Het onzichtbare label

boek

Evert-Jan Quak

Hoe noem je iemand die zijn afval bij de buurman over de heg gooit? Hoe noem je iemand die de huishoudster 60 uur per week laat werken, haar in de kelder onderbrengt en daar een forse huur voor vraagt? Hoe noem je iemand die in zijn schuur tientallen katten en honden in kooien houdt en in de tuin elektrocuteert voor het bont? Hoe noem je iemand die nodeloos de bomen in het park omkapt? Ik weet niet precies hoe we die mensen noemen, maar het woord ‘asociaal’ lijkt hier passend. In bovenstaande voorbeelden is sprake van gedrag waarbij er geen rekening wordt gehouden met de belangen van anderen. In Het onzichtbare label doet journalist Evert-Jan Quack verslag van het onderzoek van de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) over de negatieve impact die veel (alle?) multinationale ondernemingen hebben.

Hoe kun je als consument er zeker van zijn dat je geen producten koopt die op onethische wijze geproduceerd of verkregen zijn? Hoewel de problemen in dit boek ingrijpend en overtuigend worden uiteengezet wordt het antwoord in dit boek niet gegeven. Het antwoord is om zoveel mogelijk uit het moreel blinde economische systeem te stappen door ecoveganisme. Het antwoord is veel makkelijker dan veel mensen denken, maar mensen willen er niet aan. Stel, je komt bij de dokter. De dokter constateert dat jouw kortademigheid, obesitas en hartproblemen het gevolg zijn van een ongezonde levensstijl met roken, drinken en overmatig eten. Als oplossing stelt de dokter dat je voortaan filtersigaretten gaat roken in plaats van shag, dat je voortaan niet 10 maar 9 flesjes bier op een dag drinkt en dat je voortaan halfvolle in plaats van volle melk gaat drinken. Tja, dat zet geen zoden aan de dijk om tot een betere gezondheid te komen.

Maar ja, als de dokter zegt: stop met roken, drink nog maar maximaal 1 alcoholconsumptie per dag, stap over op een gevarieerd plantaardig dieet en wandel iedere dag tenminste twee keer twintig minuten, dan zal er weinig animo zijn. Liever hebben we dat een arts een medicijn voorschrijft voor kortademigheid. Er is sprake van symptoombestrijding. Dat woord is de essentie van wat duurzaamheidsbeleid inhoudt – en zelfs die symptomen worden zelden effectief bestreden. Er wordt meer en meer over duurzaamheid en duurzame ontwikkeling gesproken, terwijl er op mondiale schaal geen sprake is van duurzaamheid. In tegendeel: de milieuproblemen nemen juist toe. Het spreken over duurzaamheid en duurzame ontwikkeling heeft veel weg van de biecht in de katholieke kerk: wie zijn zonden opbiecht en beterschap beloofd krijgt absolutie. De zondaar kan vervolgens met gerust hart op dezelfde weg doorgaan en de week erna weer ter biecht gaan. Praten over duurzaamheid is een collectief mea culpa.

In het voorwoord schrijft Ronald Gijsbertsen, managing director bij SOMO: ‘Dat je door je eigen consumptie misstanden in stand houdt, is voor velen nog een eyeopener.’ Dat lijkt mij sterk: iedereen die dagelijks een onderdeel van een dood dier op zijn bord heeft liggen zal begrijpen dat zijn eetgewoonten de misstanden van de intensieve veehouderij in standhouden. Maar ook de informatie over de impact van ons energieverbruik op het milieu is algemeen voorhanden. Wellicht dat mensen het niet allemaal precies weten, maar het is ook wel heel plezierig om die informatie te negeren. Toch is Gijsbertsen optimistisch over de morele inborst van mensen: ‘Veel mensen zijn bereid een bijdrage te leveren aan een betere wereld, ze weten alleen niet hoe.’ Ik ben hierover een stuk cynischer: ook al hebben mensen kennis genomen van de afschuwelijke wereld van de intensieve veehouderij, ook al kennen ze de argumenten, dan nog houden ze vast aan hun immorele levensstijl waarmee ze anderen onnodig leed mee toebrengen. Ook mensen die zeer goed op de hoogte zijn van de gevolgen die hun levensstijl heeft op het milieu, zoals milieuwetenschappers, hebben geen significant kleinere ecologische voetafdruk: ze eten dan wellicht biologisch vlees en hebben zonnepanelen op het dak, maar ze hebben een groot huis en vliegen hele wereld rond – en niet alleen voor hun werk.

Gelijk in het eerste hoofdstuk komt de oplossing al op tafel: een radicale veganist worden. Deze oplossing wordt echter gekscherend verworpen en dus gaat het grote symptoom bestrijden beginnen. De analyses in dit boek zijn dramatisch en overtuigend. Maar de oplossing die wordt aangedragen is zwak. Er wordt gesproken van ‘handelingsperspectieven’, maar die handelingsperspectieven leiden hooguit tot iets minder onduurzaam produceren. Een inbreker die minder gaat inbreken is nog steeds een crimineel. Een algemene conclusie die uit dit boek getrokken kan worden is dat multinationals criminele organisaties zijn die naar believen roven en uitbuiten. ‘We willen misschien wel de wereld beter, veiliger en leefbaarder maken, maar we zitten tegelijk vast in een leefpatroon dat juist lijkt bij te dragen aan milieuvervuiling en sociale misstanden. Wat we vervolgens doen is naar elkaar wijzen als het gaat om de schuldvraag.’

Een interessant onderscheid is het verschil tussen burger en consument. De burger is iemand die de genoemde idealen (wellicht) koestert. Vraag mensen op straat eens of zij voor milieuvervuiling zijn, of ze geven om het tropisch regenwoud, of zij onnodig dierenleed erg vinden. Ik voorspel dat je moreel acceptabele antwoorden zult krijgen. Maar diezelfde persoon is niet alleen burger, maar ook consument. En consumenten zijn one dimensional: ze doen wat ze willen. En dat leidt ertoe dat consumenten kiezen voor plofkippen, palmolieproducten, tonijn, goedkope kleding enz. Quak noteert dat iemand opmerkte: ‘Aan de producten in het winkelmandje kan niemand aflezen op welke partij je stemt.’ Toch durf ik de stelling te verdedigen dat als iemand geen dierlijke producten in zijn of haar winkelmandje heeft en maar alleen plantaardige biologische producten, dat de kans zeer groot is dat deze persoon stemt op de Partij voor de Dieren. Deze partij is de enige politieke partij die in een ander discours zit: het duurzaamheidsdiscours. De andere politieke partijen, inclusief GroenLinks, doen aan green washing.

Quak merkt op dat het percentage biologisch producten in Nederland twee procent is! Al die mensen die spreken over duurzaamheid doen dat blijkbaar als burger, niet als consument. Hoe kan je optimistisch gestemd blijven met een percentage van slechts twee procent biologische producten? Quak haalt Annie Leonard aan die een analyse maakte van moderne consumptie in de film en gelijknamig boek: The Story of Stuff. Het economische systeem heeft baat bij consumptie. Het maakt niet uit wat als er maar geconsumeerd wordt en steeds meer, want de economie moet groeien. Waarom de economie altijd maar moet blijven groeien weet niemand. ‘Het economische systeem als geheel moet op de helling.’ Dit is de essentiële zin uit het boek. ‘Mensen die bewust en kritisch om zich heen kijken, zien dat ze vastzitten in een leefpatroon dat niet strookt met hun idealen.’ Helaas blijkt dat mensen heel goed in staat zijn met dergelijke dissonanties te leven. Ethisch leven betekent leven zonder morele dissonanties. En dan komt die radicale veganist een stuk beter in de richting dan de onnadenkende carnist.

Een oplossing die door het bedrijfsleven is bedacht voor de morele scrupules die burgers hebben bij de negatieve aspecten van bedrijven zoals die door NGOs worden naar buiten gebracht is het concept Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. Dit is een vorm van zelfregulatie van het bedrijfsleven om good will te kweken. MVO wordt gezien als het antwoord om de ongemakkelijke vragen die kritische burgers en NGOs stellen aan bedrijven. ‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen raakt door het vrijwillige aspect ervan niet de kern van de dagelijkse bedrijfsvoering van bedrijven en blijft bij de meeste bedrijven steken in het hobbyisme van enkele individuen.’ Het MVO Platform definieert MVO als volgt: ‘MVO is een resultaatgericht proces waarbij een bedrijf over de gehele keten van zijn activiteiten verantwoordelijkheid neemt over de effecten van deze activiteiten op sociaal, ecologisch en economisch gebied, daarover verantwoording aflegt en de dialoog aangaat met belanghebbenden.’

Grote kans dat je een onethisch product in je zak hebt zitten: je mobieltje. Quak laat zien hoe mobieltjes geproduceerd worden. En inderdaad: dat had je liever niet geweten. Het lezen van al die gruwelen die er schuil gaan achter ons onnadenkende meeloop consumptiepatroon is een verlies van de onschuld. We kunnen echter prima vergeten en negeren als het ons belieft. Alleen wanneer wij er direct als burger op aan gesproken worden zullen we moreel reflecteren, als consument vergeten we het dan maar weer. En zo komt het dat ik ook een iPhone in mijn zak heb zitten. Ik lees over de 20-jarige Siu die werkt in een fabriek waar telefoonopladers gemaakt worden. Haar werk bestaat eruit een sticker op de oplader te plakken: ‘Zij werkt iedere dag diensten van tien uur met het plakken van stickers op de telefoonopladers, 855 stuks per uur. Als ze dat niet haalt, moet ze zonder betaling doorwerken tot ze haar quotum wel heeft gehaald.’ En zo staat het vol met dergelijke verhalen. Economen hebben excuses en verklaringen voor deze arbeidsomstandigheden klaar. Maar de vraag blijft: Wil jij als consument deel hebben aan zo’n systeem?

Een nog simpeler vraag: zou jij van positie willen wisselen? Grote kans dat Siu maar wat graag in jouw schoenen zou willen staan, maar ik weet zeker dat jij niet in haar positie zou willen verkeren. Een procedurele oplossing voor dergelijke omstandigheden zou zijn wanneer managers en directeuren gedurende tenminste één week per jaar het werk van de laagstbetaalden zouden moeten doen en ook in diens schoenen moeten staan. Ik word misselijk als ik me probeer in te leven om tien uur lang monotoon werk te doen in een ongenadig hoog tempo en voor een hongerloon. In het ondemocratische China zijn vakbonden verboden. Er is dus geen mogelijkheid voor arbeiders om zich collectief in te zetten voor betere arbeidsomstandigheden. De Chinese overheid heeft gekozen voor economische groei, zelfs als dat gaat over de ruggen van de vele arbeiders. Ik besef eens te meer het belang van vakbonden. Misschien moet ik lid worden van een vakbond in de hoop dat vakbonden zich ook internationaal roeren. Ik koop in ieder geval geen nieuw mobieltje wanneer er weer een nieuw model uit is. Pas als mijn huidige mobiel stuk is. En dan zoek ik een fair trade mobieltje: de fairphone.

Naast het onderscheid burger, consument is er denk ik nog een derde rol die personen kunnen hebben: namelijk geldverdiener. Het werk dat mensen doen of de organisatie of bedrijf waarin dat werk plaatsvindt kan haaks staan op waarden van de persoon als burger. Het is helaas niet gebruikelijk om als werknemer of ondernemer al te veel morele scrupules te hebben. De psychologische strategie om hier mee om te gaan is om je te verschuilen achter anderen en het grote geheel. Mensen die bij Shell werken bijvoorbeeld en als burger lid van natuurbeschermingsorganisaties zoals Greenpeace, verschuilen zich achter het idee dat zij er als individu geen schuld aan hebben dat Shell op ongekend grote schaal schade toebrengt aan het milieu, aan mensen, nu en in de toekomst. Voor het korte termijn eigenbelang moet een hoge prijs betaald worden. Toch is de sociale respectabiliteit van de mensen in het bedrijfsleven hoog.

Het hoofdstuk De hoge prijs van goedkope boodschappen zou iedereen moeten lezen, desnoods verplicht! Supermarkten zijn boevenbendes die uitbuiting, vervuiling en milieuschade bewerkstelligen. Er is iets gruwelijks mis met supermarkten. Ik kom nog wel in supermarkten, maar ik loop er met walging doorheen en voor de managers en bedrijfsleiders voel ik minachting en boosheid: zien ze dan niet hoeveel leed en schade zij veroorzaken? Zijn zij ziende blind? Het concept supermarkt ontstond in 1916 in de VS wegens een tekort aan personeel in verband met de mobilisatie van de eerste wereldoorlog. In Nederland opende de eerste zelfbedieningssupermarkt de deuren in 1948. Door de schaalgrootte van grote supermarktketens hebben zij enorme macht over producenten. De grootste winstmarge zit bij de eindverkoper, niet bij de producent. Dat is hoe het economisch systeem werkt, maar het is niet rechtvaardig. Het economisch systeem is een moreel blind systeem. Rechtvaardigheid zit niet in het systeem ingebakken.

De inkopers van grote bedrijven hebben producenten in de tang: doordat ze zo’n groot marktaandeel hebben kunnen ze de producten uitbuiten en uitknijpen. Het erge aan het systeem is dat degenen die dat doen – de inkopers – kunnen rekenen op een bonus als zij weer voor een lagere prijs hebben kunnen inkopen. Het systeem beloont uitbuiting. De morele analyse van de supermarkt kan nog breder getrokken worden: behalve die twee procent fair trade is 98% unfair trade en niet biologisch. De producten zijn niet duurzaam geproduceerd en niet duurzaam verpakt (probeer maar eens in een supermarkt plastic vrij inkopen te doen!). En dan al de dierlijke producten afkomstig uit de intensieve veehouderij. En de van ver geïmporteerde producten waarvoor geen noodzaak is.

Wanneer het perspectief nog breder wordt getrokken en ook gezondheid wordt meegewogen dan blijkt de supermarkt helemaal een gruwel: vet, zout, suiker, conserveringsmiddelen, etc. Cola en andere frisdranken, snoep, kaas, gebak, wit brood, witte rijst: allemaal producten waarvan de samenleving als geheel alleen maar last van heeft. En dan al de chemicaliën voor het huishouden. En de huishoud- en wc papier en tissues. En al de onnodige (dierlijke) producten in de koeling en vries. Vanuit morele evaluatie bezien scoort de supermarkt bijzonder slecht! Dat is – voor mij althans – een ‘Gestalt switch’. We moeten naar zoveel mogelijk biologisch, fairtrade plantaardige streekproducten met korte productielijnen, zoals bij een boerenmarkt. Het is toch een heel ander soort ervaring als je de producent van het product een hand geeft. Hoeveel handen zou je een hand moeten geven in een supermarkt voordat je bij de primaire producent bent?

Van het mobieltje, naar de supermarkt naar onze kleding. Ook dat is een horrorverhaal. Wat voor veel mensen gezellig winkelen is, is aan de andere kant van de productieketen kommer en kwel. Ik lees over de tactiek dat er grote kledingfabrieken zijn in Afrika en dat de managers die vooral Aziaten zijn de werknemers afbeulen. Vaak zijn die fabrieken tijdelijk voor enkele jaren omdat dan de kosten voor milieuafdrachten en belasting het laagst zijn. Voor bedrijven is het enige dat telt zo laag mogelijke productiekosten. Dat is ook wat bedrijfskundige en economen wordt geleerd: ze gaan voor winstmaximalisatie door verkoop te stimuleren (door marketing) en de productiekosten te drukken. Het gaat er niet om of de producten die worden geproduceerd goede producten zijn (is cola een goed product?), of de werknemers goed betaald worden en een plezierig leven kunnen leiden, of er milieuproblemen ontstaan. Dat alles telt niet mee in het smalle, amorele en daardoor vaak immorele, economische raamwerk.

Neem dit trieste verhaal uit Oeganda waar in 2003 een staking uitbrak in een kledingfabriek: ‘De arbeiders sloten zich twee dagen lang in hun slaapzalen op. De politie maakte tenslotte een einde aan de staking en arresteerde de vrouwen. De Aziatische managers ontsloegen vrijwel direct 293 arbeiders zonder uitbetaling van hun salaris. Zij kregen daarvoor de volle goedkeuring van president Museveni. In plaats van het bedrijf te vertellen dat het zijn arbeidswetten niet nakwam, richtte hij zijn kritiek op de stakers. “Ik heb deze meisjes ontslagen omdat zij ongedisciplineerd zijn”, zei Museveni. “Hun actie kan toekomstige investeerders in Oeganda afschrikken. Zij zouden kunnen gaan denken dat de arbeider in Oeganda ongedisciplineerd zijn.” De president kiest expliciet voor de onderdrukkers, niet voor de onderdrukten. ‘Kinderhandjes naaien nog steeds de kraaltjes op de feestjurk, omdat de kledingfabrikanten het meest arbeidsintensieve werk uitbesteden aan kleine naaiateliers waar geen gedragscodes gelden en die niet door inspecties van de kledingmerken worden gecontroleerd.’ Sommige dingen kan je gewoon niet bevatten: zo worden medicijnen tegenwoordig vaak getest in niet-westerse landen, omdat proefpersonen daar goedkoper zijn! Tegelijkertijd consumeert ‘de rijkste 15 procent van de wereld zo’n 90 procent van de geneesmiddelen die de farmaceutische industrie op de markt brengt’.

Het hoofdstuk duurzaam beleggen deed mij beseffen hoe inherent de morele problemen in het systeem zitten. Ik begrijp het hele concept van aandelen niet. En ook niet waarom mensen beleggen. Goed: je wilt sparen en je wilt dat je geld tenminste nog wat waard blijft dat snap ik. Maar dat je geld wilt vermeerderen gewoon omdat het kan, dat begrijp ik niet. En dat is nu juist net wat er gebeurt in de financiële sector. Maar omdat de immorele egoïstische graaiers zich strak in het pak kleden is de publieke verontwaardiging over bonussen, hoge inkomens en fraude, zoals bij Bernard Madoff, toch veel minder dan bij bijvoorbeeld een gewapende overval. De kloof tussen consument en burger blijkt ook bij de beleggingen: ‘Van het totale beleggingsgeld was in Nederland in 2007 slechts 3,2 procent belegd in ethische beleggingen.’ Het korte termijn eigen belang is de motor van de onethische, niet duurzame beleggingen. Gaandeweg in het boek wordt de toon van Quak cynischer: ‘[…] tot nog toe heeft geen enkele van de officiële hervormingsvoorstellen ervoor gezorgd dat banken en andere ondernemingen in de financiële wereld meer duurzaam en sociaal moeten investeren en handelen.’ Directievoorzitter Peter Blom van de Triodosbank laat een radicaal ander geluid horen: ‘Bankiers zijn de financiers van de verandering. Boven aan de toekomstagenda van het bankwezen zal duurzame ontwikkeling moeten staan, niet langer als randvoorwaarde, maar als kerndoelstelling.’

Een onderzoek aan de Erasmus Universiteit onder 200 bedrijven laat zien dat MVO een vrijblijvend concept is: ‘Alleen als bedrijven een verband zien tussen financiële prestaties en maatschappelijk verantwoord ondernemen, ontplooien ze activiteiten.’ Het is als een kind dat zegt ‘Alleen als ik er zin in heb ruim ik mijn kamer op.’ En dat is vaak niet vaak. Quak concludeert: ‘In de praktijk gaat maatschappelijk verantwoord ondernemen dus veelal om losse projecten en initiatieven die weinig zeggen over de dagelijkse bedrijfsvoering van ondernemingen.’ John Ruggie, speciaal adviseur van de secretaris-generaal van de VN stelt dat: ‘multinationale ondernemingen profiteren immens veel van economische globalisering zonder dat ze aansprakelijk gesteld kunnen worden voor misstanden. […] Er is een governance gap. Dat wil zeggen dat nationale regeringen hebben onvoldoende grip op internationaal opererende bedrijven. ‘Er bestaan kennelijk geen mechanismen om te garanderen dat bedrijven bij innovatie rekening houden met de sociale en ecologische gevolgen. Bedrijven zouden een zorgplicht moeten hebben om schendingen binnen hun verantwoordelijkheidssfeer te voorkomen en te herstellen.’

Het is natuurlijk niet alleen ten tijde van innovatie dat bedrijven verder moeten kijken dan hun economische neus lang is. Economisch handelen dient plaats te vinden binnen een moreel kader waarbij er geen schade wordt berokkend aan derden. Het perspectief van Quak en daarmee ook het perspectief van SOMO is een antropocentrisch perspectief. De belangen van dieren spelen geen rol. Toch is het vreemd om een moreel perspectief te hebben – en duurzame ontwikkeling is een moreel perspectief – en dan de belangen van dieren buiten te sluiten. Het minderen van vleesconsumptie komt zijdelings aan de orde, maar alleen vanuit ecologisch perspectief, niet vanuit moreel oogpunt.

Het onzichtbare label is een belangrijk boek omdat het duidelijk maakt dat er iets gruwelijk mis is met het economisch systeem van onze samenleving. Dit economisch systeem brengt schade toe aan en veroorzaakt leed overal op de wereld: de mensen die worden uitgebuit in de lage lonen landen, de mensen die hinder hebben van de vervuiling, toekomstige generaties, de westerlingen zelf die blind gaan voor consumentisme en, op ongekend grote schaal, de dieren in de intensieve veehouderij. Het onzichtbare label is een J’accuse aan het kapitalistische economische bestel. Het probleem is dat wij er allemaal medeschuldig aan zijn. We voelen ons wellicht ongemakkelijk wanneer wij met de kennis over de uitbuiting en de desastreuze ecologische gevolgen van ons consumptiepatroon geconfronteerd worden, maar het leidt niet tot fundamenteel andere keuze, zoals blijkt uit het verwaarloosbaar kleine deel van biologische en fairtrade producten.

Het onzichtbare label laat het onzichtbare leed zien dat verscholen gaat achter de uitnodigend uitgestalde consumptieartikelen. We moeten niet iets minder of iets een klein beetje anders doen, maar radicaal anders. Als MVO al iets betekent dat betekent het zoiets als ‘iets minder onduurzaam dan voorheen’ of ‘iets minder onduurzaam dan de concurrent’. Er zijn niet of nauwelijks duurzame consumptieartikelen! Alles wat wij als westerse consument consumeren is niet duurzaam. Een eenvoudige duurzaamheidstest is: kan het levenspatroon dat ik heb geuniversaliseerd worden, zowel geografisch als in de tijd? Dat wil zeggen: wat zou er gebeuren als iedereen op de wereld zo zou leven als ik? En: kan mijn levensstijl gecontinueerd worden voor, bijvoorbeeld, nog 10.000 jaar? Het antwoord is faliekant: nee. Het moet dus radicaal anders.

De in Het onzichtbare label aangedragen oplossingen blijven echter binnen het model en blijven hopen dat het systeem zich wel zal veranderen als consumenten bewuster gaan consumeren. Ik hoop het wel, maar ik geloof het niet. Ik denk dat we moeten streven naar ecoveganisme: een radicaal andere levensstijl, weg van consumentisme, weg uit het systeem, weg van het veroorzaken van leed en milieuschade over de hele wereld. Er zijn al pioniers die laten zien dat dat kan: leven zonder plastic, op een plantaardig dieet en met een kleine – duurzame – voetafdruk. Voorbeelden daarvan zijn Joop Boer en Green Evelien (die blogt over haar donkergroene levensstijl). De vraag rest: waar wacht je op? En dat geldt ook voor mijzelf. Ik ben veganist, maar (nog) geen ecoveganist. Ik koop zoveel mogelijk biologisch en fairtrade. Maar, tot mijn grote ongenoegen, kom ik nog te vaak bij Albert Hein, verbruik ik plastic en heb ik een te grote ecologische voetafdruk. Ik ga mijn eigen tekst nog maar eens van bovenaf lezen.


Recensie door Floris van den Berg

Dr. Floris van den Berg is universitair docent wetenschaps- en milieufilosofie aan de Universiteit Utrecht. Hij publiceerde o.a. Philosophy for a better world en De vrolijke veganist. Ook ontwierp hij een knowledge chart over Business ethics met een model voor duurzame economie.

Evert-Jan Quak, Het onzichtbare label. Perspectief op duurzaam handelen, Kit Uitgever, Amsterdam, 2009, 183 pgs., geschreven in opdracht van Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO).

Links
mailto:F.vandenBerg2@uu.nl
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be