The Open Society and Its Ennemies

boek vrijdag 01 oktober 2004

Karl Popper

1. Inleiding

De strijd tussen Popper en zijn vijanden (Plato, Hegel, Marx,…) is een strijd tussen twee temperamenten, tussen de Philintes en de Alcestes (1) onder ons. De ene leeft diep ongelukkig door de gang van zaken in zijn omgeving en ziet zijn morele idealen niet gerealiseerd. De andere, nederig tegenover de wereld waarover hij de controle niet heeft, aanvaardt de onvolmaaktheid van zijn bestaan. Utopische aspiraties zullen door de ene gekoesterd worden: de bestaande wereldorde moet omvergeworpen worden en de mentale blauwprint van zijn ideale wereld moet werkelijkheid worden, eens en voor altijd, onveranderlijk. Voor de andere is de wereld te complex om willekeurig extravagante denkbeelden tot realisatie te brengen. Popper verkiest dan ook dat de maatschappelijke problemen stap na stap, na overleg en controle door de mensen zelf, opgelost worden.

Met elk van beide maatschappijvisies gaat een visie op kennis samen. Mensen als Plato geloven dat het Ware kan worden gevonden. De waarheid, het goede en het mooie liggen binnen het bereik van de mens, alleen van de uitverkoren mens weliswaar. Bovendien denken zij in staat te zijn de ware wetten die de menselijke geschiedenis determineren, te kunnen ontdekken. Popper daarentegen wil de kritische krachten van de mens bevrijden en verklaart geen enkel weten definitief. Zelfs aan de wetenschappelijke waarheden kent hij het statuut van hypothese toe, uitspraken die steeds voorwerp van onderzoek blijven. Het individu is een kritische geest en heeft zijn eigen lot in handen. Geen enkel van ons wordt beleefd door de verdoken wetten van de geschiedenis.

De mensheid kent volgens Popper maar één overwinnaar: de open samenleving. Eenmaal geproefd van de appel van de kennis en het oorspronkelijke paradijs van vanzelfsprekendheid verloren is, is er geen andere weg terug dan deze van de dierlijkheid. Het gebruik van de rede en de roep van de individuele verantwoordelijkheid maken het onmogelijk zich nog te onderwerpen aan gewoontes, taboes en wetten die als onveranderlijk worden opgevat, door een hoger zijnde aan de mensen opgelegd. Onderdrukking door inquisities, geheime polities en degelijke, zijn het enige alternatief van de reactionaire beweging die terug wilt naar een tribale samenleving. Van een vrijwillige onderwerping is geen sprake.

2. Plato’s vloek (Volume I)

A. Plato leefde in een tijd van grote maatschappelijke veranderingen. De Peloponnesische oorlogen brachten de Atheense hegemonie definitief tot een einde. Van politieke stabiliteit binnen de stadstaat zelf was al lang geen sprake meer. Tirannieën en democratieën volgden elkaar op. Het ongeluk van zijn onzekere medemens en het trauma van Socrates’ terechtstelling deed Plato verlangen naar een andere wereld, een wereld van stabiliteit en perfectie: de Ideeënwereld.

Plato verbeeldde zich dat onze zintuiglijke wereld een imperfecte afbeelding is van de eeuwige wereld van de Ideeën. Zo vinden de vele duiven die we in ons dagelijks leven tegenkomen hun oorsprong in het Idee Duif dat volmaakt is en zich in een wereld bevindt aan gene zijde van onze aardse wereld. Maar niet alleen voor de concrete dingen uit onze wereld bestaat er een oorspronkelijke Vorm, ook onze mentale concepten worden voortgebracht door een onveranderlijk Idee. Waarheid, schoonheid, goedheid, rechtvaardigheid, de staat,…: allen bezitten een ideale tegenhanger.

De wereld van de Ideeën werd vervolgens gelijkgesteld met dé werkelijkheid, onze zintuiglijke wereld met schijn en bedrog. Wil men tot ware kennis komen, moet men de mistige wereld in welke we lijden overstijgen en deelnemen aan de perfecte wereld van de Ideeën. Wetenschap moet erop gericht zijn deze ware Natuur te ontdekken. Dit kan maar door een mystieke eenwording van de menselijke geest met de onveranderlijke wereld van de perfecte Vormen. De gewone mens heeft echter geen toegang tot deze absolute kennis.

Een ander gevolg van zijn Ideeënleer leidt tot de kern van het historicisme (2). Als het beginpunt van alle verandering perfect en goed is, dan kan verandering slechts leiden tot een grotere imperfectie. In de wereld van het veranderlijke, de leefwereld van ons allen, is een steeds groter wordende verdorvenheid wet. Met andere woorden wordt de geschiedenis van de mensheid beheerst door één wet, de wet van het verval. Plato verlangde er dan ook vurig naar de maatschappelijke en politieke ontwikkeling tot een einde te brengen en zo de dans van de geschiedenis te ontspringen.

Om dit doel te bereiken wou Plato een zo exact mogelijke kopie van het Idee maatschappij in de wereld realiseren. Dit is een maatschappij waarin een strikte arbeidsdeling geldt: de heersers moeten heersen, de werkers werken en de slaven dienen, ieder volgens zijn ‘natuur’, allen voor het heil van de stad (3). Klassenprivileges worden dus aanvaard en zijn zelfs rechtvaardig. Plato definieerde immers rechtvaardigheid als wat de belangen van de staat dient. Gezien de staat de grootste stabiliteit verwerft als ieder naar zijn natuur handelt, dienen de privileges verbonden met de natuur van een klasse de staat en diens belangen. Dat er dus geen twijfel bestaat over het totalitaire karakter van Plato’s Republiek: de totale overheersing van één klasse over de gehele maatschappij wordt niet in twijfel getrokken. Het is de rechtvaardige en ideale toestand.

Het volgende citaat uit Plato’s Wetten doet alle twijfels verdwijnen:

‘The greatest principle of all is that nobody, whether male or female, should ever be without a leader. Nor should the mind of anybody be habituated to letting him do anything at all on his own initiative, rather out of zeal, nor even playfully.’ En wie iedereen volgen moet, is niemand minder dan de koning filosoof. Als enige heeft de filosoof immers toegang tot de goddelijke Vormen en als enige kan hij dan in overeenstemming met de Vormen de stad stichten en de wetten opstellen. Bovendien kan hij ook als enige de goede orde van de stad bewaren. Hij is verantwoordelijk voor de opvoeding van de volgende leider en voor de demografische opbouw van de stad, onderdeel van het Idee stad. Zou Plato iemand anders dan zichzelf op het oog hebben gehad?

B. Popper is het helemaal oneens met Plato. Hij veronderstelt immers dat leiders niet altijd wijs en goed zijn en stelt dan ook niet de vraag: ‘Wie zal leiden?’; maar de vraag: ‘Hoe kunnen we onze politieke instituties organiseren zo dat slechte of incompetente leiders niet al te veel schade aanrichten?’ Op deze manier wordt niet meer veronderstelt dat macht geen grenzen mag kennen. Integendeel, diep gelovend in de goede werking van het grondwettelijke systeem die de machten scheidt, stelt Popper dat macht niet ongecontroleerd mag blijven en dat het institutionele kader de macht van de ene instelling tegenover de macht van de andere instelling moet plaatsen.

Popper toont zich op nog een ander punt realistischer. Gelovend in de mogelijkheid een nieuwe en ideale maatschappij op te bouwen is Plato te omschrijven als utopist. Maar wat zijn de gevolgen van het werkelijk worden van een maatschappelijk idee? Zal er tijdens en na de realisatie geen kritiek rijzen die het oorspronkelijk idee verandert? Is het überhaupt wel mogelijk om de maatschappij waarvan men zelf een onderdeel is te vernietigen om een nieuwe in de plaats te stellen? Popper heeft vooral bezwaar tegen een utopische opbouw van de maatschappij omdat die uitgaat van het platoonse geloof in een absoluut en onveranderlijk ideaal. Pas als je denkt te weten hoe de absoluut goede staat er moet uitzien, is het zinnig aan een totale heropbouw te beginnen. Popper gelooft niet dat zo’n kennis bestaat.

Tegenover dit utopische idealisme stelt Popper de mogelijkheid om als mens in te grijpen in de leefwereld, op beperkte wijze weliswaar (4). De politicus mag een blauwprint van de ideale maatschappij in zijn hoofd hebben of niet. Hij mag niet vergeten dat de realisatie van die perfectie een werk van lange adem is en dat andere generaties een andere perfectie kunnen nastreven. Ondertussen is het aangewezen de grootste en meest dringende problemen aan te pakken. Het gaat er hier in de eerste plaats om het lot van de mensen te verbeteren. Hiervoor is het noodzakelijk dat de mens de mogelijkheid heeft kritiek uit te oefenen op de samenleving en haar leiders. De open samenleving moet een feit zijn.

Er kan dan ook geen sprake zijn van wetten die de loop van de geschiedenis determineren. Het historicisme vertrekt van de verkeerde veronderstelling. De mensen hebben immers hun eigen lot in handen. De complexheid van de sociale wereld zorgt er wel voor dat iemand zijn daden ongewenste gevolgen hebben. Met andere woorden, de mensen hebben hun lot in eigen handen zonder er meester van te zijn.

Uit de twee vorige kritieken blijkt waar het Popper om te doen is. De mens als individu staat centraal. Hij moet beschermd worden tegen een totalitaire macht en diens excessen en de onmiddellijke verbetering van zijn situatie is te verkiezen boven het realiseren of in stand houden van één of ander idiosyncratische maatschappijmodel dat over het algemeen meer leed brengt, zonder zijn beloftes waar te maken. De gemeenschap of collectiviteit als hoogste waarde vóór het individu en zijn bestaan plaatsen: Popper gruwde van de gedachte. Het collectivisme is immers te beschouwen als de grootste vijand van de open samenleving, een samenleving in welke de kritische krachten van de individuele mens bevrijd zijn. Plato daarentegen, goed beseffend dat de emancipatie van het individu het einde betekende van de tribale samenleving, bestreed het individualisme met al zijn kunnen:

‘The part exists for the sake of the whole, but the whole does not exist for the sake of the parts. … You are created for the sake of the whole and not the whole for the sake of you.’ (De Wetten)

Plato suggereert hier dat het alternatief van collectivisme, individualisme, naar een egoïsme leidt. Op deze manier ligt hij aan de basis van de verkeerde maar nog steeds wijd verspreide associatie die het collectivisme met het altruïsme en het individualisme met het egoïsme verbindt. Maar zoals het collectivisme tot egoïsme kan leiden, klasseëgoïsme, zo kan een individualist altruïstisch zijn. Popper geeft het voorbeeld van Dickens, vooraanstaand bestrijder van egoïsme, vurig verdediger van het individualisme. Hij voegt eraan toe:

‘What really matters are human individuals, but I do not take this to mean that it is I who matter very much.’

Deze foutieve associatie zorgde, en zorgt nog steeds, voor een sterk argument voor het collectivisme. De humane gevoelens van onbaatzuchtigheid leiden rechtstreeks naar het collectivisme. Het individualisme is voor hen die zichzelf op de eerste plaats stellen.

3. Hoogtij van de profetie: Hegel en Marx (Volume II)

A. Popper rekent op een fatale wijze met Hegel af. Als apologeet van de Pruisische monarchie is hij het icoon van de intellectuele corruptie (5) en vooraanstaand verdediger van de gesloten maatschappij. Voor de rest is hij volgens Popper een onverteerbare auteur en alleen in zijn uitzonderlijk tekort aan originaliteit een uitblinker. Wat Hegel dan zo belangrijk maakt, is dat hij de ontbrekende link is tussen Plato en het moderne totalitarisme.

Voor de uitwerking van zijn collectivistische moraal grijpt Hegel terug naar Plato. Platoons stelt hij dat de staat alles is en het individu niets. Het individu is immers alles verschuldigd aan de staat, zijn fysisch welzijn als spiritueel bestaan. De staat is de ultieme realiteit en in zijn zelfontwikkeling ontwikkelt de Hegeliaanse Geest, het ultieme doel van het alles. Het individu is geheel ondergeschikt aan dit kosmische proces dat de enige realiteit is.

Voor zijn historicisme inspireert Hegel zich op Aristoteles. In tegenstelling tot Plato situeerde Aristoteles de Vormen niet in een afzonderlijke, transcendente realiteit. Het Idee van een ding is zijn ultiem doel en bevindt zich in het ding zelf. Het is naar wat iets evolueert. Wil men dan iets kennen, moet men de geschiedenis van het ding achterhalen en zo haar doel. Het is echter ook zo dat het Idee of essentie de evolutie van dat ding bepaalt, elk ding. En zo wordt de geschiedenis van de mensheid gedetermineerd door haar essentie, door haar Idee dat voor de gewone mens verscholen blijft. Maar niet voor Hegel, de ultieme denker die ons het licht aanreikt.

Hegel verdedigt wel een optimistisch historicisme. De staat, lees de mensheid, evolueert naar haar ultieme Idee, dat nogal complex is: het is Schoonheid, Kennis en Praktische Activiteit, Begrip, het Hoogste Goed,… Dit gebeurt volgens een evolutie die creatief is. Op dialectische wijze neemt een stage in het historische proces haar vorige stage in zich, alle vorige stages overtreffend. Begrijpen wie begrijpen kan. Wat te onthouden is, is dat Hegel de wet van de geschiedenis als een wet van vooruitgang zag, evoluerend naar een grotere perfectie, geïncarneerd in de Pruisische monarchie.

Omschrijft men fascisme als Hegel aangelengd met een dosis 19-de eeuws materialisme, heeft Hegel zonder twijfel zijn plaats in de geschiedenis van het denken verdiend. Het moderne totalitarisme (6) ontleent een aantal van haar kernideeën aan Hegel. Ten eerste is er het idee van staat als hoogste ideaal, ultieme realiteit, die uiteindelijk de wereld zal overheersen. Vervolgens gelooft Hegel dat de staat slechts een identiteit kan ontwikkelen tegen andere staten: het historische succes van een staat is de rechter. Oorlog is dan ook ethisch verantwoord. Een staat kan er haar grootsheid in aantonen. Andere ideeën als het geloof in de grootse mens, racisme en het heroïsche ideaal vindt men ook bij Hegel terug.

Popper besluit met Schopenhauer:

‘He [Hegel] exerted, not on philosophy alone but on all forms of German literature, a devastating…, a pestiferous influence. To combat his influence forcefully and on every occasion is the duty of everybody who s able to judge independently. For if we are silent, who will speak?’

B. Marx kan veel meer dan Hegel rekenen op Poppers sympathie. Marx is een begenadigd observator en zijn sociologische en economische analyses zijn van enorm grote waarde gebleken. Zijn profetische uitspraken zijn echter waardeloos (7). Ze zijn zelfs gevaarlijk. Een hele generatie intelligente mensen ging immers geloven dat men door het maken van historische voorspellingen op wetenschappelijke wijze sociale problemen kon aanpakken.

In de inleiding van Das Kapital verklaarde Marx dat hij de wetten die aan de basis liggen van maatschappelijke veranderingen wou blootleggen. Hij dacht dat zijn magnus opus in deze opzet geslaagd was. Zo erkende hij de economische onderbouw, de productievoorwaarden, als de uiteindelijke motor van de menselijke geschiedenis. Maatschappelijke evoluties of revoluties vinden steeds hun oorsprong in één of andere klassenstrijd. Deze klassenstrijd vindt op zijn beurt zijn oorsprong in de wijze waarop de mensen tegemoetkomen aan hun noden en behoeften. Politiek is machteloos geworden: het is de economische situatie die de politieke en sociale ontwikkeling determineert. En de mens blijkt niets meer te zijn dan pop hangend aan de draden van de economische situatie, krachten over welke hij geen controle heeft.

Toegepast op zijn eigen tijd voorspelde Marx het einde van het kapitalisme. Drie fasen zouden leiden naar de klassenloze maatschappij, het einde van de nood en het begin van de vrijheid. In een eerste fase zou de kapitalistische concurrentie leiden tot de accumulatie van kapitaal in steeds minder handen. Dit zou in een tweede fase leiden tot een verscherping van de tegenstelling tussen kapitalisten (bezitters van kapitaal) en proletariërs (bezitters van arbeid). De revolutie volgt. In een derde fase zou er een nieuwe maatschappij ontstaan zonder klassentegenstellingen.

Haarfijn analyseert Popper Marx’ profetie en ontdekt een aantal ongegronde vooronderstellingen. Is het niet mogelijk dat men hervormingen doorvoert die de concentratie van kapitaal beperkt? Of de miserie vermindert? Bestaan er geen andere klassen die de dichotomie tussen de ‘haves’ en de ‘haves-not’ afzwakt? Indien niet, moeten deze twee tegengestelde klassen zich wel verenigen? Waarom zou de revolutie met een overwinning van het proletariaat moeten eindigen? Is men zeker van de oprichting van een klassenloze maatschappij? Kan het einde van de revolutie niet tot een nieuwe ‘dictatuur’?

Marx zijn ‘wetenschappelijke’ voorspellingen zijn dus niet vol te houden. De mens is en blijft een vrij wezen dat zijn eigen toekomst vorm kan geven. Zoals de duif niet vliegen kan zonder de weerstand van de lucht, zo zal de mens steeds bepaald en beperkt worden door de leefwereld die hem vormt en gevormd heeft. Op geen enkele manier zal die leefwereld hem echter determineren. Met Poppers woorden:

‘Neither nature or history can tell us what we ought to do. Facts, whether those of nature or those of history, cannot make the decision for us, they cannot determine the ends we are going to choose. It is we who introduce purpose and meaning into nature and into history. (8)’

C. Het historicisme leidt volgens Popper tot een opstand tegen de rede. De ideeën van de gewone mensen worden als relatief beschouwd, door de omgeving bepaald. Hegel ziet de geschiedenis als determinerende factor, Marx de economische positie, nog anderen de sociale. Het geloof in het rationalisme, in het gebruik van de rede bij het oplossen van problemen, is hiermee niet te verzoenen. De emoties en passies die de leefwereld opwekt, liggen aan de basis van het menselijke handelen, niet de rede. In discussie treden met zijn medemens is dan ook volstrekt overbodig.

Meer dan een intellectuele positie is het irrationalisme een morele positie die tot misdaad zal leiden. Men neemt elkaars argumenten niet serieus en geweld wordt de ultieme rechter. Bovendien impliceert deze positie een menselijke ongelijkheid. Alleen de uitverkorene kan zijn situatie overstijgen en heeft toegang tot de ultieme waarheid. Aan de rest van de mensheid moet de weg getoond worden.

Popper verwerpt deze positie door op sublieme wijze te analyseren wat wetenschappelijke kennis precies is. Een stelling is wetenschappelijk als ze publiek is en voor kritiek vatbaar. Maar historicisme is niet publiek. Slechts een handvol mensen die erin geslaagd zijn hun contingentie te overstijgen, heeft toegang tot de waarheid. Kritiek is niet mogelijk. Het is te nemen of te laten: we hebben met profeten te doen.

Hij wijst er wel op dat wetenschappelijke kennis beïnvloed wordt door de vooronderstellingen van het moment. Het moet echter wel mogelijk de vooronderstellingen zelf, en zo de kennis die erop steunt, in twijfel te trekken. Een wetenschappelijke uitspraak is dan steeds te beschouwen als een hypothese. Popper voegt er wel aan toe dat als een uitspraak waar is, dan is ze waar, voor altijd en overal.

De wetenschappelijke attitude van ‘ik kan verkeerd zijn en jij juist en samen komen we dichter bij de waarheid’ wordt gedeeld door de kritische rationalist. Ze delen dan ook het geloof in redelijkheid van de mens. Hiermee verbonden is een morele houding van tolerantie, verantwoordelijkheid, vrijheid van kritiek,… en een humanisme dat gelooft in de mens en zijn, weliswaar beperkte, vaardigheden.

4. Conclusie

Dat uit Poppers magnus opus duidelijk mag geworden zijn dat Popper een individualist van de zuiverste soort is, hoop ik. Niet de collectiviteit waarzonder een mens geen mens zou zijn, is de hoogste waarde. Het individu als mens is het. En in de afwezigheid van een alles zaligmakend maatschappijmodel komt het er in de eerste plaats op aan het concrete lot van dit individu te verbeteren. Geen grootse Utopische projecten dus, maar onmiddellijk uit te voeren plannen moeten het menselijke lijden verminderen. Deze plannen moeten door de mensen zelf gedragen worden. Wie weet immers beter dan het individu zelf wat hem doet lijden.

Een diep geloof in het menselijk kunnen is hiermee verbonden. Ieder van ons is in staat op autonome wijze te bepalen wat goed is voor hem en wat niet. We hebben geen leider nodig die ons komt zeggen wat te doen en wat niet. We kunnen dit zelf wel bepalen. En het is best mogelijk dat we ons daar soms in vergissen. Het is best mogelijk dat onze emoties en passies de bovenhand krijgen. Maar dit geldt evenzeer voor onze leiders die niet behoren tot een of ander uitverkoren geslacht, maar net als ons gewone mensen zijn.

Verder gelooft Popper ook dat we wel degelijk kunnen ingrijpen in onze leefwereld. De geschiedenis van de mens ligt niet op voorhand vast. De toekomst ligt open en de mens kan als bron van vrijheid, als centrum van autonome beslissingen, zijn lot vormen. Maar ook hier verschijnt een mens ten tonele die niet almachtig en alwetend is. Zo kunnen zijn handelingen gevolgen hebben die hij niet anticipeerde. De controle die de mens over zijn bestaan heeft, is beperkt.

Great men may make great mistakes; and as the book tries to show, Some of the greatest leaders of the past Supported the perennial attack on freedom and reason. Their influence, too rarely challenged, Continues to mislead those on whose defence civilization depends, And to divide them.

(1) Uit Molières Le Misantrope de volgende woorden van Philinte: Mon Dieu! Des moeurs du temps ne mettons-nous moins en peine, Et faisons un peu grâce à la nature humaine ; Ne l’examinons point dans la grande rigueur, Et voyons ses défauts avec quelque douceur.

(2) Historicisme is de leer dat de geschiedenis gedetermineerd wordt door specifieke historische of evolutionaire wetten. Het ontdekken van deze wetten zou ons in staat stellen het lot van de mensheid te voorspellen.

(3) Plato beschouwde dit als het ultieme goed: ‘Good is what is in the interest of my group’. Popper identificeert deze uitspraak met de kern van een collectivistische, tribale en totalitaire moraal. Alleen de groep telt en het individu is hieraan volledig ondergeschikt.

(4) In het Engels stelt Popper ‘utopian engineering’ tegenover ‘piecemeal engineering’

(5) Verwijzend naar Hegel zei Schopenhauer het volgende: ‘Philosophy is misused, from the side of the state as a tool, from the other side as a means of gain. Who can really believe that truth also will thereby come to light, just as a by-product?’

(6) Het is me niet precies duidelijk of Popper het communisme/stalinisme tot dit modern totalitarisme rekende. Ik denk het niet en denk dat Popper vooral fascistische ideologieën op het oog had.

(7) Dit is de kerngedachte van Poppers tekst The poverty of historicism. Zelfs als we vandaag observeren, en dit goed doen, dan nog kunnen we niet weten of het morgen hetzelfde zal zijn.

(8) Een dualisme tussen feiten en beslissingen wordt hier verondersteld. Zoals David Hume het enkele eeuwen terug formuleerde: uit een zijn kunnen we geen moeten afleiden.


Recensie door Kevin Torck


Karl Popper, The Open Society and Its Ennemies, 2 vols. London: Routledge, 1945

Links
mailto:Kevin.Torck@telenet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be