De boom van goed en kwaad

boek vrijdag 29 april 2005

Jan Remans

We leven in tijden van onverschilligheid waarin mensen het verschil tussen goed en kwaad niet meer kennen. Dat is de gangbare stelling over het gedrag van de hedendaagse mens. Nochtans werd de voorbije jaren nog nooit zoveel over ethiek en moraal gepraat als voordien. Begrippen als ethisch ondernemen, ethisch beleggen en ethisch handelen staan in het middelpunt van de belangstelling. Vooral inzake onze gezondheid, genetisch gewijzigde gewassen, experimenten met dieren, medisch begeleide voortplanting, het menselijk klonen en humane gentherapie staat de ethiek centraal. Het maakt dat we dagelijks geconfronteerd worden met de problematiek van goed en kwaad, de eigenheid van de morele ervaring, een ethiek voor medische zorgen, het verkennen en verleggen van bio-ethische grenzen, vooral dan over het begin en het einde van het leven. Over de enorme ontwikkelingen van de biotechnologie en de ethische aspecten die er verband mee houden schreef Jan Remans een indrukwekkend boek onder de titel De boom van goed en kwaad. Over bio-ethiek, biotechniek en biopolitiek. Als arts en als lid van de bijzondere senaatscommissie voor bio-ethiek was hij vier jaar lang nauw betrokken bij moeilijke bio-ethische kwesties als het euthanasiedebat, de genetisch gewijzigde planten en dieren, het onderzoek op embryo’s, het therapeutisch en reproductief kloneren en de mogelijkheden van de humane gentherapie.

Het uitgangspunt van Jan Remans is het humanisme en het rationalisme, een houding zo schrijft hij, die de westerse ethiek al kenmerkt sinds de tijd van de Grieken en Romeinen en die door de joods-christelijke traditie wel werd gecorrigeerd of geradicaliseerd maar nooit principieel afgewezen. Dat laatste klopt niet helemaal. Dat blijkt ondermeer uit de afwijzende houding van de kerk tegenover de autonomie van de mens en ‘het christelijk nihilisme met zijn verering van de zelfkwelling, het van doodsverlangen vervulde lijden en de morele verheerlijking van pijn’, zoals de Franse filosoof Michel Onfray dat omschrijft. De auteur verdedigt een ethisch liberalisme waarin vrijheid en zelfbeschikking essentieel staan, namelijk het recht om volgens je eigen ethische keuzes te leven. Dat wil niet zeggen dat die vrijheid en zelfbeschikking absoluut zijn. Ethiek bestaat immers alleen in de relatie tot de ander en de andere. Het houdt dus ook verantwoordelijkheid in, niet alleen tegenover de ‘moreel aanspreekbaren’, maar ook tegenover wezens die niet aanspreekbaar zijn zoals kinderen tot een zekere leeftijd, mentaal gehandicapten, menselijke embryo’s en foetussen. Ze behoren allen tot de ‘morele gemeenschap’, en ook hun belangen spelen mee. Die gemeenschap zou men zelfs kunnen uitbreiden tot de toekomstige generaties (bijvoorbeeld inzake milieudiscussies) en zelfs tot anderen levende wezens, zoals dieren.

Jan Remans sluit aan bij de Kantiaanse gedachte dat we de mens nooit als een middel maar steeds als een doel moeten benaderen. Daarmee zet de auteur zich af van partijen die de ethische waarheid voor zichzelf opeisen en zo proberen de volmaakte samenleving te scheppen. Een dergelijk streven, zoals onder totalitaire regimes gebeurde, zorgde in het verleden voor de grootste menselijke drama’s. De auteur verwerpt het ethisch dogmatisme maar evenzeer het ethisch nihilisme. Er bestaan wel degelijk ethische minimumnormen, namelijk de universele mensenrechten, zoals de vrije meningsuiting, de godsdienstvrijheid, de gelijkwaardigheid van alle mensen en het recht op zelfbeschikking. Zo is elke mens bijvoorbeeld gevoelig voor pijn en lijden ongeacht religieuze en culturele verschillen. ‘Daarom moeten normen en wetten die de kwetsbare mens beschermen, universeel zijn’, zo schrijft Remans. Maar zelfs met wetten kunnen we niet alles oplossen. Wetten zijn immers algemeen terwijl ethische situaties waarmee artsen geconfronteerd worden heel persoonlijk en verschillend kunnen zijn. De wet kan dus niet meer dan een kader vastleggen waarin medici hun ethische verantwoordelijkheid kunnen opnemen.

Intussen neemt de biotechnologie een enorme vlucht en dat brengt nieuwe ethische problemen met zich mee. De voornaamste kernpunten zijn de volgende: nieuwe eugenetische praktijken mogen de menselijke waardigheid niet aantasten, de gentechnologie en de daarmee verbonden patentrechten op genen mogen niet uitsluitend gedomineerd worden door het winstprincipe en de nieuwe toepassingen mogen niet leiden tot discriminatie of benadeling. Het zijn problemen die vroeger al werden opgeworpen door ondermeer Francis Fukuyama in zijn boek De nieuwe mens waarin hij wijst op bepaalde gevaren van de biotechnologie. Sommigen opteren voor het aan banden leggen van elk onderzoek en sporen daarmee met Plato die droomde van ‘eeuwige en onveranderlijke normen’. Anderen sluiten aan bij Aristoteles die zich bewust was van het ‘relatieve karakter’ van ethische normen. Remans is voorstander van een evolutieve ethiek. De auteur wijst erop dat Europa een zeer restrictieve normering oplegt waardoor we een achterstand kunnen oplopen tegenover de wetenschappers elders. Meer overtuigend is zijn argument dat verder onderzoek noodzakelijk is omdat het ‘onze verdomde plicht’ is om ziektes en honger te bestrijden. ‘De overheid heeft de opdracht ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen zo gezond mogelijk zijn’, zo schrijft hij. Dus moet ook de ethiek voortdurend bijgesteld worden.

Er stelt zich dan ook een ethisch-politiek probleem. De spectaculaire toename van middelen en technieken om mensen langer en beter te laten leven kost geld. Het budget van de ziekteverzekering is de voorbij vijftien jaar meer dan verdubbeld. De vraag stelt zich hoe we dat systeem betaalbaar kunnen houden? ‘Geen overheid beschikt over voldoende middelen om aan alle verwachtingen en eisen tegemoet te komen’, zo schrijft Remans terecht. We zullen dus moeten kiezen, bijvoorbeeld eerder voor levensverbeterende technologieën dan voor levensverlengende technologieën. En we moeten willens nillens nadenken over meer ‘marktwerking’ en ‘gereguleerde concurrentie’ in de gezondheidszorg waarbij onafhankelijke patiëntenverenigingen met de hulp van experten gestructureerd participeren in het vastleggen van prioriteiten. Voorrang moet ook gaan naar zaken die een groot positief effect hebben voor velen. En hij keert zich resoluut tegen het gedeeltelijk terugbetalen van homeopatische behandelingen waarvan geen enkele wetenschappelijke efficiëntie bewezen is.

Remans beseft dat de nieuwe mogelijkheden van de biotechnologie, de biogenetica, de medisch begeleide voortplanting, de kloonproblematiek en de gentherapie met foute bedoelingen kunnen worden toegepast. Vanwege de snelle vooruitgang in de wetenschap en de techniek, alsook vanwege de veranderingen in het maatschappelijk ethisch denken, pleit hij voor ‘een erkend multidisciplinair comité terzake die het onderzoek telkens in goede banen kan leiden en praktische toepassingen ervan kan beoordelen’. Op die manier wil hij de broodnodige opening houden naar verdere toepassingen en onderzoek. Eén van die onderzoeken is die naar genetisch gewijzigde gewassen, iets wat op heel wat tegenstand stuit. Nochtans kan het resistent maken van gewassen tegen insecten en virussen enorm bijdragen in de strijd tegen de honger. Hij geeft het voorbeeld van rijst dat gekweekt wordt met extra vitamine A, die miljoenen mensen voor blindheid kan behoeden. Daarmee gaat Remans fors in tegen het doemdenken bij heel wat antiglobalisten die vinden dat niemand ‘aan de natuur mag sleutelen’, maar de auteur wijst erop dat heel wat ‘natuurlijke’ gewassen die we thans gebruiken juist het resultaat zijn van eeuwenlange veredeling. En, zo schrijft hij, ‘met welk recht ontzeggen we honderden miljoenen hongerigen in de wereld de hoop op een leven zonder honger?’

Even controversieel is zijn pleidooi om de positieve resultaten van het kloneren bij dieren onder ogen te nemen. Men kan er bedreigde diersoorten mee in stand houden, gentechnologie kan dieren opleveren die meer melk leveren of melk van een betere kwaliteit, en xenotransplantatie kan het tekort aan menselijke donors van organen voor transplantatie opleveren. Hiermee gaat Remans allicht in tegen de principiële bezwaren van organisaties als Gaia, en hij beseft dat de trend naar meer dierenwelzijn onomkeerbaar is. Daarom pleit hij voor het proportionaliteitsprincipe dat impliceert ‘dat de schade en het leed die aan dieren worden toegebracht in een gepaste of proportionele verhouding (moet) staan tot het voordeel dat van de behandeling verwacht mag worden.’ De auteur verdedigt het principe van het vrij onderzoek. Hij weigert de wetenschap aan banden te leggen met het argument dat ze ook voor onethische doeleinden zouden kunnen gebruikt worden. ‘Het zijn de misbruiken in de toepassingen die moeten vermeden worden, niet het onderzoek’, aldus de auteur. Hij verwerpt het argument van het ‘hellend vlak’. Moest men dit consequent toepassen dan had men ook het wiel niet mogen uitvinden want zonder wielen waren er geen tanks, maar ook geen ziekenwagens. In die zin ziet hij ook mogelijkheden in het therapeutisch kloneren om lichaamscellen te produceren die kunnen bijdragen tot de genezing van bepaalde ziekten zoals diabetes, Parkinson en Alzheimer. Bij de huidige stand van de wetenschap is het reproductief kloneren van mensen af te keuren. Wel is onderzoek nodig om te weten of het reproductief kloneren technisch, medisch en ethisch verantwoord is.

Zo komt hij tot de meest beduchte maar tegelijk meest hoopgevende kwestie, de humane gentherapie waarbij men erfelijk materiaal van mensen wijzigt. Het kan oplossingen bieden voor ziektes die alsnog ongeneeslijk zijn. Hiermee zitten we op het gevoelige terrein van de eugenetica, een begrip dat sinds de nazi’s zoveel negatieve connotaties kreeg. Remans wijst evenwel op positieve mogelijkheden zoals het voorkomen dat kinderen geboren worden met een open rug, mucovisidose, hemofilie of suikerziekte. De grenzen tussen therapie en verbetering van ons functioneren als individu zijn evenwel flinterdun. De tegenstand aan genetische manipulatie kan intens blijven en lang duren, maar wetenschap en techniek blijven zich uitbreiden. Het is niet denkbaar dat we deze verbeteringen niet zullen benutten. Zoals Professor De Duve is de auteur voorstander van een vorm van eugenetica die gericht is op de gelijktijdige en harmonieuze verbetering van al onze menselijke vermogens. Remans eindigt met een al even omstreden onderwerp: euthanasie. De auteur schrijft dat voor de goedkeuring van de wet, deze praktijk zich in een schemerzone bevond. Het gaat om het recht van de patiënt om zelf over zijn lichaam te beslissen in geval van een uitzichtloze en ongeneeslijke aandoening met ondraaglijk lijden. De wet voorziet verder in tal van voorwaarden en controlemechanismen teneinde misbruiken te voorkomen.

Al met al is dit moedig pleidooi om de deuren naar onderzoek rond gevoelige thema’s als leven en dood niet te sluiten, maar ze integendeel wijd open te houden voor zover ze onder gepaste controle gebeurt. Jan Remans beseft dat hij het Grote Gelijk niet in huis heeft. In die zin schaart hij zich achter het Popperiaanse beginsel dat dé Waarheid niet bestaat. Hij schrijft niet dat een biotechnologische revolutie alle kwalen uit de wereld zal helpen. Hij wil wel kleine, goed gecontroleerde stapjes zetten, waardoor vermijdbaar lijden kan worden aangepakt. Hiermee spoort hij met een ander standpunt van Popper: ‘Als we de wereld niet opnieuw in het ongeluk willen storten, moeten we onze dromen over het gelukkig maken van de wereld opgeven. We moeten desondanks wereldverbeteraars blijven - maar bescheiden wereldverbeteraars. We moeten ons tevreden stellen met de nooit eindigende taak het lijden te verminderen, vermijdbaar kwaad te bestrijden, misstanden op te ruimen; en daarbij steeds een open oog hebben voor de ongewilde gevolgen van ons ingrijpen waardoor de balans van onze verbeteringen maar al te vaak doorslaat naar de negatieve kant.’ Dit boek vormt een uitnodiging naar een open dialoog over zaken die elke mens aanbelangen.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Jan Remans, De boom van goed en kwaad, Acco, 2005

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be