Het gevaar van de Joodse erfenis

boek vrijdag 06 februari 2009

Hans Reijzer

De Nederlandse psychoanalyticus Hans Reijzer onderzoekt in dit boek het thema van de driehoek Freud, de psychoanalyse en haar Joodse erfenis. Zijn stelling is dat deze koppeling tot moeilijkheden heeft geleid binnen de psychoanalytische wereld maar ook in de verhouding van de psychoanalyse tot haar omgeving. Door het analyseren van een aantal incidenten verneemt de lezer hoe met de Joodse connectie in de psychoanalyse wordt omgegaan. In de inleiding van Het gevaar van de Joodse erfenis stelt de auteur dat de psychoanalyse vanaf het begin gezien werd als een louter Joodse aangelegenheid. Daardoor zijn psychoanalytici steeds op hun hoede geweest om niet terecht te komen in de typische positie van de Jood, namelijk die van outsider. Reijzer benadrukt dat het boek gaat over de interactie tussen Joden, niet- Joden en de psychoanalyse in een niet- Joodse omgeving. Het is een speurtocht geworden naar die momenten waarop het vermeende Joodse karakter van de psychoanalyse aan de orde is in de geschiedenis.

In de eerste drie hoofdstukken peilt de auteur naar de verhouding van Freud tot zijn Joodse achtergrond en de verhouding van anderen tot die achtergrond. Eerst onderzoekt hij de driehoek Freud-Jung-Abraham. Vanaf 1906 voert Freud met beiden een uitgebreide correspondentie, waarin ze patiënten naar elkaar verwijzen, behandelingen bespreken en meningen over collega’s uitwisselen. Als in 1910 Jung, een Zwitserse domineeszoon, wordt benoemd als President voor het leven van de Internationale Organisatie van Psychoanalytici, voelt de groep van de Weense (voornamelijk Joodse) analytici zich gepasseerd. Freud reageert volgens Wittels, Freuds eerste biograaf, furieus met de woorden: ‘De meesten van jullie zijn Joden en daarom niet in staat om vrienden te winnen voor de nieuwe leer(…) De Zwitsers zullen ons redden.’ Freud heeft zich in zijn persoonlijke geschiedenis altijd Jood geweten en zich daarnaar gedragen, maar hij wilde zich door zijn Joodse origine niet laten ‘dwarsbomen’. Abraham, de Berlijnse voorman van de psychoanalyse, durft soms dingen te zien die Freud liever onbesproken laat, zoals onder meer Jungs antisemitisme. Ondanks zijn buitengewone intelligentie en zijn loyaliteit tegenover Freud zal hij in die driehoek steeds de mindere blijven.

Vervolgens bespreekt Reijzer de vriendschap tussen Freud en Pfister, die haar weerslag vindt in hun briefwisseling. Freud hoopt om via deze energieke dominee-veelschrijver het psychoanalytisch gedachtegoed te verspreiden in Zwitserland en het te verbreden naar het pastoraal werk. Over de politieke werkelijkheid in de turbulente Weimar- republiek en de ontwikkelingen in het Derde Rijk wordt met geen woord gerept. De vriendschap overleeft zelfs Freuds publicatie Die Zukunft einer Illusion, een studie naar de functie van cultuur en godsdienst gezien door Freuds bril. Na grondig onderzoek van desbetreffende correspondentie meent de auteur dat Pfisters reacties niet verschillen van het oordeel van de als zodanig bekendstaande antisemiet, Emil Aberhalden. Deze veelzijdige bioloog ‘gruwde van het schouwspel van een Jood die (…) het lef had een oordeel te vellen over het Christelijk geloof.’ Tenslotte wordt Freuds boek Der Mann Moses und die monotheistische Religion, besproken. Freud geeft hierin zijn visie op het ontstaan van het Joodse volk. Het is het werk waarin hij zich het meest expliciet als Jood neerzet. Als het boek in 1939 verschijnt, moet dat in het dan nog neutrale Nederland gebeuren. Freud nadert zijn dood en het nazisme is aan de macht. Wat zal er met de psychoanalyse en met de Joden gebeuren? Deze vraag moet zeker in zijn achterhoofd gespeeld hebben, maar het reële gevaar van het nazisme heeft hij nooit, zoals vele Joden, ten volle beseft. Getuige hiervan zijn uitspraak toen hij Goebbels’ boekenverbranding vernam: ‘Wat een vooruitgang: in de middeleeuwen zouden ze mij verbrand hebben; nu zijn ze tevreden met het verbranden van mijn boeken.’

Hoewel de psychoanalytische geschiedenis in Duitsland genoegzaam bekend is, wijdt de auteur hieraan nog veel aandacht in het kader van zijn onderwerp. Reeds in 1933 werden de Joodse psychoanalytici (ongeveer 80 %) uit hun leidinggevende functies gezet Zij werden verplicht hun lidmaatschap van de DPG (Deutsche Psychoanalytische Gesellschaft) op te geven. Binnen de staf was daar nauwelijks protest tegen. Het transformatieproces werd afgesloten in 1938 toen psychiater Matthias Göring, neef van veldmaarschalk Herman Göring, tot voorzitter werd benoemd. Deze ogenschijnlijk vriendelijke man was een overtuigde nazi, die zijn medewerkers verplichtte Mein Kampf te lezen. De DPG werd het Göring instituut waar de aard van de psychoanalyse werd veranderd. Zij werd tot psychotherapie. Vermits gedurende de oorlog de opleidingsactiviteiten doorgingen was gans de naoorlogse generatie analytici volgens dat model geschoold en konden we nadien spreken van een naoorlogs collectief geheugenverlies. In 1985 slaagden zij erin voor het eerst een congres in hun vaderland te doen doorgaan in Hamburg. De toenmalige burgemeester Klaus von Dohnanyi gaf daar een memorabele openingstoespraak,waarin hij eraan herinnerde dat de analytici al in 1932 het gevaar van het nationaal-socialisme niet onderkend hadden. Getuige hiervan het volgende citaat: ‘Uit angst om alles te verliezen, werd het ene na het andere opgeofferd. Elke stap was doordacht en altijd weer de verkeerde kant op. (…) En tenslotte was er niets meer over.’ Het congresthema, Identificatie en haar Wederwaardigheden in relatie tot het Nazi-fenomeen, diende uiteindelijk als paraplu voor allerlei identificaties. Door de Shoah als klinisch probleem te behandelen werd het onderwerp verdund. Tevens diende het ook om het unieke van de Jodenvernietiging te ontkennen. Twee jaar na het Congres schrijft Janine Chasseguet- Smirgel, voorzitter van het programmacomité, in haar impressies over het Congres: ‘Niet- Joden zijn niet geïnteresseerd in de gevolgen van de Shoah en het moderne antisemitisme richt zich nu tegen de staat der Joden: Israël.’ Met deze uitspraak zit ze op dezelfde lijn als de Duitse publicist Henryk Broder die zei: ‘De Duitsers zullen de Joden Auschwitz nooit vergeven.’

Vervolgens richt Reijzer zijn aandacht op de vraag hoe psychoanalytische organisaties en individuele analytici heden ten dage handelen ten aanzien van de Joden bij internationale gebeurtenissen. Dit doet hij aan de hand van enkele incidenten (de omzwervingen van Masud Kahn, een interview met de psychoanalyticus Meltzer, het optreden van Edward Said in London en het slagveld te Durban). Iets meer over dit laatste. In 2001 neemt de IPA (overkoepelend orgaan van alle psychoanalytische verenigingen) deel aan The United Nations World Conference against Racism, Racial Discrimination, Xenophobia and Related Intolerance in Durban (Zuid-Afrika). Deze conferentie was bedoeld om alle onrechtvaardigheden in de wereld aan de orde te stellen. Maar er is een verborgen agenda. Als de conferentie begint, blijkt die zich te ontwikkelen tot wat sommigen reeds gevreesd hadden: een pogrom waarbij Israëli’s en Joden onder hetzelfde tapijt van beledigingen worden geschoven. De belangrijkste doelstelling blijkt het antisemitisme en antizionisme uit te dragen. Zo worden ondermeer De protocollen van de Wijzen van Zion verkocht en aan de muren hangen posters met Hitler should have finished his job. Elie Wiesel zegt hierover: ‘De Conferentie in Durban zal herinnerd worden als een forum dat beheerst werd (…) door antisemieten. Wat zo pijnlijk is (…) is het feit dat zo weinig afgevaardigden de moed opvatten om hen te bestrijden.’ De auteur vraagt zich dan ook af waarom de analytische woordvoerders nooit hun stem hebben laten horen en een eenzijdig, zogezegd neutraal, rapport hebben geschreven. Er is maar één antwoord mogelijk: de psychoanalyse leeft nog steeds niet in harmonie met haar Joodse erfenis.

Verrassend is Reijzers conclusie. Zo merkt hij op dat Jodenhaat niet alleen door een aantal niet-Joodse analytici wordt bedreven, maar ook door een aantal Joden. Als verklaring voor het zich toedienen van deze vorm van zelfbeschadiging vindt hij de term Jüdischer Selbsthass onvoldoende, omdat het op die manier een sociaal fenomeen veel te persoonlijk maakt. Het beeld dat Joden van zichzelf hebben, is gekleurd door de blik van de ander. Jood- zijn is eeuwenlang negatief gedefinieerd. Die ‘negatieve’ blik is integraal deel gaan uitmaken van hun eigen leefwereld, ook bij Joodse psychoanalytici. Om een goede analyticus te zijn is het dus voor sommigen noodzakelijk zich vrij te maken van ‘Het Joodse’, als cliché, zoals zo perfide beschreven door Edouard Drumont, grondlegger van het Franse antisemitisme.

Het gevaar van de Joodse erfenis is mede door het uitgebreide voetnotenapparaat, de bibliografie en het namenregister, een boek dat de geïnteresseerde lezer aanzet om meer te weten te komen over de psychoanalyse. Dat deze wetenschap tot op vandaag stiefmoederlijk wordt behandeld ligt allicht verscholen in wat Freud in 1908 schreef : ‘Het is en blijft zo dat als mijn naam Oberhuber (…) was geweest mijn vernieuwingen ondanks alles met veel minder weerstand zouden zijn ontvangen.’


Recensie door Sonja De Schaepdryver en Yves Van de Steen

Hans Reijzer, Het gevaar van de Joodse erfenis, Over Freud en de psychoanalytische beweging, Uitgeverij Bert Bakker,Amsterdam, 2008, 312 pp, ISBN 9789035132061

Links
mailto:sonja.de.schaepdryver@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be