De crisiskaravaan

boek vrijdag 11 december 2009

Linda Polman

De bevolkingen van zo'n vijftig landen zijn de afgelopen jaren slachtoffer geweest van oorlog, genocide, hongersnood. Humanitaire hulp – neutraal, onpartijdig en onafhankelijk – wordt dan beschouwd als een menselijke plicht. Nog nooit waren er zo veel hulporganisaties als tegenwoordig. Een karavaan van NGO's, met in hun voetspoor popsterren, acteurs, politici en journalisten, trekt over de planeet, van crisisgebied naar oorlogszone. De humanitaire hulpverlening is een industrie geworden, waarin organisaties met elkaar strijden om een zo groot mogelijk aandeel. Miljarden euro's per jaar gaan erin om. Van duizend organisaties per crisis kijken we niet meer op. En ze gaan door met helpen, ook als strijdende partijen hun geld en goederen rechtstreeks laten verdwijnen in de oorlogskassen. Waarom krijgen sommige landen hulp met bakken tegelijk, terwijl andere het moeten doen met de restjes? Waarom zijn de resultaten vaak zo schamel? Waarom worden de hulporganisaties maar zo zelden ter verantwoording geroepen? Waar houden humanitaire beginselen op ethisch te zijn?

In De Crisiskaravaan analyseert de Nederlandse journaliste Linda Polman op even trefzekere als onthutsende wijze de zin en de moraal van de internationale humanitaire hulpverlening. Ze laat zien hoe humanitaire hulp de beulen bewapent in de brandhaarden van Congo, Soedan, Ethiopië en Afghanistan. Polman, internationaal vermaard vanwege haar eerdere kritische werk over VN missies, vindt dat geen enkele hulporganisatie echt onpartijdig kan zijn en dat dat eens openlijk moet worden erkend.

Goma

Polman zag met lede ogen aan hoe het afgelopen jaar met het oplaaiende geweld in Congo de humanitaire hulp werd opgeschroefd. ‘Daar gaan we weer’, dacht ze. Ze weet maar al te goed wat er 14 jaar geleden met de goedbedoelde hulp gebeurde. Na de massaslachting in 1994 in Rwanda, waar zo’n 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s werden afgemaakt, staken vele miljoenen Hutu’s de grens met toenmalig Zaïre over om in vluchtelingenkampen rondom de stad Goma te worden opgevangen. Een recordbrekende hulpstroom kwam op gang. Alleen al via de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR werd 1 miljoen dollar per dag besteed in de kampen.

Maar onder de vluchtelingen bevonden zich ook vele genocidaires. Tienduizenden Rwandese Hutu-soldaten en burgermilities die kort ervoor nog massaal hun landgenoten over de kling hadden gejaagd, konden in de kampen aansterken om van daaruit opnieuw toe te slaan. Hulpverleners waren ervan op de hoogte. Bijna iedere nacht slopen milities de grens van Rwanda terug over om de slachting voort te zetten. Deze ‘Tutsi-jacht’ werd gewoon geleid door de voltallige Hutu-regering die, na eerst nog de Rwandese Nationale Bank en het staatsoliebedrijf Petro-Rwanda te hebben geplunderd, was neergestreken in de toeristenhotels aan het Kivumeer. De regering hief ‘oorlogsbelasting’ over de uitgedeelde voedselrantsoenen en over de salarissen van Hutu’s die als kok of schoonmaker voor de hulporganisaties werkten.

Alleen een afdeling van Artsen Zonder Grenzen kon het niet langer aanzien en vertrok uit Goma. Ze wilden de Hutu-moordenaars niet meer voorzien van medische hulp. Ze zagen dat ze meer kwaad dan goed deden. Andere organisaties bleven. Er moest omzet worden gemaakt. Er was voor huizen, medewerkers, four wheel drives en satellietschotels betaald en deze opstartkosten moesten worden terugverdiend. Het contract was de raison d’être van de hulpverleners: donoren hadden veel werk uit te besteden en die contracten moesten worden bemachtigd en daarna worden verlengd. Deze ‘contractkoorts’ zorgde volgens Polman voor een desastreuze tunnelvisie waarbij de politieke context uit het zicht verdween.

Toch was de contractkoorts niet de sterkste reden om te blijven. Volgens Polman is het vooral een kwestie van een uit de hand gelopen plichtsbesef voortkomend uit de apolitieke Rode Kruisprincipes van helpen zonder aanschijns des persoons. Over deze ‘humanitaire’ principes, verankerd in de wereldwijd aanvaarde Conventies van Genève, werd rond 1860 al gesteggeld door twee van ’s werelds eerste internationale humanitaire hulpverleners: de Britse verpleegster Florence Nightingale en de Zwitserse weldoener Henri Dunant die aan de wieg stond van het Rode Kruis. Voor Dunant, als hulpverlener betrokken bij de Slag bij Solferino tijdens de oorlog van Italië en Frankrijk tegen Oostenrijk, was helpen een heilige plicht. Voor Nightingale, die in 1854 in de Krimoorlog had gezien hoe door haar opgelapte soldaten opnieuw naar het front moesten, schoot elke hulp die een oorlog verlengt haar doel voorbij.

De Crisiskaravaan staat bol van voorbeelden waarbij hulpgelden de oorlog langer laten duren. Een ‘oorlogsbelasting’, zoals in Goma, werd bijvoorbeeld ook door de toenmalig Liberiaanse president Charles Taylor geheven. Somalische ‘warlords’ hieven zelfs tot wel 80 procent. Het regime van Soedan, door het Internationaal Strafhof verantwoordelijk gehouden voor genocide in Darfur, int miljoenen dollars per jaar van hulporganisaties voor vaak uit de lucht gegrepen werkvergunningen en havenbelastingen. Dunant zou, zoals vele hulporganisaties van vandaag, zijn verlies nemen en met de rest van het geld zijn plicht vervullen. Nightingale zou het er maar moeilijk mee hebben. Het kan echter nog veel moeilijker.

Humanitaire logica

De zekerheid dat de apolitieke hulpstroom toch wel op gang komt, is iets waar foute machthebbers mee kunnen spelen. Ze hebben de ‘humanitaire logica’, zoals Polman het systeem noemt, feilloos door. In Congo vertelden rebellen haar dat ze expres zoveel stuk maakten, omdat ze er op konden rekenen dat ze dan aandacht kregen van het Westen. Ze zeiden: ‘Wat wij afbreken, gaan jullie weer opbouwen, maar dan beter.’ Zonder verwoesting en geweld geen hulp. En hoe groter de verwoesting en gruwelijker en mediagenieker het geweld, hoe groter te hulp. De beelden van kinderen met geamputeerden ledemaatjes uit de Sierra Leenoonse burgeroorlog van 1991-2001, schokten tv-kijkers wereldwijd. Geld, goederen en een overdaad aan prothesen stroomden binnen. Rebellen verklaarden aan Polman dat ze precies wisten dat ze het Westen met zulke gruweldaden konden bewegen tot een greep in de buidel.

Op een nog strategischer niveau wordt er ook van de humanitaire logica profijt getrokken. We gaan terug naar 1984-85. Bob Geldof haalt met de LiveAid-concerten tussen 50 en 70 miljoen pond binnen voor de slachtoffers van de droogte in het noorden van Ethiopië. De droogte was er zeker, maar wat de media niet lieten zien was dat de Ethiopische president Mengistu Haile Mariam de noordelijke provincies Eritrea en Tigray isoleerde, terroriseerde en uithongerde om de zich daar ophouden opstandelingen te verzwakken. Mariam dokterde plannen uit om de noordelijke bevolking massaal naar het zuidelijke regeringsgebied te evacueren, zodat de opstandelingen hun achterban zouden verliezen. In het zuiden zouden de evacuées te werk worden gesteld in de staatslandbouwbedrijven. Mariam had alleen geen geld voor zijn plannen. Door veestapels te slachten, oogsten te verbranden en water te vergiftigen werd een hongersnood mede veroorzaakt. Al snel kwamen de de benodigde donorgelden binnen. Donoren stemden ook nog eens in met de regeringsplannen en naar schatting 100.000 bezweken aan de loodzware volksverhuizing. Al met al een lugubere strategie waar de hulpindustrie als een willoze pion werd gespeeld.

Een variant van dit sinistere spel werd gespeeld in de Europese achtertuin. In de oorlog in voormalig Joegoslavië was voedselhulp een instrument om de bevolking letterlijk te besturen. Lokale machthebbers stonden alleen voedselhulp toe waar wilden dat de bevolking zich zou ophouden. En dan nog werden voedselkonvooien soms voor 80 procent leeggeroofd. De Serven hongerden de Albanezen uit, de Kroaten de Serviërs, om maar op de hulpstroom mee te kunnen varen. De UNHCR verklaarde, geheel in de geest van Dunant, de ogen te sluiten voor deze effecten om de mensen die ze uiteindelijk wel konden bereiken niet te laten creperen.

Polman wordt in de vele debatten hard weggezet als een cynicus en non-believer. “Ze rijgt gewoon een hoop incidenten aaneen en ze kraakt alleen maar af”, zegt een medewerker van CARE. Hoewel Polman meeslepend kan schrijven, druipt het cynisme inderdaad van De Crisiskaravaan af. De prijs van principes komen ruim aan bod, maar de waarde blijft onderbelicht. De neutraliteit van het Rode Kruis, die maakt dat ze in elke mogelijke politieke situatie slachtoffers kan bereiken, had Polman aan moeten stippen. Haar dédain over individuele hulpverleners schiet te ver door.

De kogel is in ieder geval door de kerk. Tot nog toe zwegen hulporganisaties over de twijfels die ook zij hebben, bang voor slechte publiciteit en teruglopende donaties. Polman hoopt dat juist de donateurs wakker zijn geschud en van de hulporganisaties eisen dat in elk oorlogsgebied de positieve kanten van hun werk afzetten tegen de negatieve effecten en hun keuze aan het thuisfront verantwoorden. Journalisten die volgens Polman nu nog teveel aan de leiband van hulpverleners liggen, moeten hardere vragen durven stellen om alle voors en tegens in kaart te brengen. Als de balans uiteindelijk negatief uitvalt hoopt Polman dat er ook daadwerkelijk nee gezegd durft te worden. Alleen als nee een optie is gaat het vanzelfsprekende, plichtmatige uit het systeem, waar schurken zo goed op in weten te spelen.


Recensie door Paul Teule

Linda Polman, De crisiskaravaan. Achter de schermen van de noodhulpindustrie, Uitgeverij Balans, ISBN 9789050189736, € 17.95, 230 p.

Links
mailto:paulteule@hotmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be