De groei van kennis

boek vrijdag 09 januari 2004

Karl Popper

In politieke middens is Karl Popper vooral bekend voor zijn aanval op het historicisme (en dus ook op het marxisme) en zijn concept van de ‘open samenleving’. Dit boek, dat bestaat uit zes lezingen die hij op verschillende ogenblikken in verschillende middens hield, heeft vooral, maar niet enkel, betrekking op zijn wetenschapsfilosofie en handelt, zoals de titel al duidelijk maakt, over de vraag hoe we tot kennis komen. Het verband met zijn politieke ideeën is er echter wel en de twee laatste lezingen handelen volledig over politiek.

Hoe komen wij tot onze kennis? Tot Popper kon men de mogelijke antwoorden in twee categorieën indelen. Ten eerste was er Descartes met zijn rationalisme. Die ging er van uit dat al onze kennis uit ons verstand komt. Wat wij konden beredeneren met ons verstand, wat voor ons helder en duidelijk is, dat is de waarheid. Het spreekt voor zich dat dit niet klopt, niet alles wat wij beredeneren is waar. Descartes bewees trouwens zelf, onbewust, dat zijn theorie niet klopt. De fysica van de mens die hij beschreef, bleek later geen steek te houden. Aan de andere kant waren er de empiristen. Zij gaan er van uit dat wij al onze kennis via onze zintuigen verkrijgen. Maar onze zintuigen bedriegen ons wel eens en om zeker van iets te zijn, moeten wij oneindig veel zaken nagaan. Het empirisme steunt bovendien op het principe van de inductie. Door vele waarnemingen te doen, komen wij uiteindelijk tot het opstellen van een wet, een veralgemening van die waarnemingen. Probleem daarbij is dat we nooit alle gevallen kunnen waarnemen en dus nooit zeker kunnen zijn dat onze wet correct is. Beide systemen konden Popper dus niet bevredigen.

Volgens Popper gebruiken we een ander systeem, dat van de falsificatie. We komen tot onze kennis door een bepaalde theorie voorop te stellen. Daarna proberen we deze theorie aan de hand van onze waarnemingen te falsificeren, we proberen te bewijzen dat de theorie niet klopt aan de hand van empirische controles van de theorie en van gevolgen die logischerwijs uit de theorie volgen. Zolang ons dat niet lukt, kunnen wij de theorie voor waar aannemen.

Zo komt Popper ook tot een criterium om wetenschap van pseudo-wetenschap te onderscheiden. Enkel theorieën die falsificeerbaar zijn kunnen tot de wetenschap gerekend worden. We moeten ons bepaalde waarnemingen kunnen inbeelden die, als we ze zouden doen, zouden bewijzen dat onze stelling niet klopt. Als er geen waarnemingen mogelijk zijn, ook niet ingebeeld, die onze theorie teniet doen, behoort deze theorie niet tot de wetenschap, aangezien ze niet falsificeerbaar is. Dat is waarom bijvoorbeeld de astrologie tot de pseudo-wetenschap behoort. Astrologische uitspraken zijn immers zo algemeen en vaag dat elke waarneming er door verklaard kan worden en dus ook elke waarneming die uitspraken bevestigt. Er zijn dus geen waarnemingen mogelijk, zelfs niet imaginair, die een uitspraak kunnen ontkrachten.

Poppers visie op de wetenschappelijke theorie wijkt ook af van twee bestaande visies. De eerste, die hij het ‘essentialisme’ noemt, verklaard bepaalde zaken als eigenschappen van iets. Zo werd bijvoorbeeld een tijdje de aantrekkingskracht tussen massa’s (waaruit o.a. de zwaartekracht volgt) verklaard als “massa’s hebben de eigenschap dat ze andere massa’s aantrekken”. Daardoor werd er dan ook een tijdlang niet meer verder gezocht naar de verklaring waarom dat dan wel zo is. Deze visie leidt dus tot stilstand in het onderzoek. De tweede visie is wat hij het ‘instrumentalisme’ noemt. Deze gebruikt de wetenschap enkel om zaken te voorspellen. Een voorbeeld daarvan zijn formules die vaak gebruikt worden door ingenieurs. Ze zijn niet afgeleid uit een beschrijving van de werkelijkheid of zijn zelfs niet volledig correct (bv. enkel onder bepaalde omstandigheden), maar ze kunnen wel dienen om voldoende nauwkeurige berekeningen te maken. Deze werkwijze levert ons echter geen beschrijving van de werkelijkheid op. Ze kan voldoende zijn voor berekeningen, maar ze levert ons geen dieper inzicht in de wereld op. Op die manier zorgt ook deze methode voor een stilstand in het onderzoek. Poppers visie is dat wetenschap aan twee zaken moet voldoende. Ze moet ons een beschrijving van de werkelijkheid leveren, zodat we een dieper inzicht krijgen, en ze moet ons een mogelijkheid tot voorspellingen leveren. Op die manier zijn theorieën falsificeerbaar en kunnen ze eventueel tot nieuwere theorieën leiden.

Als we nu verschillende theorieën voor bepaalde zaken hebben, moeten we ook nog kunnen bepalen welke de beste theorie is. Een theorie is beter als ze meer inhoud heeft en dus minder waarschijnlijk is. ‘Meer inhoud’ houdt in dat de theorie meer verklaart dan de vorige, dat ze een aantal theorieën in één gemeenschappelijke theorie samenbrengt, dat er minder zaken mee in strijd in zijn of dat ze nieuwe testen oplevert. We moeten wel opletten met de term ‘waarschijnlijk’. We mogen die niet interpreteren als ‘gelijkend op de waarheid’, maar als ‘kans hebbend om juist te zijn’. Een meer waarschijnlijke theorie is inderdaad niet beter. Immers, hoe waarschijnlijker, hoe trivialer en hoe minder inhoud. Iets dat minder waarschijnlijk is, kan beter gefalsificeerd worden. Als er dan geen waarnemingen volgen die de theorie ontkrachten, is het duidelijk dat die theorie beter is.

Onze kennis komt tot stand aan de hand van een ‘trial-and-error’-methode, waarbij we een hoop verschillende theorieën vooropstellen om er dan de beste uit te kiezen en daar dan verder op te bouwen. Dit doet wat denken aan de dialectische triades, waarbij uit een these en een antithese een synthese ontstaat, die dan terug als these dienst kan doen. Popper heeft echter een paar problemen met dialectici. De dialectiek kan vele ontwikkelingen in het menselijk denken beschrijven, maar de werkelijke grondslag lijkt meer op zijn ‘trial-and-error’-methode. Daarnaast zijn dialectici beginnen denken dat omdat contradicties nuttig zijn – door contradicties komen we immers tot het inzicht dat een theorie fout is, waardoor we nieuwe, betere theorieën vinden – ze moeten aanvaard worden. Maar zodra men echter contradicties aanvaardt, kan men alles bewijzen. Dat toont Popper dan ook aan in een paar pagina’s elementaire logica. Contradicties zijn enkel nuttig als we ze niet aanvaarden, omdat ze zo tot vooruitgang leiden. Zodra we ze echter aanvaarden, zijn ze volkomen waardeloos omdat ze dan geen verdere reflectie meer veroorzaken.

Dan rekent Popper af met de Hegeliaanse dialectiek. Kant had opgemerkt dat we met onze rede niets over metafysische zaken kunnen zeggen. We kunnen immers met evenveel kracht telkens een redenering vormen die net het tegenovergestelde stelt. Hegel wou dat echter niet aanvaarden en stelde daarom dat wat Kant vertelde enkel belang had wanneer men in een systeem werkt dat contradicties niet aanvaard. Volgens Hegel moesten die wel aanvaard worden en daardoor kon hij metafysische zaken wel met het verstand verklaren. Maar doordat hij tegenspraak aanvaardt, wordt zijn volledige systeem bestand tegen kritiek. Die kritiek zoekt immers tegenspraak, maar in zijn optiek wordt tegenspraak aanvaard… Daarnaast dacht Hegel dat zijn dialectiek een verbetering van de logica vormt. Zijn dialectiek zou dus een systeem van nadenken zijn. Men merkt echter dat het wetenschappelijk denken niet op een waarlijk dialectische wijze gebeurt. Hegel ging bovendien uit van een eenheid tussen Rede en realiteit. De wereld en het denken waren volgens hem één. Daaruit volgt dan dat in de wereld contradicties voorkomen. Maar weeral: in praktijk komen die contradicties niet voor. Hegel zag die bv. in negatieve en positieve ladingen. Dat is echter geen voorbeeld van contradictie, maar van polariteit, wat niet hetzelfde is. Hegels idee van identiteit van Rede en realiteit is trouwens je reinste absurditeit. Die identiteit was Hegels antwoord op de vraag “Waarom kunnen wij de wereld begrijpen?” “Omdat de wereld verstand-elijk is.” Met hetzelfde recht kunnen we dan zeggen, dat we de wereld kunnen beschrijven in wiskundige termen of Nederlandse termen omdat de wereld wiskundig of Nederlands zou zijn.

In het laatste deel rekent Popper af met het historicisme en meer bepaald met het marxisme. Het historicisme, dat deel uitmaakt van de marxistische leer, gaat van volgende zaken i.v.m. de sociale wetenschappen uit: wij kunnen bv. zonsverduisteringen voorspellen, waarom zouden wij dan geen voorspellingen in de sociale, politieke sfeer kunnen doen? Daaruit volgt dan dat de taak van de sociale wetenschappen het voorspellen van sociale en politieke gebeurtenissen zou zijn. De taak van de politiek zou dan bestaan uit het verzachten van de pijnen die met de voorspelde gebeurtenissen verbonden zijn.

Historicisten maken echter geen verschil tussen voorwaardelijke voorspellingen (als we gebeurtenis a waarnemen, zal b gebeuren) en onvoorwaardelijke profetieën (b zal gebeuren). Onvoorwaardelijke profetieën kunnen eventueel afgeleid worden uit voorwaardelijke voorspellingen (in het geval we weten dat a gebeurt is, weten we dat b zal gebeuren). Historicisten leiden hun profetieën echter niet af uit voorwaardelijke voorspellingen en bovendien kunnen zij dat niet, omdat profetieën op de lange termijn enkel kunnen in het geval van geďsoleerde, stationaire en cyclische systemen. Dat we bv. zonsverduisteringen kunnen voorspellen volgt uit het feit dat de beweging van de planeten cyclisch is en nagenoeg stationair. Dit zijn echter uitzonderlijke gevallen. In de sociale wetenschappen komen geen cyclische bewegingen voor. Bepaalde zaken keren terug, maar de maatschappij evolueert en de belangrijkste gebeurtenissen die grote invloed op de geschiedenis hebben, zijn niet terugkerend.

Dit wil echter niet zeggen dat de sociale wetenschappen geen praktische bruikbaarheid hebben. Iedereen weet dat bepaalde handelingen onbedoelde gevolgen hebben. De sociale wetenschappen kunnen dus dienen om de onbedoelde repercussies van menselijke handelingen op te sporen. Door die onbedoelde gevolgen kan ook de samenzweringstheorie die de meeste marxisten hanteren (maar Marx zelf later niet meer), waarbij het proletariaat het slachtoffer is van de samenzwering van de kapitalisten, niet kloppen, omdat zij er van uitgaat dat alle gebeurtenissen de bedoelde gevolgen zijn van bepaalde handelingen. De sociale wetenschappen vertonen veel gelijkenis met de experimentele wetenschappen. Die laatste hebben stellingen als ‘een machine met 100% rendement bestaat niet’, ‘een perpetuum mobile bestaat niet’. Zo ook laten de sociale wetenschappen toe te voorspellen wat we niet kunnen doen, bv. ‘men kan het reële inkomen niet gelijktrekken en tegelijk de productiviteit verhogen’, ‘volledige tewerkstelling kan niet zonder inflatie’.

Finaal laat hij zich uit over de marxistische stelling dat enkel door de revolutie de mens een menswaardig leven kan krijgen. In een revolutie wordt alles in vraag gesteld, ook de waarden die men door die revolutie zou willen verwezenlijken. Marxisten zouden tabula rasa willen maken en van nul starten, maar niets garandeert dat we uiteindelijk niet opnieuw in de huidige situatie zouden terechtkomen. De revolutie kan enkel tot een goed resultaat leiden als we uitgaan van het historicisme dat ons vertelt dat we de uitkomst van de revolutie kunnen voorspellen, maar het historicisme is een leer die niet correct is. Uiteindelijk bestaat het gevaar dat we de huidige ‘meesters’ of ‘samenzweerders’ vervangen door nieuwe, die uiteindelijk ook weer feilbaar zijn. Niets garandeert dat die nieuwe heersers wel goed en eerlijk zouden zijn omdat ze uit het proletariaat komen. We hebben daarom niet de ‘goede’ mensen nodig, maar goede instituties die zelfs slechte regeerders beletten al te grote schade aan te richten.

Wat moeten die regeerders dan doen? Omdat volledige vrijheid onmogelijk is, moeten zij er voor zorgen dat iedereen gelijk is “met betrekking tot de beperkingen die het onvermijdelijk gevolg zijn van het maatschappelijk leven” en erkennen dat het streven naar gelijkheid een bedreiging van de vrijheid kan vormen. Daarnaast moeten zij niet streven naar het grootste geluk voor zo veel mogelijk mensen, maar naar het vermijden van vermijdbare ellende.

Popper leert ons dat we ons moeten hoeden voor de grote waarheden, zowel in de wetenschap als in de politiek. Daarnaast levert hij een zeer sterke kritiek op het marxisme en stelt hij een overheid voorop die telkens opnieuw in vraag kan gesteld worden en niet tracht om de maatschappij tot een ideaal om te boetseren.


Recensie door Jules van Rie, nationaal voorzitter LVSV

Deze tekst verscheen eerst in Neo-Humanisme, het lijfblad van het LVSV-Gent


Karl Popper, De groei van kennis, Boom, 2002

Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be