America’s Right

boek

Robert B. Horwitz

America’s Right van Robert B. Horwitz verhaalt hoe na de Tweede Wereldoorlog een conservatieve beweging die zich kantte tegen het toenmalige establishment erin geslaagd is om een dominante politieke stroming te worden in de VS. Uit deze geschiedenis kan men aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan zeker de nodige nuttige lessen trekken. Na de Tweede Wereldoorlog deelden in de VS de leiders van de Democraten en van de Republikeinen een zelfde visie. Qua binnenlandse politiek bestond er een eensgezindheid dat de staat een economische rol te vervullen had.

Had Keynes immers niet aangetoond dat de vrije markt soms faalt en dat het aan de staat toekomt om dit marktfalen te corrigeren? Men was het er eveneens over eens dat er een sociaal vangnet voor de zwakkeren in de Amerikaanse maatschappij nodig was. De New Deal van de jaren dertig, waarbij een (weliswaar beperkte vorm van) sociale zekerheid in het leven werd geroepen, werd gezien als een belangrijke verwezenlijking en verworvenheid. Op het vlak van de buitenlandse politiek luidde de consensus dat het communistische gevaar moest worden ingedijkt (containment). Er moest worden vermeden dat de Sovjetunie haar invloedssfeer verder kon uitbreiden.

Aan de rechterzijde van het politieke spectrum was er evenwel een bepaalde onderstroom die de zaken fundamenteel anders zag. Op de eerste plaats moest de New Deal worden teruggedraaid. De individuele vrijheid diende weer in ere te worden hersteld. Bijgevolg moest de rol van de overheid worden teruggeschroefd. Op de tweede plaats moest ook het communisme worden teruggedraaid. Er moest niet alleen worden vermeden dat er verder terrein werd verloren aan de communisten. Het terrein dat men al verloren had aan de communisten, moest worden teruggewonnen. Dat deze onderstroom een zekere aanhang kende, kwam naar boven tijdens de presidentsverkiezingen van 1964. Toen slaagde Barry Goldwater, een senator uit Arizona die deze conservatieve anti-establishmentwaarden belichaamde, erin om de presidentskandidaat voor de Republikeinen te worden. Hij was evenwel geen partij voor uittredend president Lyndon B. Johnson. Goldwater haalde slechts 38,5% van de stemmen. Nadien konden de gematigde Republikeinen opnieuw het heft in handen nemen en konden ze de aanhangers van Goldwater buiten spel zetten.

De conservatieven lieten zich echter niet uit hun lood slaan. Integendeel, zeker in de jaren zeventig van de vorige eeuw vormden ze een heel netwerk van denktanks en tijdschriften. Tevens vonden ze aansluiting bij andere belangrijke groepen die tegen de gevestigde orde wilden opkomen. Ten eerste vervoegden vele protestanten de conservatieve coalitie. Ze voelden zich immers belaagd door de toepassing van de in de jaren zestig goedgekeurde federale wetten die onder meer discriminatie op basis van geloof verboden. Tot dan wilden deze fundamentalistische of traditionalistische christenen zich niet veel inlaten met de wereldse zaken. Het liefst van al hielden ze zich in hun eigen kring op.

Nu evenwel de wereldlijke autoriteiten in hun ogen hun rust kwamen verstoren, was voor hen de tijd gekomen om politiek actief te worden. Door het verwerven van politieke macht konden ze hun peis en vree terugwinnen. En, wie weet, misschien kon het heilloze seculier humanisme zelf worden teruggedrongen. Lag het seculier humanisme immers niet aan de basis van de morele verloedering van de Amerikaanse samenleving door de mens de maat van alle dingen te laten zijn, in plaats van God?

Een tweede groep die zich bij de rechtse tegenbeweging aansloot, waren de neoconservatieven. Zij zetten in de verf dat niet alleen de markt kon falen. Ook de overheid kon vaak de bal misslaan. Zo bereiken veel overheidsprogramma’s hun doelstellingen niet. Integendeel, ze maken dikwijls de problemen nog groter. Maar bovenal zou de groeiende rol voor de overheid leiden tot het ontstaan van een nieuwe maatschappelijke klasse, een ‘New Class’ van hooggeschoolden die bij voorkeur in de publieke sector werken. Onder het mom van het algemeen belang zouden zij vooral hun eigenbelang nastreven.

Ten slotte leverden sommige rijke zakenlui de nodige financiële middelen aan. Ze zagen uiteraard brood in de deregulering en de privatisering die vurig werden gepropageerd. Uiteindelijk kon in 1980 een politicus in wie ze hun volle vertrouwen hadden gesteld het tot president brengen. Later waren velen evenwel ontgoocheld in Ronald Reagan. Hij liet zich immers niet voor hun wagen spannen, maar bleef zijn eigen politieke agenda volgen. Zo voerde hij op binnenlands vlak wel veel dereguleringen door, maar tegelijkertijd schrok hij er niet voor terug om de belastingen te verhogen als dit budgettair nodig was. Qua buitenlands beleid sprak hij wel harde taal aan het adres van de Sovjetunie, maar tegelijkertijd kon hij belangrijke ontwapeningsonderhandelingen met Michaël Gorbatsjov succesvol afronden. Na het presidentschap van Roland Reagan bleven de conservatieven hun netwerk verder uitbouwen. Zeker hun aanwezigheid in de media nam gestaag toe, doordat die zich niet meer moesten houden aan strikte regels qua neutraliteit en objectiviteit. Hierdoor konden radio- en televisiestations zich openlijk eenzijdig opstellen en voluit gaan voor de verspreiding van de conservatieve politieke agenda. Aan de tegenpartij moest immers niet meer de gelegenheid voor een wederwoord worden geboden. Inhoudelijk bleven de conservatieven verder op de nagel van meer markt en minder overheid kloppen. Op het gebied van de buitenlandse politiek moest het accent na de ineenstorting van het communisme uiteraard verschuiven. Daar werd nu vooral de nadruk gelegd op het verspreiden van de vrijheid. Zoveel mogelijk landen moesten van ieder autoritair of totalitair juk worden bevrijd.

Als land of the free was voor de Verenigde Staten een belangrijke rol weggelegd. Desnoods moest de vrijheid door militair optreden worden bewerkstelligd. Sommigen gingen zelfs zover om in geweld een instrument voor menselijke vooruitgang te zien, een snelle manier om de wereld te verbeteren. Anderen, zoals de bekende televisiepredikant Jerry Falwell, stelden onverbloemd dat God pro oorlog is. Volgens hem hebben christenen als opdracht de verspreiding van het kwaad met alle mogelijke middelen te doen stoppen, zelfs als dit ten koste gaat van vele mensenlevens. In dergelijke omstandigheden was de oorlog in Irak bijna onvermijdelijk, nu onder president Bush jr. vele personen in strategische posities deze gedachten genegen of alleszins niet vijandig gezind waren.

Recent heeft de Tea Party vooral de neoconservatieve ideologie uitgedragen. ‘Tea’ staat immers voor ‘Taxed Enough Already’: hoe minder overheid, des te minder belastingen we moeten betalen, des te meer geld we zelf overhouden en vrij kunnen besteden. Tegelijkertijd gaat er dan minder geld naar mensen die dat niet verdienen, met name de progressieve ‘elite’ en allerhande minderheden voor wier rekening de progressieve ‘elite’ zou rijden. Hoewel een aantal mensen die in het Amerikaanse conservatisme gepokt en gemazeld zijn proberen om de Tea Party in een bepaalde richting te duwen, gaat het om een beweging die aan de basis is ontstaan en waar gewone burgers nog vaak de dienst uitmaken. Door hun druk is de Republikeinse partij steeds verder naar rechts opgeschoven en lijkt het vinden van politieke compromissen in Washington meer dan ooit onbegonnen werk te zijn.

Je kan je de vraag stellen wat een boek over Amerikaanse politiek Europese lezers kan bijbrengen. Zelf geeft de auteur, Robert B. Horwitz, aan dat Amerikaans conservatief rechts goed garen spint bij Amerikaanse eigenheden. Zo staat vrijheid voor Amerikanen synoniem voor eigendom. Voor hen zijn vrijheid en eigendomsrecht onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zonder eigen eigendom kan men geen vrij bestaan leiden, want anders is men afhankelijk van anderen, via liefdadigheid of steun van de overheid. Dat de conservatieven zich sterk richten op deze diep gewortelde Amerikaanse attitude en daar successen mee boeken, hoeft dan ook geen verbazing te wekken.

Ook op het gebied van de buitenlandse politiek is conservatief rechts geen buitenbeentje in de VS. Al van oudsher zweeft het Amerikaans buitenlands beleid tussen realisme en idealisme, tussen het nastreven van het eigen belang en het uitdragen en verdedigen van bepaalde waarden, tussen het op zichzelf terugplooien en het verbeteren van de wereld. Met hun pleidooi voor interventionisme, eerst om het communistische gevaar te kampen, later om de vrijheid wereldwijd te promoten, plaatst Amerikaanse conservatief rechts zich duidelijk aan de idealistische zijde van het debat.

Niettemin kunnen Europese lezers veel halen uit America’s Right. Zo maakt een lezing van het boek duidelijk dat conservatisme een vlag is die vele ladingen dekt. Het hedendaagse Amerikaanse conservatisme staat mijlenver van het traditionele Europese conservatisme van Edmund Burke en Alexis de Tocqueville. Daar waar Europese conservatieven traditie en gemeenschapswaarden accentueren, staan voor Amerikaanse conservatieven vrijheid en individualisme centraal. Daar waar Europese conservatieven opteren voor behoedzaamheid, zijn Amerikaanse conservatieven niet vies van voortvarendheid. Ironisch is wel dat de eerste Amerikaanse neoconservatieven juist waarschuwden voor al te veel daadkracht van overheidszijde. Want hebben veel overheidsprogramma’s niet de onhebbelijke gewoonte om veel ongewenste neveneffecten met zich te brengen? Latere neoconservatieven leken die les vergeten te zijn en leken zich niet druk te maken over de ongewenste gevolgen die bijvoorbeeld de invasie van Irak kon meebrengen.

Tevens toont America’s Right aan dat mikken op statusangst een electoraal lonende strategie kan zijn. Inspelen op de schrik om de opgebouwde welvaart verloren te zien gaan of om in te boeten aan maatschappelijk aanzien kan een manier vormen om veel stemmen te behalen bij bepaalde maatschappelijke groepen. Zo raakten de Democraten veel stemmen bij blanke arbeiders in de noordelijke Verenigde Staten kwijt, omdat hun Republikeinse tegenstrevers en hun conservatieve medestanders handig inhaakten op hun ongerustheid dat ze door maatregelen van positieve discriminatie ten behoeve van bepaalde minderheden zelf minder aan de bak zouden komen.

Ten slotte bevat het zesde en laatste hoofdstuk van America’s Right twee interessante aanbevelingen. Enerzijds waarschuwt Horwitz terecht voor het gevaar van utopisme en dogmatisme. Ideologieën moeten steeds voeling blijven houden met de realiteit. Anders staat de deur wagenwijd open voor gevaarlijke experimenten. Idealen moeten aan de basis liggen van een politieke stroming, maar deze idealen moeten altijd aan de feiten op het terrein worden afgetoetst. Men dient te allen tijde de vraag te stellen in hoeverre de droombeelden bewaarheid worden, dan wel of er onverwachte obstakels op de weg opdoemen. Stelt men deze vraag niet, raakt men dermate opgesloten in het eigen ideaalbeeld dat men geen acht meer slaat op vaststellingen die er haaks op staan. Politieke denkers als Popper en Berlin wezen op het grote gevaar hierop binnen het communisme. Een zelfde risicovolle tendens om onwelgevallige feiten te negeren en ondanks alles door te gaan op de ingeslagen weg ontwaart Horwitz binnen Amerikaans conservatief rechts. Hoe ironisch om hierin een grote gelijkenis te vertonen met de grote vijand van weleer…

Anderzijds pleit Horwitz voor een strikte scheiding tussen religie en politiek. Dat wil niet zeggen dat politici zich niet door religieuze motieven zouden mogen laten leiden. Deze politici moeten zich wel houden aan de regels van het democratisch debat. Die veronderstellen dat de argumenten die men in een politieke discussie aanwendt, toegankelijk zijn voor iedereen en kunnen worden afgetoetst. Dit houdt in dat iedereen die deelneemt aan het debat de feiten die men aanvoert om zijn punt te maken kan begrijpen en kan beoordelen of die al dan niet kunnen worden weerlegd door andere feiten. Hierdoor kan men geleidelijk aan de discussie uitpuren met de bedoeling om tot een onderhandelde oplossing te komen. Bijgevolg horen religieuze argumenten niet in een politieke discussie thuis. Niet alleen zijn dergelijke argumenten uitsluitend bestemd voor de eigen aanhang en zijn ze geenszins bedoeld om anderen te overtuigen. Ze zijn eveneens gebaseerd op zaken zoals overlevering of geloof die niet aan een objectief tegensprekelijk debat onderworpen kunnen worden. Men gelooft in iets of men gelooft er niet in, maar een tussenpositie lijkt niet echt mogelijk. Derhalve is het gevaar zeer groot dat men dermate van het eigen gelijk overtuigd is dat men geen enkele onderhandelingsmarge meer laat om een politiek compromis te bewerkstelligen.

Bij veel protagonisten van de Tea Party zijn het religieuze en politieke discours evenwel enorm met elkaar verweven. Zo is voor velen onder hen de Amerikaanse Grondwet een even heilige tekst als de Bijbel. Net als de Bijbel moet de tekst van de Grondwet letterlijk worden genomen. Voor is er geen ruimte om de Grondwet een levend instrument te laten zijn, om de tekst ervan te ‘hertalen’ naar de 21e eeuw, om aan de geest van de Grondwet een meer hedendaagse invulling te geven. Insgelijks stelde Sharron Angle, die in Nevada de Republikeinse kandidate voor de Senaat was in 2010, in een radio-interview dat sociale zekerheid en sociale bijstand ingaan tegen het Eerste Gebod: “Gij zult geen afgoden vereren, maar alleen God aanbidden en boven alles beminnen”. Men zou immers op God moeten vertrouwen voor bescherming, assistentie en dagelijks brood. Door de welvaartstaat wordt God evenwel vervangen door de overheid die eigenlijk op die manier de rol van afgod op zich neemt. Hoe kun je met zulke mensen nog in een rationeel debat treden?

Robert B. Horwitz stelt onomwonden dat de Verenigde Staten geen liberale democratie meer zijn. Er worden nog wel verkiezingen gehouden, maar die produceren maar weinig concrete gevolgen doordat alles in het Congres geblokkeerd wordt. Persoonlijk zou ik niet zover gaan. In de VS kan de president immers nog veel beleid realiseren zonder daarvoor de hulp van het parlement nodig te hebben. Feit is wel dat het vertrouwen in het Congres nog nooit zo laag geweest is als nu. En dat zou de Amerikaanse parlementsleden toch zorgen moeten baren.


Recensie door Lieven Monserez

Robert B. Horwitz, America’s Right. Anti-establishment Conservatism from Goldwater to the Tea Party, Polity Press, Malden, 2013, 279 blz.

Links
mailto:lieven.monserez@telenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be