Hitlers religie

boek maandag 05 november 2007

Michael Hesemann

Elf jaar terug verscheen het opzienbarende boek Hitlers gewillige beulen van de Amerikaanse historicus en politicoloog Daniël Goldhagen. Daarin verdedigde hij de these dat de Holocaust een specifiek Duits gebeuren was, waarvoor het Duitse volk een collectieve verantwoordelijkheid droeg. Zijn boek zorgde voor een schok. Belangrijke joden als Elie Wiesel schaarden zich achter zijn stelling, maar andere prominente historici zoals Raul Hilberg en Norman Finkelstein wezen het radicaal af. Volgens Goldhagen waren het niet alleen SS'ers of leden van de nazipartij, maar doodgewone Duitsers uit alle lagen van de bevolking, mannen en vrouwen die uit eigen vrije wil en uit overtuiging de joden mishandelden en vermoorden. Goldhagen beklemtoont dat de Duitse maatschappij lang voor Hitler aan de macht kwam, doordrongen was van een diepgeworteld en alomtegenwoordig antisemitisme, en dat er een wijdverbreid beeld bestond dat de joden op de een of andere wijze geëlimineerd dienden te worden uit de Duitse maatschappij. De religieuze overheden, zowel katholieken als protestanten, toonden zich in de daarop volgende jaren dan ook onverschillig en passief tegenover de vervolging en de uitroeiing van de joden. In zijn volgende boek Een morele afrekening stelde Goldhagen dat het antisemitisme intergraal deel uitmaakte van de katholieke leer, en aldus de belangrijkste voedingsbodem vormde voor de Holocaust.

De historicus Michael Hesemann gaat met zijn boek Hitlers religie in tegen deze visie. Zijn stelling is dat Hitler en de nazi-kopstukken overtuigd waren dat ze handelden in opdracht van God en dat het nationaal-socialisme niet zozeer een politieke ideologie was, maar ‘een mythisch-religieuze wereldvisie die zich baseerde op de mythe van het bloed als drager van de ziel, en dit in samenhang met een eschatologische heilsleer’. Die heilsleer kwam volgens de auteur voort ‘uit de esoterische stromingen van de negentiende eeuw – van de theosofie en ariosofie, tot het wagneriaanse Pan-Germanisme’. Dat het nazisme een religieuze dimensie aannam klopt. Hitler werd voorgesteld als de ‘verlosser’, Mein Kampf werd geprezen als het nieuwe evangelie, de partijdagen van de NSDAP verliepen als een liturgie, in tal van private woningen werden ‘Hitleraltaren’ geplaatst, ‘martelaren’ voor de goede zaak werden op een rituele wijze herdacht (in 1923 verloren zestien leden van de partij hun leven tijdens de mislukte putsch van de nazi’s in München), en vooral de blinde gehoorzaamheid door een groot deel van de bevolking zijn daar kenmerken van. In 1928 schreef Goebbels in zijn beruchte dagboeken: ‘Mijn partij is mijn kerk en ik geloof dat ik de Heer het beste dien wanneer ik zijn (Hitlers) wil vervul en mijn onderdrukte volk bevrijd van de ketenen van de slavernij. Dat is mijn evangelie.’

Uiteraard wijst Hesemann op de radicale jodenhaat die het nazisme vanaf het begin kenmerkte, maar ook op een ander minder gekend aspect, namelijk dat Hitler de kerk evenzeer haatte als de joden, en ook het christendom wou vernietigen in wat de auteur ‘de tweede Holocaust’ noemt. Weliswaar zou de Führer de vervanging van de kerk door zijn eigen religie uit opportunistische redenen pas na de ‘eindoverwinning’ hebben willen doorvoeren, kwestie van de Duitse gelovigen niet tegen zich in het harnas te jagen, maar Hesemann is ervan overtuigd dat dit wel het uiteindelijke doel was. Hitler zag zichzelf als de nieuwe Messias met een nieuwe religie die niet gebaseerd zou zijn op liefde en deemoed, maar op geweld en meedogenloosheid. Het is een controversiële stelling die naarmate men het boek leest uiteindelijk een specifiek doel heeft: aantonen dat de katholieke kerk in het algemeen en paus Pius XII in het bijzonder het doelwit waren van een nazistisch complot, en dat de kerk en haar leider zich al die jaren krachtdadig opstelden tegen Hitler en zijn kompanen. Een visie die diametraal staat tegenover die van Goldhagen. Om zijn stelling te onderbouwen toont de auteur aan dat het nationaal-socialisme zowel inhoudelijk als materieel maar van de grond kon komen door de input van allerlei duistere figuren en groeperingen die dweepten met esoterische, occulte en heidense geschriften en ideeën.

Hesemann steunt hiervoor op de herontdekking in 2001 van de persoonlijke bibliotheek van Hitler die gevonden werd in een zoutmijn in de buurt van Berchtesgaden en later terechtkwam in Washington DC. Het bevat tal van boeken over ‘het westerse occultisme, vanaf de oosterse mystiek tot de leer van Jezus’. De auteur citeert er gretig uit en benadrukt de impact van Wagners muziek. ‘In het werk van Wagner werd voor mij voor de eerste keer de mythe van het bloed geopenbaard,’ schreef Hitler en hij geloofde vanaf dan nog enkel in de ‘Arische’ Christus, ‘met blond haar en blauwe ogen, en net zo heroïsch als Siegfried’. Wagner wees de afstamming van Jezus van een joods koningsgeslacht af, voor hem was Jezus een Gallieeër, aldus Hesemann. Hij wijst ook op de impact van ideeën van Guido List, Lanz von Liebenfels en Houston Stewart Chamberlain die geloofden in een uniek Arisch ras, en dat een verbond van ‘de katholieke kerk, de joden en de vrijmetselaars’ zou samenspannen tegen de Ariërs. Maar de beslissende impact op Hitler en zijn partij was volgens de auteur het Thulegenootschap, een soort Germaanse antisemitische loge die zich afkeerde van het door het christendom verkondigde principe van de ‘gelijkheid van alle mensen’. Verschillende latere nazi-leiders zouden hierin actief zijn geweest zoals Rudolf Hess, Hans Frank, Alfred Rosenberg en Dietrich Eckhart. En het embleem van Thule, het hakenkruis, zou later het officiële symbool worden van de nazi’s.

Met deze bevindingen probeert Hesemann aannemelijk te maken dat Hitler ook en vooral tegen de kerk vocht. De bewijslast die hij hiervoor aanbrengt is niet eenduidig, berust op vermoedens of is gebaseerd op twijfelachtige bronnen zoals die van Hermann Rauschning en Konrad Löw. Daartegenover staat vast dat artikel 24 van het programma van de NSDAP bepaalde dat het nationaal-socialisme zou worden opgebouwd ‘op de basis van een positief christelijk geloof’ en dat Hitler zich bij verkiezingscampagnes regelmatig uitdrukkelijk opwierp als een ‘katholieke’ kandidaat. De auteur interpreteert het begrip ‘positief christendom’ als een antipode voor het katholicisme, maar andere historici zien dit net als de uitdrukking van een christendom dat zou gezuiverd zijn van de joden. En dat laatste bracht Hitler met de Endlösung effectief in praktijk. Of hij na de ‘eindoverwinning’ ook de kerk en het katholicisme wou uitroeien blijft aldus een gissing. Wat wel klopt was de heropleving van oude heidense feesten bij de Hitlerjugend, en vooral de manier waarop Heinrich Himmler vanuit een schimmig sektarisch gedachtegoed de SS organiseerde. Kerkelijke huwelijken waren verboden voor SS-ers en het was de Reichsführer-SS zelf die toestemming moest geven voor een huwelijk. Daarbij moesten ze zich onderwerpen aan zware proeven en bijzondere geloftes afleggen, met een tatoeage als kenteken van het lidmaatschap.

Zo komt Hesemann tot zijn cruciale boodschap: de al dan niet medewerking, of op zijn minst nalatigheid van de kerk en de paus in de jaren voor en tijdens de oorlog. Over de protestanten is hij bijzonder kort, die lieten zich onmiddellijk inschakelen. Maar voor de katholieken brengt de auteur een reeks voorvallen aan bod die moeten aantonen dat er vanuit de kerk een bijzonder fel en georganiseerd verzet bestond. Dat er verzet is geweest is duidelijk. Een aantal geestelijken zijn door de nazi’s wegens hun afkeer voor het nazisme gedeporteerd en vermoord. Er zijn brieven verspreid en preken uitgesproken waarin men misstanden van het nazisme aanklaagde. En er was de beruchte encycliek Mit brennender Sorge die in 1937 werd voorgelezen op bijna alle Duitse kansels. Maar daarbij ging het er vooral om de positie van de kerk en haar gelovigen te beschermen. Zo kwam er verzet tegen de verordende ontbinding van huwelijken van gemengde ‘rassen’ waarbij men joden die zich bekeerd hadden tot het christendom wou helpen. Cruciaal was evenwel dat de kerk niet echt in opstand kwam tegen de vervolging, deportatie en vernietiging van de joden – zo zweeg de kardinaal-staatssecretaris Pacelli en latere paus Pius XII toen de Neurenbergse rassenwetten werden afgekondigd die de joden tot Untermenschen degradeerde en die het begin vormde van de Endlösung.

Dat verzet vanuit de hoek van de geestelijkheid effect kon hebben en ook had, werd bewezen door hun protest tegen het beruchte T4-programma van de nazi’s, de actieve euthanasie op lichamelijk en geestelijk gehandicapten in Duitsland en Oostenrijk, waarbij tienduizenden mensen uit de weg werden geruimd. Hitler zette het programma stop wegens het protest van protestantse en katholieke groepen. De centrale vraag blijft waarom paus Pius XII zijn grote morele gezag niet gebruikte om de moord op miljoenen joden te veroordelen. Hesemann schrijft dat de bisschoppen niet in staat waren om de Holocaust tegen te houden. Natuurlijk, want hoe zou dat gekund hebben zolang de vertegenwoordiger van God zelf zweeg? Heel de wereld zweeg, repliceert de auteur, en daar heeft hij grotendeels gelijk, maar dat ontslaat Pius XII niet van zijn verantwoordelijkheid. Zijn terughoudendheid terzake vloeit volgens Hesemann voort uit een bekommernis ‘ad maiora mala vitanda’ (teneinde groter kwaad te voorkomen). Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Dat de paus door de nazi’s ontvoerd zou worden, terwijl intussen miljoenen joden werden afgeslacht?

Met een ronduit kromme redenering probeert de auteur het stilzwijgen van de paus te verantwoorden bij de deportatie van 1.035 joden uit het getto van Rome, want zo had hij ‘4.447 anderen gered’ en dit via een vermeende tussenkomst bij bisschop Alois Hudal, de rector van de Duitse nationale kerk. Hudal was na de oorlog een van de hoofdrolspelers in het helpen ontsnappen van nazi-criminelen als Adolf Eichmann en Robert Mengele naar Zuid Amerika. In een laatste vertwijfelde poging om de ‘daadkracht’ van de paus te bewijzen gaat Hesemann zelfs de potsierlijke toer op want ‘hij (de paus) probeerde meerdere keren tijdens de Tweede Wereldoorlog door middel van exorcisme op afstand de duivel uit hem (Hitler) te drijven’. De auteur toont met dit voorbeeld feilloos aan dat de paus niet alleen wereldvreemd was, maar tegelijk moreel verkeerd. Een openlijke verwerping van het nazisme en de jodenvervolging zou meer dan welke geallieerde actie ook hebben geleid tot een afkeer voor de nazistische waanzin en een mogelijke opstand door de bevolking.

‘Het christendom en het nationaal-socialisme waren in feite onverenigbaar, hetgeen van beide kanten eveneens vanaf het begin werd onderkend,’ schrijft Hesemann. Net daarom is het zo bizar dat de paus doofstom bleef voor de gruweldaden van de nazi’s, waarvan hij al lang op de hoogte was. Natuurlijk waren er ook gewone katholieken en protestanten, ook geestelijken, die op eigen initiatief joden hielpen. Er was de heldhaftige verzetsdaad van Hans en Sophie Scholl die vanuit hun christelijke overtuiging pamfletten verspreidden tegen Hitler, en dit met de dood moesten bekopen. Maar er waren veel meer anderen die hun blik afwendden of zelfs actief meewerkten met de nazi’s. Miljoenen partijleden in het Derde Rijk bleven trouw aan hun christelijk geloof. In 1933 wonnen de Deutsche Christen, een aan de nazi’s gelieerde geloofsgroep, overtuigend de verkiezingen voor de kerkraden. Verschillende kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders zoals de kardinalen Adolf Bertram, Michael Faulhaber, Theodor Innitzer, Ludwig Muller, Conrad Gröber, Lorens Jäger, Alois Hadal en anderen werkten samen met de nazi’s en droegen met hun openlijke antisemitisme bij tot de Endlösung. Het nazi-regime had zonder de steun van de kerk haar Neurenbergse jodenwetten niet kunnen uitvoeren. De kerk stelde haar bevolkingsregisters open voor de nazi’s, zodat die konden nagaan in hoeverre de voorouders van burgers joods waren. Dit waren cruciale zaken die de Holocaust mee mogelijk maakten.

In die zin markeerde de Holocaust volgens de gezaghebbende filosoof Sam Harris ‘het hoogtepunt van het Duitse tribalisme en tweeduizend jaar christelijk gescheld op de joden.’ En hij wijst erop dat de kerk nooit één hooggeplaatste nazi excommuniceerde, ook Hitler niet, en dat Mein Kampf nooit op de Index van de verboden boeken terechtkwam. Zelfs niet in 1948 toen de Index-commissie nog de Méditations van Descartes, de Lettres Persanes van Montesquieu en Le Rouge et le Noir van Stendhal op hun zwarte lijst plaatsten. In januari 1945, toen de nederlaag voor het nazi-regime onafwendbaar was, de joden in de concentratiekampen crepeerden en talloze burgers in platgebombardeerde steden in de diepste misère zaten, maande de aartsbisschop Lorenz Jäger van Paderborn de katholieken aan om door te vechten tegen ‘het liberalisme en individualisme enerzijds, en het collectivisme anderzijds’. Misschien overdreef Goldhagen toen hij verklaarde dat de Holocaust enkel kon plaatsvinden in Duitsland. Maar wel juist is dat de haat tegen de joden in Duitsland en Oostenrijk dermate groot was dat ze de condities creëerden waarin een dergelijke barbarij op industriële schaal mogelijk werd.

Dat Hitlers ‘religie’ mee beïnvloed werd door allerlei obscure bewegingen en ideeën klopt. Maar het grote drama van de Shoah was niet mogelijk geweest zonder het wijdverbreide christelijke antisemitisme dat in het begin van de twintigste eeuw zo’n sterke invloed had, zowel in Duitsland als in andere Europese landen. Hitler en zijn trawanten waren natuurlijk de hoofdschuldigen, maar tal van kerkleiders, en andere anonieme en christelijke Duitsers deden bewust of onbewust mee. Ook zij dragen een verpletterende verantwoordelijkheid voor het grootste drama in de geschiedenis van de mensheid.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Michael Hesemann, Hitlers religie, Aspekt, 2007, 494 blz.

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be