deed: ‘het geloof gelooft, het discussieert niet’, iets wat religieuze fundamentalisten ook vandaag nog poneren.

Uiteindelijk werd Abélard door paus Innocentius II veroordeeld als ketter, geëxcommuniceerd (zijn aanhangers ook) en werden zijn boeken verbrand. Eén van zijn controversiële ideeën was dat de zonde van de joden, die volgens de Kerk God hadden vermoord, vergeeflijk was, omdat ze niet beseften dat de man die ze vervolgden God was. Intussen kampte de Kerk ook met andere problemen. Steeds meer gelovigen namen het niet langer dat kerkleiders hun eigen principes verloochenden, dat priesters trouwden, kerkelijke amten werden verkocht en ze grote rijkdommen voor zichzelf verwierven. Boetepredikers trokken rond en klaagden die zaken aan. Anderen verenigden zich als katharen (reinigen), leefden in vrijwillige armoede en erkenden niet langer het gezag van de katholieke kerk. Op de stelling dat God goed en almachtig is repliceerden ze verrassend rationeel. ‘Als hij het kwaad heeft geschapen of toelaat dat het bestaat, kan hij niet goed zijn. Maar als hij goed is, kan hij niet almachtig zijn, want als hij dat wel was, zou hij ons niet met zonde en leed hebben opgezadeld.’ Het is een zuiver aristotelische redenering dat ook later door atheïsten zou worden gebruikt in hun afwijzing van de ‘volmaaktheid’ van God. Paus Innocentius III predikte een kruistocht tegen de katharen waarbij hij de deelnemers aflaten beloofde voor hun zonden, een praktijk die later fel zou worden aangeklaagd door Luther en mede zou zorgen voor een schisma.

Opnieuw trok de Kerk de teugels strakker aan. Op het vierde Lateraans concilie in 1215 werden de stellingen van de katharen veroordeeld en moesten joden en andere niet-katholieken een geel insigne dragen. En de universiteit van Parijs decreteerde in 1210 dat de boeken van Aristoteles over natuurfilosofie niet mochten gelezen worden op straffe van excommunicatie. Een doorn in het oog van de Kerk was immers zijn stelling dat het stoffelijk universum geen begin en geen einde heeft, wat vloekte met het ganse scheppingsverhaal. Maar bepaalde geleerden bleven kritisch vragen stellen zoals Albertus Magnus en Roger Bacon die ervoor pleitte om te experimenteren en stellingen te toetsen aan de realiteit. Later voegde ook Thomas Van Aquino zich bij de critici. ‘Door de rede, niet door de openbaring, komen we te weten welk zedelijk handelen God in dit leven van ons eist’, zo schreef hij in zijn Summa contra gentiles. En dan was er nog Siger van Brabant die zich aan de Parijse universiteit kritisch uitliet over enkele grondbeginselen van het christendom. Onder impuls van de dominicanen reageerde de Kerk opnieuw hard. In 1270 verbood de bisschop van Parijs het onderwijzen van bepaalde theorieën van Aristoteles en Averroes aan de universiteit.

In het begin van de veertiende eeuw verloor paus Bonifatius VIII zijn macht over de wereldlijke vorsten. Daarop volgde de klucht van de strijdende pausen die vanuit Avignon en Rome zich de vertegenwoordiger van God op aarde noemden. In die periode brak de moderne empirische wetenschap de kop op met Willem van Occam als een van de theoretische wegbereiders. Ook hij werd beschuldigd van ketterij, maar zoals andere intellectuelen in die tijd vluchtte hij naar het territorium van antipaapse vorsten, en dan zijn we al aan het einde van de Middeleeuwen en het begin van de Renaissance. Het klopt dus dat het aristotelische denken een creatieve rol heeft gespeeld in het intellectuele denken van Europa. Maar de rol van de Kerk daarin was daarin nefast en vertraagde alvast de implementatie van de antieke ideeën, niet alleen op het vlak van de natuurwetenschap, maar ook van de ethiek en de politiek. De christelijke protaginisten in dit boek van Rubenstein hebben, in het zog van Averroes en andere joodse en islamitische geleerden, inderdaad mee vorm gegeven aan het moderne denken, maar steeds met het mes van de inquisitie op de keel. Dat mochten later Giordano Bruno en Galileo Galilei nog ondervinden. En het zou nog eeuwen duren alvorens Kant zijn uitspraak ‘Sapere Aude’ kon doen: ‘Durf je van je eigen verstand te bedienen’.

Het sluitstuk van het boek is dan ook problematisch. De aristotelisch denkende geleerden uit de Middeleeuwen hebben inderdaad bressen geslagen in de christelijke dijken, maar nooit zorgden ze voor een ware dijkbreuk. Die kwam er pas tijdens de Renaissance toen denkers als Pico della Mirandola de menselijke wil optilden tot de belangrijkste drijfveer in hun leven. Wat volgde was een defenestratie van het blinde geloof. De auteur vraagt zich af hoe we in de toekomst theologische en wetenschappelijke waarheden kunnen verzoenen als het gaat om ethiek en politiek. In elk geval boden (en bieden) de bijbelverzen geen aanvaardbaar antwoord op ethische principes. De auteur ziet nog enkel heil in het aristotelische project als antwoord op de zoektocht van velen naar hun eigen identiteit en voldoening van hun basisbehoeften. ‘De rede kan de aarde transformeren, mits wetenschap en technologie zich laten inspireren door een nieuwe, mondiale ethiek’, zo schrijft Richard Rubenstein. Hij heeft gelijk, maar dan zal het een universele seculiere moraal moeten zijn, een moraal die los staat van metafysische aannames van de absolute waarheid. Dat mensen (vrijwillig) geloven is geen probleem en kan bijdragen tot een betere wereld, maar in deze geglobaliseerde wereld, met mensen uit diverse culturen en religies, hebben we nood aan de acceptatie van enkele fundamentele grondrechten die elke mens beschermen als een doel op zich. Elke mens is uniek en beschikt over onvervreemdbare rechten en vrijheden. De kinderen van Aristoteles mogen zelf hun geluk vinden in deze wereld. Dat was immers de essentiële boodschap van deze oude wijsgeer.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Richard Rubenstein, Kinderen van Aristoteles, Antos/Manteau, 2004

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be