Politica

boek

Aristoteles

Veruit het meest hardnekkige moderne liberale dilemma heeft betrekking op het 'goede'. Moderne liberalen hebben de neiging om het goede - het juiste, het deugdzame - als iets te zien waar anderen invulling aan moeten geven. De moderne liberaal, als tegengesteld aan de klassieke liberaal, beschouwt zich vaak als een scheidsrechter van politieke filosofieën. Zolang er een keuzemogelijkheid is, doet het er niet toe wat iemand onder het goede leven verstaat. Deze liberaal laat zich er daarom ook nauwelijks over uit. Hij kiest voor een meta-visie op het goede leven. Liberalen oordelen niet over de inhoud van de verschillende opvattingen van het goede leven. Voor de moderne liberaal is het beste leven het zelfgekozen leven. De inhoud ervan is ondergeschikt aan het feit dat ze er zelf voor hebben kunnen kiezen.

Die nadruk op de mogelijkheid om te kiezen, waar de moraal mee staat of valt, is nobel en waar. Maar politiek voeren zonder een opvatting over het goede, zonder een uitgesproken moraal ingebed in geschiedenis en natuurrecht (niet te verwarren met het filosofisch monisme waar een denker als Isaiah Berlin zo sterk tegen ageerde), heeft iets heel ongemakkelijks. De moderne liberaal beschouwt zich vaak als een scheidsrechter die de ondankbare taak heeft om alle morele overtuigingen in 'goede banen te leiden'. ''Liberalen'', stelt politiek wetenschapper Patrick Stouthuysen, “denken dat mensen zich terdege informeren over de verschillende goede levens waaruit ze kunnen kiezen. Ze zullen verschillende manieren van leven uitproberen, tot ze er één vinden die hen bevalt.'' Maar als dit modern liberalisme is, kunnen we dan nog wel spreken van een politieke filosofie? Is het niet een grote relativistische 'ontsnappingspoging', een onrealiseerbare poging om de politieke filosofie te ontstijgen? Verwordt het liberalisme zo niet tot een steriel, overkoepelend inrichtingsmodel?

Wie het werk van Aristoteles, de vader van de politieke filosofie, leest, kan niet anders dan concluderen dat een politieke filosofie niet kan bestaan zonder in verhouding te staan met of een opvatting te hebben over het goede. Ethiek en politiek zijn in de Ethica Nicomachea en de Politica, recent uitgegeven door de Historische Uitgeverij onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze beslaan in wezen één wetenschappelijk terrein: de politieke wetenschap of filosofie. De werken moeten als één geheel worden gelezen. Het één vloeit uit het ander voort en de één kan niet zonder de ander bestaan. Politica en Ethica verhandelen beiden de wetenschap die zich bezighoudt met ''human affairs''. De twee scheiden, of ze in theorie trachten te ontstijgen, is een zeer moderne aangelegenheid. Voor Aristoteles was een opvatting over het goede het ijkpunt voor alle politieke vraagstukken - over rechtvaardigheid, de menselijke natuur, over macht en autonomie, de staat, individu en gemeenschap, verantwoordelijkheid en traditie.

De taal in de Ethica Nicomachea is niet die van de moderne ''men of principle'', die Walter Bagehot in een essay over de dichter Shelley eens karakteriseerde als denkers wiens handelen ''is a distinct choice between conflicting motives. One propension would bear them here, another there, a third would hold them still...'' Aristoteles kent deze houding niet. Zijn ethiek ligt stevig verankerd in de praktijk van het leven. De wereld van de abstracte, botsende principes en moderne 'ismen' vormden niet het terrein van Aristoteles' denken. Bovendien had Plato de wereld van ideeën en fenomenen al verkend. Diens ethiek berust op de gedachte dat het goede een ''objectief te omschrijven opdracht'' is die voortvloeit uit een harmonieus, natuurlijk geheel waar ideeën en fenomenen in hun volmaakte vorm bestaan (het idealisme, oftewel alle takken van kennis vormen één geheel). Het goede dat de mens nastreeft volgt uit de aard van zijn mens-zijn. Plato trachtte de moraal te verdedigen tegen het 'machtsdenken' van ethisch relativistische sofisten: normen van het recht en het goede zijn niet het gevolg van gemaakte afspraken of tijdelijke wetten; ze zijn geldig zonder meer.

Het goede volgens Plato is dan ook transcendent. Zonder die maatstaf zou recht, rechtvaardigheid, samenvallen met macht - 'might is right' - en bepaalt de meerderheid wat goed is. Aristoteles kwam min of meer tot dezelfde conclusies als Plato, maar had een andere methode. Hij was ervan overtuigd dat ethiek niet begrepen diende te worden aan de hand van studies van het eeuwige en het tijdelijke, of het natuurlijke en het onnatuurlijke. Ethiek, en moraal, staan op zichzelf. Een begrip van het goede, vergt geen studie van een al dan niet bestaande natuurlijke orde. In de Ethica schrijft hij: ''Dingen worden goed genoemd in de categorie van substantie, bijvoorbeeld god of het intellect, in die van kwaliteit - de voortreffelijkheid, in die van kwantiteit - de maat, in die van relatie - het nuttige, in die van tijd - het juiste ogenblik, en in die van plaats - de gezonde omgeving, enzovoort. Bijgevolg kan de term goed duidelijk niet één enkele, gemeenschappelijke en universele betekenis hebben; want dan zou hij niet in alle categorieën, maar in één enkele gebruikt worden.''

Toch kent het goede een overkoepeld ideaal, het 'streven' waar Plato al over schreef. Voor Aristoteles is dat geluk, of ''datgene wat altijd om zichzelf en nooit omwille van iets anders wordt gekozen zonder meer''. Het geluk is afhankelijk van wat Aristoteles de ''eigen functie'' van de mens noemt. Die bestaat uit een activiteit in de ziel die zich volgens de rede (logos), of in ieder geval niet zonder haar, voltrekt; de juiste en edele (kalon) beoefening van die activiteit stemt overeen met de ''beste en meest volkomen voortreffelijkheid''. In de Politica vervolgt Aristoteles' zijn bespreking van het goede. Politiek ziet op ''vraagstukken aangaande het nobele en juiste''. De moeilijkheid zit 'm in de methode. Politiek is niet zo accuraat, dat wil zeggen eenduidig, als ethiek. De Ethica kan nog verschoond blijven van praktische toepassing. Politiek kent echter een variëteit en willekeurigheid waardoor waarheden, over wat rechtvaardig is bijvoorbeeld, altijd troebel blijven. Ethiek is een scherpe ets, politiek een grove schets.

Aristoteles neemt de stadsstaat als uitgangspunt. Elke stadsstaat is een gemeenschap, een koinônia. Deze gemeenschap bestaat uit verschillende groepen die alleen een gezamenlijk doel, ideaal of belang (‘koinion sumpheron’) hebben. Dat doel, ideaal of belang is vastgelegd in een grondwet. Aristoteles spreekt van een politeia, een term die wezenlijk verschilt van het moderne idee grondwet. Met politeia doelt Aristoteles niet op een uitgeschreven verdrag of contract, maar op een bepaalde ''ordeningsideaal'', of, in moderne academische bewoordingen, een ''organizing principle''. Dat principe rust weer op een opvatting over wat goed is, over wat het goede leven betekent. Erodeert het ordeningsideaal, dan valt de koinônia uiteen.

Het is wellicht interessant om de opvatting van over gemeenschappelijkheid en het goede te contrasteren met die van een moderne liberaal. Eurocommissaris Karel de Gucht bijvoorbeeld schreef in een artikel in de Standaard (De Kromme ethiek van De Wever, 29-05-2013) dat ''een zelfbewuste en waarlijk ethische gemeenschap op basis van sympathie [leeft]''. Waar Aristoteles stelt dat de ethische gemeenschap gestoeld is op een gedeelde opvatting over het goede, houdt De Gucht het op een gevoel van sympathie tussen burgers. Maar is dat wel genoeg? Kan een gemeenschap zonder het eerder genoemde ordeningsprincipe? Het valt sterk te betwijfelen. Het modernere liberalisme waar Aristoteles zo ver van afstaat ziet de gemeenschap vooral als een ''framework'' waarin individuen hun belangen na kunnen streven. Sommige denkers stellen dat dat ook een visie op het goede is, gebaseerd op individuele vrijheid en autonomie. Het individu is in de eerste plaats onafhankelijk, en staat in een moreel en politiek licht boven de samenleving. In een bepaald opzicht klinkt dat nobel. Maar is het voldoende om een 'politeia' ervan te behoeden uiteen te vallen?

Moet een gemeenschap niet voortbouwen op een bepaald (historisch geworteld) waardestelsel, een ‘koinion sumpheron’, of een ''organizing principle'', zoals we 'het goede' in modern jargon zouden omschrijven. Of dient de gemeenschap een waardeneutrale (dat wil zeggen 'waardeloze') ruimte te zijn om het individu, dat immers zijn eigen voorkeuren en overtuigingen heeft, zo min mogelijk in de weg te staan? En er is nog een tweede dilemma: wie enthousiast wordt van wat ik Rawls' ''terms and conditions liberalisme'' zou willen noemen, moet zich bedenken dat zijn Theory of Justice een zeer specifieke, moderne traditie in het liberale denken vertegenwoordigt die niet alleen tegenover de filosofie van Aristoteles staat, maar ook tegenover die van een liberale aartsvader als J.S. Mill. Mill was ervan overtuigd dat zijn politieke filosofie niet kon zonder een uitzetting van ordeningsideaal. Dat vond hij weliswaar in het holle ‘greatest happiness’ principe, maar het was desalniettemin een opvatting over het goede.

De Oxfordse filosoof Stuart Hampshire schreef eens in een recensie van Rawls' Theory of Justice dat ''it has come to seem both impossible and undesirable that anyone, whether a philosopher or not, should be able to identify one form of life as the best for all mankind at all times, unless he happens to have some direct access to the creator’s intentions. The distinction of humanity, and its interest in its own eyes, lies in the variety and unending competition of ideals and languages, and in the absurdity of a moral Esperanto.'' Er zit een grote kern van waarheid in dit pluralisme dat Hamsphire beschrijft. Toch verarmt de politieke filosofie als ze zich niet meer bezighoudt met ''vraagstukken aangaande het nobele en juiste''. Misschien moeten we Aristoteles daarom als volgt lezen: een opvatting over het goede hoeft niet direct een claim op een absolute, transcendente waarheid met zich mee te brengen.

Nee, een opvatting over het goede impliceert dat waarden het object van de politieke filosofie en dus de politiek zijn. Ook liberalen dienen zich daar mee bezig te houden. Het liberalisme is daarom ook geen waarheid. Zij ontstijgt de andere politieke stromingen niet en zou dat ook niet moeten trachten te bewerkstelligen.


Recensie door Daniel Boomsma

Aristoteles (vert. door Jan Maarten Bremer & Ton Kessels), Politica, Historische Uitgeverij, Groningen, 2012

Links
mailto:daniel_boomsma@hotmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be