Mohammed. Biografie van de Profeet

boek vrijdag 17 december 2004

Barnaby Rogerson

Jaren woon ik hier nu, in de Sleepstraat in hartje Gent, en gesluierde vrouwen en djellaba dragende mannen maken deel uit van mijn vertrouwd straatbeeld. Couscous, olijven, Turks brood en zelfs schapenkloten behoren niet alleen tot het dieet van mijn buurtbewoners, maar ook tot het mijne. Er is zoveel dat ons bindt, zou Ayaan Hirsi Ali erop zeggen: het bevredigen van onze noden en het uiten van onze gevoelens, en dit allemaal in dezelfde ruimte. Er is zoveel dat ons bindt. Geschokt was ik dan ook toen ik hoorde dat een moslim Theo Van Gogh vermoord had. Schokkender vond ik echter de woorden van een dertienjarig jongentje, volgeling van Mohammed en Nederlander: ‘Hij had toch gezegd dat islamieten geitenneukers waren en de Profeet een varken’. En hoewel niet alle moslims er zo over denken, zag ik plots een afgrond tussen mij en mijn buurt.

Daar waar voor mij de mens en zijn autonome ontwikkeling staan, staat voor mijn buurtbewoner Allah. Daar waar voor mij Socrates en Popper staan, Richelieu en Monnet, Molière en Camus, staat voor mijn buurtbewoner Mohammed, de Profeet, secretaris van Allah. Daar waar voor mij het hier en het nu staat, staat voor mijn buurtbewoner het hiernamaals, de terugkeer naar de enige God. Het dagelijkse leven mag ons dan binden, in onze principes leven we gescheiden . Zo wordt de wereldgeschiedenis van een moslim samengebald in de honderd jaar rond Mohammed’s leven. Eerlijk gezegd, ze mag er zijn, evenals Mohammed zelf. Toch verkies ik mijn geschiedenis breder. Wil men echter zijn moslimmedemens begrijpen, voorwaarde voor een harmonieus samenleven, is kennis van deze geschiedenis een voorwaarde. Hier volgt ze.

Mohammed werd geboren in het pre-islamitische Mekka, in het jaar 570. Toen al was het een religieus centrum en werd als pelgrimsoord tweemaal per jaar door heidenen overspoeld. Door zevenmaal naakt rond de Ka’ba te lopen vereerde men een veelheid van goden, van Maria en Abraham tot één of ander vruchtbaarheidsgodin. Een leven na de dood kende men niet en de deugden waren werelds, hoofs met stoïcijnse elementen doordrenkt. Hun geestenwereld was alles doordringend.

Als telg van de leidende clan van Mekka was Mohammed voorbestemd tot een grootse toekomst. Het verliep aanvankelijk anders. Zijn vader stierf immers nog voor hij geboren werd. Zijn clan werd door tweedracht verscheurd en Mekka’s centrale handelspositie, gevolg van de religieuze voornaamheid, stond onder druk. Toch zou het een vruchtbare periode worden voor Mohammed en de Mekkaanse stammen. Belangrijk hiervoor was het afzijdig blijven van de naburige wereldrijken. In het noorden raakten het wereldrijk van Byzantium en dit van Perzië in een titanenslag verwikkeld (603). Abessinië, in het zuiden, slaagde er maar niet in het gebied ten noorden van Jemen in te nemen. Het Arabische schiereiland lag open voor Mekka.

Zijn prille jeugd bracht Mohammed als zovele tijdgenoten door bij de Bedoeïen, de woestijnmensen. In ruil voor een gezonde en uitdagende omgeving waren de stadsbewoners bereid een vergoeding te geven aan een pleegmoeder uit een Bedoeïenstam. Toen Mohammed tegen zijn zesde terugging naar zijn moeder stierf deze. Hij ging bij zijn vooraanstaande grootvader wonen. Hun relatie is mythisch, maar ook hij stierf snel. Mohammed, ondergebracht bij zijn oom, bleef een arm wees. Hij ging dan maar onmiddellijk aan de slag. Als koopman in de woestijn had hij veel te leren, van de kameel tot de te volgen routes. En zo groeide hij op tot man, tussen de markten van Mekka, op lange karavaantochten, maar ook met de krijgercultus van de heidense Arabische cultuur. Ridderlijkheid en list, in de clan gegrond, stonden centraal en de eer was allesbepalend.

Tegen 595 was Mohammed bekend als een betrouwbare jonge koopman. Een rijke, mooie en intelligente weduwe werd door deze kwaliteiten aangetrokken. Chadiedja zou hem zes kinderen schenken en ook na haar dood altijd centraal staan in Mohammed’s gedachten. Steeds zou hij haar met toewijding en respect behandeld hebben en nooit tijdens haar leven een andere vrouw tot de zijne hebben genomen. Stilaan ontwikkelde Mohammed zich spiritueel. Eerst vormde hij een broederschap waar niet de clan telde, maar de rechtvaardigheid. Later sloot hij zich aan bij een groepje religieuze denkers die de oppergod Allah centraal stelden, gelijk aan de joodse Jahweh en de christelijke Jehova. Persoonlijk eerde hij ook de centrale figuren uit deze religies, namelijk Abraham en Mozes, Jezus en Maria. De aanwezigheid van Joden als Christenen op het Arabische schiereiland doet zich zo duidelijk voelen.

De passie groeide en Mohammed bad, vastte, deelde,… op zoek naar verlichting. Op de 17-de van de maand Ramadan, 610, ontklemde een engel hem in een grot en beval hem: ‘Verkondig’. Het eerste vers van de Koran ontsnapte vervolgens aan zijn lippen: ‘Verkondig de naam van uw Heer, de Schepper die de mens uit geronnen bloed schiep. Verkondig, want uw Heer is de meest Eerbiedwaardige die (de mens) door middel van de pen onderwees. Hij leerde aan de mens datgene wat deze niet kende’ (soera al-Alak, 96:2-6). De kern van de Islam werd aldus gelegd. Het woord van Allah, de enige God, werd door Mohammed gesproken. Wie hierin gelooft, is moslim; wie er niet in gelooft, is het niet. De Profeet twijfelde. Was het waanzin? Angstig en met de dood in de borst klom hij uit zijn grot en beklom de berg Hira. Toen verscheen de engel Gabriël. Zijn alomtegenwoordigheid was verpletterend. Mohammed aanvaarde zijn eerste openbaring en hij werd herboren.

Twee jaar moest de Profeet wachten op een volgende openbaring. Nog eens drie jaar vooraleer hij zijn terughoudendheid en schroom liet vallen. Hij moest er immers op uittrekken en het woord van God verspreiden. Dat het niet van een leien dakje zou lopen, was te verwachten. De Arabieren hadden het vooral lastig met het leven na de dood. Dit vonden ze onwaardig, iets om weduwen, moeders en kinderen met te troosten. Een goed leven leiden en de goden eren: daar viel niet over te twijfelen. Maar met de dood hield alles op. Ook het afvallig maken van de traditionele waarden van rijkdom, roem, afkomst, maatschappelijke positie en schoonheid konden ze maar moeilijk verkroppen. Toen hem geopenbaard werd dat aan de afgodenverering een einde moest komen en actie volgde, braken rellen los. De moslims werden geïsoleerd en kregen het steeds moeilijker. Na de dood van zijn oom kon hij bovendien niet langer rekenen op de bescherming van de clanleden. De vlucht uit Mekka werd imminent. In 622 vluchtte de Profeet naar Medina. Daar kon hij op heel wat steun rekenen en liet een huis bouwen dat tevens zou dienen als gebedsplaats. Eenvoud en bescheidenheid kenmerkten dit oord. ‘Voorwaar, als ik één ding voor u vrees als ik ben heengegaan, dan is het wel dat opsmuk en wereldse zaken u zullen bedriegen.’

Zijn volgelingen benaderde hij steeds vanuit de gelijkwaardigheid van alle mensen. Zo toonde hij zich steeds aanspreekbaar, was altijd klaar voor een goed woord of om te helpen, zelfs bij het inwikkelen van een overledene. Hij ging altijd als laatste zitten en hielp zelfs zijn dienaren. Voor zijn vrouwen, tot negen zou hij er hebben, had hij een grote waardering en hij behandelde ze dan ook met respect. Zelfs voor zijn joodse of christelijke medemens toonde hij eerbied. In de Koran roept hij dan ook verscheidene malen op deze gelovigen met rust te laten. Vanaf 624 zou de strijd met Mekka in alle hevigheid losbreken. Verschillende veldslagen volgden waarin de Profeet zich ontpopte tot een begenadigd strateeg. Tot een overwinning kwam het niet. Wel had hij ondertussen Medina geheel veroverd. Het afslachten van een gehele stam is hier te beschouwen als absoluut dieptepunt. In 628 stapte Mohammed met zo’n duizend man slechts met zwaarden gewapend op Mekka. Het doel was de Ka’ba te bezoeken. De toegang tot Mekka werd hen ontzegd, maar het kwam toch tot een compromis. Een vredesverdrag dat voor tien jaar zou gelden werd afgesloten en de moslims kregen de toestemming om de daaropvolgende jaren de Ka’ba te bezoeken.

Twee jaar later werd Mekka definitief veroverd. Toen andere delen van Arabië volgden bereikte Mohammed het toppunt van zijn wereldse macht. Diplomatische vaardigheden als militair inzicht hadden hem zo ver gebracht. Ook zijn gezag als Profeet groeide snel. Omar en Jemen, tot dan onder Perzisch bewind, bekeerden zich. Het voorbeeld van zijn leven was hier ongetwijfeld een katalysator. Eind 631, aan het begin van zijn laatste levensjaar bereikte hij zo zijn doel: het verenigen van de Arabische volkeren onder één geloof, de Islam.

Dat niemand dus aan Mohammed’s grootsheid twijfelt. Als diplomaat en strateeg stichtte hij het Kalifaat, één van de grootste wereldrijken dat ooit heeft bestaan en zich op een dag uitstrekte van de Indus tot de Pyreneeën. Als filosoof en grote geest ontwikkelde hij de Islam, één van de wereldgodsdiensten dat vandaag 1,2 miljard volgelingen telt. Als mens en revolutionair leidt hij nog steeds miljoenen mensen door hun dagelijks bestaan en wordt hij dagelijks geëerd. Toch is hij al lang gestorven en als dusdanig bewoner van een tijd en ruimte die lang vervlogen zijn. Dat zijn grootsheid als voorbeeld mag dienen, zonder te vergeten dat ook hij het vandaag, veertien eeuwen later, anders zou gedaan hebben.


Recensie door Kevin Torck

Barnaby Rogerson, Mohammed. Biografie van de Profeet, Het Spectrum, 2004

Links
mailto:kevin.torck@telenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be