De rode vlag. De wereldgeschiedenis van het communisme

boek vrijdag 12 februari 2010

David Priestland

Toen de communistische regimes in Europa eind jaren’80 in elkaar stortten, leek ook de ideologie zelf op de vuilnisbelt van de geschiedenis te zijn beland, ook al bleef de rode vlag nog vrolijk wapperen in landen zoals China, Cuba en Noord-Korea. Maar nu de wereld zich in een diepe economische crisis bevindt, lijkt de kritiek van Karl Marx op het wilde kapitalisme opnieuw relevant. Kunnen we daarom lering trekken uit zijn visionaire concept ‘waarin de verschoppelingen der aarde een maatschappij zouden stichten die was gegrondvest op harmonie en gelijkwaardigheid’? Of is en blijft het communisme een utopie die onherroepelijk in onoplosbare paradoxen, onvrijheid en terreur eindigt? In De rode vlag laat David Priestland zich niet op sleeptouw nemen door de zeer gekleurde literatuur over het onderwerp. Maar spreken de feiten wel luid en duidelijk genoeg? Om het communisme te verklaren, aldus de Britse docent moderne geschiedenis aan de universiteit van Oxford, moeten we ook binnendringen in de gedachtewereld van leiders zoals Lenin, Stalin, Mao, Ho Chi Minh, Che Guevara en Gorbatsjov. Priestland houdt woord. Was het communisme enkel en alleen een repressief systeem dat teerde op fanatisme en machtsgeilheid? Maakte het de belofte waar om een paradijs op aarde te stichten, zoals het officiële credo luidde? Of was het een moderniserende kracht die de achterlijkheid pragmatisch aanpakte? Priestland onderzoekt grondig elke theorie. Zijn stijl is soepel en dynamisch, zijn uitleg helder, zijn conclusie prekerig noch partijdig. De rode vlag is een voortreffelijke analyse.

De geschiedenis van het communisme begint met de Franse Revolutie. Egalité, liberté, fraternité. Maar die protocommunistische idealen gaven toen al aanleiding tot stevige meningsverschillen. Hoe moest de nieuwe, deugdzame mens eruitzien? Zou hij een kleinschalige, agrarische gemeenschap van burgers moeten vormen die broeders voor elkaar waren, zoals Jean-Jacques Rousseau in Du contrat social (1762) voorstelde? Diende hij zich daarentegen te onderwerpen aan een politiek collectief van egalitaire geesten, zoals Maxime Robespierre voorhield? En hield dat dan in dat alle vijanden zonder pardon moesten worden uitgeschakeld, zoals de ultraradicale sansculotten eisten? Priestland betoogt dat het communisme voortdurend met soortgelijke tegenstellingen heeft geworsteld. Soms speelde het in op een bloeddorstig populisme. Soms probeerde het een moderne economie op te bouwen. Soms greep het terug naar een romantisch socialisme. En vaak probeerden ze al deze tegenstellingen op te lossen ‘door een strikte discipline op te leggen of deugdzaamheid af te dwingen met propaganda en geweld.’

Voor hij deze paradoxen tegen het licht houdt, keert Priestland terug naar Karl Marx en Friedrich Engels. Marx was zonder twijfel een origineel denker, al was het maar omdat hij in zijn politieke voorstelling de ethiek van de politieke wil met economische krachten verbond. In zijn ogen zou de nieuwe maatschappij vooruitstrevend en egalitair zijn, maar ook streven naar geluk. En dat alles samen zou de mens zijn vrijheid teruggeven. Priestland onderkent de spanning tussen de romantische droom van vrijheid aan de ene kant en de filosofie van revolutie en moderniteit aan de andere kant. Deze ‘fundamentele weeffout’ bood evenwel flexibiliteit: al naargelang de situatie legden de communisten nu eens het accent op het ene en dan weer op het andere. Zo kon het marxisme blijven bestaan ‘tijdens de enorme aardverschuivingen en abrupte politieke veranderingen’ die Europa in de 19de eeuw en de wereld in de 20e eeuw door elkaar zouden schudden.

Priestland ontwikkelt een efficiënte strategie om de opkomst en het verval van het communisme te verklaren. Enerzijds gebruikt hij een taal die iedereen begrijpt. Dat is zowel een knappe prestatie als een hele opluchting, want het tegelijk alles- en nietszeggende jargon van de marxistische leerboeken is zelfs voor de overtuigde militant een beproeving. Tegelijk vermijdt hij elke gemakzucht en elk simplisme. Anderzijds gebruikt hij met groot succes de zeven kunsten om elke bocht in het beleid van de communistische regimes te illustreren. Op het eerste gezicht lijkt die aanpak onwetenschappelijk. Waarom zou een film of toneelstuk of roman of schilderij het karakter of de kern van een nieuwe koers onthullen? Priestland weet natuurlijk ook dat kunstenaars aan de lijn moesten lopen en dat hun werk zo goed als altijd voor propaganda werd gebruikt. Een typisch voorbeeld is Het blondje om de hoek, een film die in 1983 in de Sovjet-Unie uitkwam. Het is het verhaal van Nadja, een verkoopster die via de zwarte markt in Moskou allerlei luxeartikelen weet te versieren. Haar vrienden hebben trouwens geen voornaam: de ene heet ‘Theaterkaartjes’, een andere ‘Vakanties aan de Zwarte Zee’. Ze gelooft zo heilig in het zwarte marktmechanisme dat ze voor haar verloofde een Nobelprijs probeert te ritselen door het comité met kaviaar om te kopen.

Maar de luchtige komedie eindigt met een bloedserieuze ideologische boodschap. Aan de vooravond van haar huwelijk laat haar verloofde haar in de steek: hij wil met andere woorden niets meer te maken hebben met Nadja’s ‘egoïstische en oppervlakkige genoegens van het consumentisme’. De kritiek was koren op de molen van Joeri Andropov. Begin jaren’80 bestond een groot deel van de economische activiteit in zijn land immers uit een parallelle economie. Zo werd zestig procent van alle autoreparaties en de helft van alle schoenherstellingen door bijklussers uitgevoerd. Die ondergraving van het economische systeem wekte uiteraard wrevel bij mensen die geen toegang tot de zwarte markt hadden. Daarom wilde het regime orde op zaken stellen: de oude waarden dienden hersteld te worden, de zelfzuchtige drang naar verbruiksgoederen was pervers en de ware communist onwaardig.

Vanaf het prille begin van de Russische revolutie hebben koerswijzigingen als een rode draad door de communistische geschiedenis gelopen. Nadat Lenin in 1917 de macht had gegrepen, riep hij de massa der verdrukten op tot een strijd op leven en dood tegen ‘rijken, nietsnutten en parasieten’. Plunder de plunderaars!, aldus de leider van de bolsjewieken. Het geweld en de anarchie escaleerden zodanig dat Lenin al kort daarna een draai van 180° graden maakte. Voortaan zou de partij een elitaire voorhoede vormen die alle macht naar zich diende toe te trekken. Meteen was een essentieel punt van de marxistische leer overboord gegooid. In plaats van de communestaat, waar Marx voor had geijverd, koos de partij voor een staatskapitalisme om de desintegratie van de maatschappij tegen te gaan. Het zou geenszins de laatste haarspeldbocht zijn. Ook de export van het communisme verliep niet volgens plan. Nog in 1920 was Lenin ervan overtuigd dat de Europese landen als domino’s voor het marxisme zouden vallen, ja, dat de wereldrevolutie ophanden was. Een jaar later was die droom uiteengespat. Mensen waren de chaos spuugzat, en de ‘bourgeoisregeringen’ deden aanzienlijke concessies aan de arbeiders: zo werd in een aantal landen het stemrecht algemeen en werd er een begin gemaakt met een uitkeringsstelsel. In Europa zou het communistische vuur weliswaar blijven branden, maar het zou het continent nooit meer in lichterlaaie zetten.

Priestland volgt alle ontwikkelingen met verbazingwekkend gemak op de voet. Nooit verliest hij zich in overbodige details, nooit waagt hij zich aan speculatie of overdrijving. Hij constateert alleen dat het wereldcommunisme soms een lichtend pad volgt, maar veel vaker een pad dat recht naar de afgrond leidt. Natuurlijk richt hij de scherpste aandacht op de Sovjet-Unie en de landen waar het marxistisch-leninistische gedachtegoed ooit de rode vlag heeft uitgestoken of nog altijd met dat vendel zwaait. Dat wil niet zeggen dat hij de rest van de wereld uit het oog verliest. Zo ontleedt hij bondig maar kundig het communistische wel en wee in de grote landen van westelijk Europa en gaat hij na waarom zoveel westerse intellectuelen zoals Bertolt Brecht, Jean-Paul Sartre of André Malraux communistische dictaturen zolang hebben gesteund of tenminste getolereerd. Zelfs België krijgt een kruimel toegeworpen. Toen er in 1968 overal ter wereld roodgekleurde arbeiders- en studentenonlusten uitbraken, protesteerden in ons land de studenten niet tegen het kapitalisme maar ‘tegen de dominante positie die het Frans aan de Vlaamse universiteiten’ had.

Priestland begrijpt maar al te best waarom het communisme zolang aantrekkelijk heeft geoogd. Nu eens slaagde het erin om de arbeiders warm te maken, dan weer wist het de boeren te elektriseren. Soms vrijde het de nationalisten op, soms wierp het kushandjes naar opstandelingen in hun strijd tegen buitenlandse bezetting of kolonialisme. Maar Priestland sluit evenmin zijn ogen voor de realiteit van een communistisch regime. Hoe konden ze een democratie tot stand brengen en tegelijkertijd garanderen dat de partij haar leidende rol behield? Hoe konden ze een moderne economie opbouwen en tegelijkertijd het revolutionaire vuur in stand houden? Hoe konden ze alle burgers achter zich scharen en tegelijkertijd terreur op gigantische schaal vermijden? De kwadratuur van de cirkel vinden zou eenvoudiger zijn geweest, aldus Priestland. Toegegeven, af en toe en hier en daar werkte de bevolking enthousiast mee aan het communistische project. Toen in de jaren’70 de levensstandaard in oostelijk Europa omhoog ging, bleek uit geheime opiniepeilingen dat een meerderheid tevreden, ja zelfs gelukkig was. Dat is overigens de verklaring, aldus Priestland, voor de voortdurende heimwee naar dit tijdperk. Maar aan zijn eindconclusies valt niet te tornen: de marxistisch-leninistische ideologie is aan haar eigen tegenstellingen ten onder gegaan. En als mensen er ooit gelukkig zijn geweest, was dat niet dankzij maar ondanks het communisme.


Recensie door Joseph Pearce



Deze recensie verscheen eerst in Uitgelezen, de boekenbijlage van De Morgen.

David Priestland, De rode vlag. De wereldgeschiedenis van het communisme. Vertaald uit het Engels door Janine van der Kooij, Pon Ruiter en Frits van der Waa. De Bezige Bij, Amsterdam, 698p., €39,90.

Links
mailto:joseph.pearce@telenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be