Rome en zijn imperium

boek vrijdag 17 maart 2006

Fik Meijer

De klassieke oudheid en zeker het Romeinse imperium blijven de mensen boeien. De Brits-Amerikaanse serie ‘Rome’, beschikbaar in vier versies met weinig tot veel seks en geweld, getuigt van die populariteit. En vergelijkingen met het huidige Amerikaanse imperialisme worden graag gemaakt. Het Romeinse leger was in heel veel landen aanwezig en was vijf eeuwen lang veel sterker dan zijn tegenstanders; het Amerikaanse heeft momenteel bases in 59 landen en voert militaire operaties uit op 170 plaatsen. De Amerikaanse historicus Victor Davis Hanson vergelijkt in zijn boek A war like no other de oorlog in Irak met de langdurige Peloponnesische oorlog. Ook hier geldt: ‘omnis comparatio claudicat’, maar de verleiding om parallellen te trekken is groot.

De uitgeverswereld speelt graag in op deze brede interesse voor de klassieken en de Amsterdamse hoogleraar Fik Meijer heeft alles in huis om hun plannen te concretiseren: vakkennis, een vlotte pen, het talent en de moed om een periode van een millennium op een begrijpelijke manier voor te stellen aan een breed publiek. De auteur neemt zijn aanloop bij de stichting van Rome en trekt zijn relaas door tot na de Gotische koning Theoderik, die vanuit Ravenna als een soort onderkoning van Constantinopel over Italië heerste van 493 tot 526 na Christus. Rome zelf was toen afgegleden tot een stadje van 50.000 inwoners.

Meijer presenteert zijn geschiedenis van het Romeinse expansionisme als een alternatief voor de positieve kijk van grote voorgangers zoals Edward Gibbon en Theodore Mommsen. Zij beklemtoonden dat nooit eerder een zo groot rijk zo lang onaantastbaar bleef. Ze hielden daarbij rekening met het aspect zelfverdediging bij de machtsontplooiing en respecteerden de beschavende invloed: het overbrengen van cultuur, orde, techniek, wegennet, aquaducten, uniformiteit, een eerste wereldmunt. De auteur legt te veel de nadruk op het bloedige aspect: het misbruik van het begrip ‘gerechtvaardigde oorlog’, het mateloze bloedvergieten. Hij wijt de ondergang van de eerste wereldwijde beschaving aan de hoogmoed van de Romeinen zelf.

De structuur van het boek is chronologisch: van boerendorp aan de Tiber tot wereldrijk en dan weer naar een klein stadje. Meijer ontleedt genadeloos de rechtvaardiging van de oorlogen. De Punische oorlogen krijgen de ruimste aandacht: hier toonden de Romeinen voor het eerst hun imperialistische intenties, aldus Polybius en Meijer. Die laatste spreekt Polybius wel tegen waar die beweert dat de Romeinen hun eerste schepen bouwden door een Carthaags model na te bootsen. In de Griekse steden van Zuid-Italië waren er immers al veel langer scheepswerven en scheepsbouwers. Details over triremen en quinqueremen zullen enkel specialisten interesseren; dit geldt ook voor vele uitweidingen over tactieken van het leger. Het boeiende verhaal over Regulus’ folterdood wordt hier dan weer heel kort gehouden. We missen de heroïsche romantiek van ‘De viris illustribus’. Voor de tweede Punische oorlog weegt de schrijver zorgvuldig de verantwoordelijkheid van beide belligerenten af. Het aantal doden bij de Romeinen lag heel hoog: 15.000 bij het Trasimeense Meer, 48.200 à 75.630 bij Cannae; dus 63.000 à 80.000 op twee jaar tijd. Het was dus erger dan in 9 n.C. bij het Teutoburgerwald. De belegering van Syracuse duurde drie jaar; we vernemen tot in de details hoe twee uitvindingen van Archimedes werkten: een machine om schepen te grijpen en zijn parabole spiegels die schepen in brand konden steken. De strijd om Spanje draaide om de rijke goud- en zilvermijnen. Uiteindelijk won Scipio tegen Hannibal in Africa. Het verhaal dat de twee helden elkaar in 193 v.C. nog ontmoet zouden hebben in Ephese klinkt ongeloofwaardig.

De overwinning van Scipio leidde tot een nieuwe fase in de Romeinse expansiepolitiek: de vorming van een imperium rond de Middellandse zee. Daarvoor moesten ze oorlogen voeren tegen Macedonië, Griekenland, Syrië. Corinthe werd, net zoals Carthago, in 146 v.C. genadeloos verwoest. Meijer schrijft de allitererende uitspraak ‘Ceterum censeo Carthaginem esse delendam’ toe aan Cato, maar ze is helaas afkomstig van de Duitse classicus C. Sintenis. De auteur besteedt telkens veel aandacht aan de oorlogsbuit die na elke verovering in de Romeinse schatkist of bij de winnende bevelhebber belandde. Deze toonde die buit tijdens triomftochten, die bijna jaarlijks plaatsvonden tussen 201 en 146 v.C. en drie dagen duurden. Ook de sociale gevolgen van de veroveringen werden in Rome zichtbaar: de elite verrijkte zich met de gronden van de kleine boeren, die naar de stad gevlucht waren. De Gracchen en alle anderen die de grond wilden herverdelen, overleefden dit niet. De elite waande zich onoverwinnelijk en liet de traditionele zeden varen voor eerzucht en hebzucht. Marius slaagde er wel in iets te doen voor de proletariërs: ze mochten vanaf 104 v.C. in het leger. Vanaf 89 v.C. kregen ook de Italiërs dat recht.

Een ander gevolg van de oorlogen was de toevloed van slaven: in 225 v.C. waren er in Italië 0,5 miljoen slaven en 4,5 miljoen vrije inwoners, een verhouding van 1 op 9. Rond 25 v.C. was die verhouding totaal gewijzigd: 1 op 2 of 2 miljoen slaven tegenover 4 miljoen vrije mensen. De oorlogen buiten Italië werden in de 1° eeuw v.C. afgewisseld met pijnlijke burgeroorlogen, die zich grotendeels in Rome afspeelden. Bij de tochten van Caesar in Gallië lezen we niets over het ‘Horum omnium fortissimi sunt Belgae’. Blijkbaar trekken de Nederlanders zich minder op aan deze lovende uitspraak. Volgens Meijer heeft Caesar bijna één miljoen Galliërs gedood. In 44 v.C. was het zijn beurt om vermoord te worden. Terloops overloopt Meijer ook de manieren waarop Romeinse schrijvers dachten over een onbegrensd wereldrijk. Opmerkelijk is de grote rol die zij de goden hierbij toedichtten.

Het ging gepaard met de hellenisering van de Romeinse elite. Dit proces was trouwens al begonnen in de 3de eeuw v.C., met de Latijnse vertaling van de Ilias en Odyssee door Livius Andronicus en een geschiedenis van Rome in het Grieks door Quintus Fabius Pictor, dus ruim 100 jaar vóór de verovering van Griekenland. In de 1ste eeuw v.C. ontstond bovendien een grote vraag naar Griekse kunst, zowel bij de staat als bij rijke particulieren. Zo leidde de verovering van Griekenland tot een metamorfose van Rome, ondanks de waarschuwingen van Cato voor zedelijk verval. Zo komen we bij Augustus. Meijer noemt hem ‘princeps civitatis’ i.p.v. ‘princeps senatus’. Hij beschouwt hem niet als een vredesvorst, maar als een oorlogsvoerder, die vernederend verslagen werd door de Cherusk Arminius. Deze nederlaag betekende ook het einde van de expansie in Germanië. Arminius beleefde niet lang vreugde aan zijn triomf: op zijn 37ste werd hij omgebracht door jaloerse stamgenoten. Meijer prijst Augustus wel voor zijn bouwwerken, vrijgevigheid en voedselvoorziening voor het gewone volk.

Dertig jaar na Augustus slaagde Claudius erin om Engeland te veroveren. Trajanus was dan weer de laatste veroveraar: Dacië (Roemenië), Armenië en Parthië (Irak) werden verslagen. Hij bereikte de monding van de Tigris, net zoals zijn voorbeeld Alexander de Grote. Dan was het ook gedaan: na 115 n.C. slaagde geen enkele keizer erin nog gebied te veroveren, ook Marcus Aurelius niet in Germanië. Rome bleef niet gespaard van opstanden: Galliërs, Germanen, Friezen, Engelsen toonden hun ongenoegen over de bezetting en de belastingen. De Bataven namen Xanten en Keulen in (69 n.C.). In 70 werden ze verslagen. De Joden lieten zich het minst doen. Zij hadden een lange traditie van verzet tegen vreemde overheersers en kwamen meermaals in opstand tegen de Romeinse afpersingen en vernederingen. In 70 n.C. sneuvelde daarbij de tempel van Jeruzalem; dat was ook al gebeurd in 586 v.C. door de Babyloniërs. Meijer vermeldt niet dat Joodse krijgsgevangenen het Colosseum mee bouwden. In 132-134 n.C. volgde de laatste joodse opstand. De wraak van de Romeinen was ongenadig: 50 vestingen en 958 dorpen werden volledig verwoest, 580.000 joden gedood, de anderen kregen verbod zich nog naar Jeruzalem te begeven.

Het romaniseringsproces was vooral in de keizerstijd succesvol, mede omdat de Romeinen toen ook Spanjaarden, Galliërs en anderen opnamen in de senaat. Hun aantal bedroeg 45 % ten tijde van Trajanus en Hadrianus. Geen enkele overheerser of koloniale macht nam later zoveel onderworpenen op in zijn parlement. Zelfs enkele keizers kwamen uit andere werelddelen. De Romeinen bleven ook respect tonen voor het Grieks, de taal van het Oosten en voor de Griekse bouwstijlen.

De aanvoer van voedsel naar Rome vergde een enorme organisatie. In de eerste twee eeuwen n.C. telde de stad 1 miljoen inwoners en het rijk 60 miljoen. Meijer berekende dat de stadsbewoners 25 liter olie en 220 kg graan per persoon per jaar nodig hadden. Daarvan werd 1/3de gratis uitgedeeld. Samen met de aanvoer van wijn, olie, gedroogde vruchten, hout, marmer, enz zorgde dat voor een enorme handel naar Ostia en Rome. Hij vertelt ook over de import van waardevolle zaken zoals goud, zilver en wilde dieren. Dit laatste was zeer tijdrovend, ze kwamen uit de uithoeken van het rijk en ze werden massaal afgemaakt. 9.000 in twee weken bij de inhuldiging van het Colosseum en 11.000 bij een triomf van Trajanus zijn wel een heel grote getallen.

De gewone vreemdelingen die langs alle wegen naar Rome kwamen om hun geluk daar te zoeken, waren minder welkom dan al die luxegoederen. Het grootst was de afkeer van de christenen. Vanaf de 2de eeuw werd niet enkel de onderkant van de maatschappij gelovig, maar ook senatoren en andere notabelen. In de 3de eeuw werden ze vervolgd, ondermeer omdat men hen verantwoordelijk stelde voor de honger, pest en oorlogen. Decius, Valerianus en vooral Diocletianus probeerden hen uit te roeien. Constantijn maakte een einde aan de vervolgingen en begon de kerk te bevoordelen. Hij bouwde Byzantium uit tot nieuwe hoofdstad in330 n.C. Meijer somt ook een aantal oorzaken op voor de neergang van het Rijk vanaf de 3de eeuw. De verpletterende druk van de belastingen was er één van. Ik mis het te laag aantal kinderen, waardoor de bevolking en het leger niet meer in stand gehouden werden. De zware nederlaag van keizer Valens tegen de Goten bij Adrianopolis (Edirne, Europees Turkije, 378 n.C.) luidde het begin van het einde in. De grenslegers waren niet meer in staat om de constante stroom indringers tegen te houden. Die legers bestonden in de 4de eeuw voornamelijk uit Germanen, want Romeinse jongeren deden alles om aan de dienst te ontkomen, zelfs zich verminken en deserteren. Bij die Germanen was loyaliteit aan Rome en Rome zelf onbekend. Theodosius liet zelfs de Goten toe in zijn rijk. Ze kregen het privilege een staat in de staat te vormen. De keizer schafte het heidendom af in 393 n.C., maar ook het christendom kon het rijk niet behoeden voor de ondergang.

Vanaf 406 n.C. stormden de Germanen over de Rijn, in 408 stonden de Visigoten voor de poorten van Rome en in 410 namen ze de Urbs Aeterna in. In 452 kwamen de Hunnen, in 455 de Vandalen, in 476 werd Odoaker, Sciriër met Hunnenbloed, koning van de Germanen in Italië, totdat de Gotische Theoderik in 493 de macht overnam. Hij wou de toestand van vroeger herstellen, met spelen en gratis graan, maar het verval was niet meer te stuiten. Het aantal inwoners in Rome daalde verder naar 100.000 en na hem naar 50.000. Herders met kudden namen de plaats in van keizers en senatoren. De wederopbouw werd het werk van de pausen in de 7de eeuw. Zij hadden hun intrede in de politiek gedaan met Leo I, die in 452 Attila kon overtuigen om zich terug te trekken naar Hongarije, het Hunnenland.

Het verhaal blijft spannend tot de laatste pagina. Bovendien is het in een zeer verstaanbare taal geschreven. Het register functioneert ook als verklarende woordenlijst van begrippen zoals ager publicus, frumentarius, procurator. De tabellen, grafieken, kaarten, plattegronden, reconstructies, beelden, bas-reliëfs zijn helaas in zwart-wit en niet helder afgedrukt, zoals in schoolboeken van 50 jaar geleden en verliezen daardoor een stuk van hun didactische waarde. Er is ook geen kaart waar alle plaatsnamen van het boek op staan: voor Mahdia, Prima Porta, Adrianopolis moet je zelf in historische atlassen duiken. In de bibliografie mis ik de werken van Nouwen en Parenti over Caesar en die van Gibbon en Mommsen. Maar deze details doen geen afbreuk aan de prestatie van Fik Meijer.


Recensie door Jef Abbeel

Fik Meijer, Rome en zijn imperium, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2005.

Links
mailto:jef.abbeel@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be