Te wapen voor Hitler

boek vrijdag 29 mei 2009

Flore Plisnier

De historiografie van de collaboratie was lange tijd een delicaat onderwerp in België. Na de oorlog ontstond geleidelijk de indruk dat vooral de Vlamingen en meer bepaald katholieken samenspanden met de Duitse bezetter en Wallonië zuiver op de graat en massaal anti-Duits was. Van de 56.000 veroordeelde collaborateurs was inderdaad circa 62 procent Nederlandstalig. In Wallonië werden dan weer meer doodstraffen uitgesproken. In Vlaanderen verscheen een overvloed aan boeken en sinds de jaren ’80 ook tv-series, in Wallonië en Franstalig Brussel groeiden generaties scholieren, studenten en leraren op met het idee van het verraderlijke Vlaanderen en het onberispelijke Wallonië en dat hun ouders en voorouders uitblonken in het verzet.

Politici, zoals Jean-Claude Van Cauwenbergh, aarzel(d)en niet om dit te beklemtonen en de Vlamingen voor te stellen als Duitsgezind, extreemrechts en separatistisch. In de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (Lannoo, 1973) kreeg de collaboratie acht kritische pagina’s, in de Encyclopédie du Mouvement Wallon nauwelijks een paar regels, tegenover 16 pagina’s voor ‘La résistance’. Wallonië worstelt al 40 jaar met een crisis. Het compenseert zijn economische achterstand tegenover Vlaanderen op symbolische wijze door zijn onberispelijk verleden tegenover het zwarte verleden van Vlaanderen te plaatsen. De discussies onder Vlaamse historici vonden alsnog weinig weerklank in Wallonië en Brussel.

Flore Plisnier (Mons, 1980) is de eerste Franstalige die in samenwerking met het SOMA wijst op de collaboratie van haar taal- en streekgenoten in alle vormen: politieke, administratieve, economische, culturele en gewapende collaboratie. Hopelijk krijgt haar boek veel meer aandacht dan de meesterlijke studie van Martin Conway over het rexisme (1989). De meeste aandacht gaat naar de gewapende collaboratie. Zowel het Waals Legioen van Léon Degrelle in de Sovjet-Unie als gewapende groepen zoals de Garde Wallonne en een tiental kleinere paramilitaire bendes in Wallonië, Brussel en Noord-Frankrijk passeren de revue. Bij de Oostfronters, zeker bij de eerste lichting, waren veel idealisten, ondermeer uit de katholieke burgerij, die wilden strijden tegen het ‘verderfelijke’ communisme. Ze kwamen uit burgerlijke of kleinburgerlijke milieus van Brussel, Mons, Charleroi, Namen. De helft was katholiek en had een diploma. Opmerkelijk is wel dat er ook bedrijfsleiders bij waren en uitmuntende studenten die hun studie opgaven. Verder ook oud-officieren, edellieden en ontgoochelde communisten. Veel naïevelingen hoopten op een nieuw Europa onder leiding van Léon Degrelle.

Bij de tweede en derde lichting veranderde het profiel radicaal. Vanaf 1942 trokken meer armoedzaaiers naar het oosten. Zij hadden honger of wilden ontsnappen aan het gerecht of aan de verplichte tewerkstelling. Het aandeel van het laaggeschoold en ‘gemeen’ volk of van de ‘basse classe’ steeg. Plisnier telt voor 1943 nog 24 procent idealisten en 76 procent huurlingen, criminelen en marginalen. In 1944, toen de Duitse nederlaag voor velen vaststond, vond men toch nog nieuwe recruten, vooral arbeiders uit Henegouwen, Luik en Brussel. Globaal gezien telde Wallonië minder idealisten dan Vlaanderen, waar men tot het einde van de oorlog nog idealisten bereid vond om te gaan strijden aan het Oostfront. De leeftijd van de strijders was erg laag. Ongeveer 60 procent was tussen 15 en 25 jaar. De collaboratie in Wallonië was ook meer plaats- en beroepsgebonden: Mons, Charleroi, Luik, drie steden met Rexistische burgemeesters, leverden de meeste strijders. Het waren vooral socialistische arbeiders en werklozen.

Bij de politiediensten en bij de verklikkers trof men veel ‘gemeen’ volk aan, personen met een strafblad en met als enig doel geld verdienen. En bij de Garde Wallonne viel er ook geld te verdienen. Het salaris (1.500 BF per maand ) lag hoger dan dat van een rijkswachter of politieagent en men had vast werk in eigen streek. Deze opportunisten en marginalen kwamen voor 52% procent uit het arbeidersmilieu en voor 15% uit het lompenproletariaat. De machtsgreep van Rex in die steden en in Brussel zorgde ook voor meer aanslagen van het verzet, waarin de communisten een belangrijke rol speelden (weliswaar pas na de Duitse inval in de Sovjet-Unie).

De charismatische Léon Degrelle dacht in de eerste plaats aan zijn eigen prestige en aan erkenning door de Duitsers. Op 17 januari 1943 loofde hij de Germaanse roots van de Walen en wou hij zijn land en volk laten opgaan in het Duitse rijk. Intellectuelen zoals Robert Poulet en José Streel haakten toen af. Maar Hitler ontving Degrelle in eigen persoon, wat zeer uitzonderlijk was. De Führer decoreerde hem met het ‘Ritterkreuz’ en gaf de Walen de eervolle titel van ‘Franssprekende Germanen’. Zowel de buitenlandse als de binnenlandse collaboratie eindigde eerloos. Het Waals Legioen bloedde dood. De binnenlandse collaboratie ontaardde in extreem gewelddadige bloedbaden, zoals dat van Courcelles, met circa 20 doden. Het laatste oorlogsjaar kenmerkte zich in Wallonië door een bijna burgeroorlog.

Het boek is grotendeels chronologisch geordend. Het onderscheidt drie periodes. In de eerste periode tot juni 1941 was er heel weinig verzet en berustten velen in de Duitse eindoverwinning. Het nieuwe bestuur nestelde zich in de administratie, politiek, economie en rechterlijke macht. In januari 1941 waren er stakingen in de Luikse en Limburgse mijnen, wat resulteerde in een loonsopslag van acht procent. In de tweede periode kampten de mensen met meer honger, ondermeer door de Britse blokkade op zee. De prijzen waren de hoogte in gegaan. Zo stegen de prijzen voor aardappelen maal vier in 1940, zelfs maal tien in 1941. Het rantsoen daalde van 2.800 calorieën in 1939 naar 1.400. De Belgen wogen gemiddeld 5 tot 7 kilo lichter. Er was ook verzet tegen de verplichte tewerkstelling in Duitsland.

De KP en andere groepen organiseerden het verzet met sabotage en aanslagen. De eerste dodelijke aanslag vond plaats op 17 september 1941. De derde periode, vanaf de zomer 1943 tot september 1944, werd gekenmerkt door een burgeroorlog tussen een steeds kleiner aantal collaborateurs en een toenemend aantal clandestiene verzetsgroepjes, die steeds gewelddadiger optraden. Het geweld nam toe naarmate Duitsland meer nederlagen leed. De dodelijke aanslagen van het verzet leidden in 1944 tot een spiraal van geweld en tot contraterreur van de Nieuwe Orde. Op hun beurt beoorloogden de bendes (van Duquesne, van Charleroi en andere) ongenadig de verzetsgroepen en ze martelden hun slachtoffers. In september 1944 was ook de volksrepressie ongenadig hard.

Plisnier hanteert een nuchtere en sobere stijl, die bij de lezer geloofwaardiger overkomen dan een emotioneel verhaal. Jammer dat ze niet werkt per geheel: eerst heel het Oostfront, dan heel het binnenlands front. Nu is alles versnipperd in kleine chronologische blokjes. Het boek is voorzien van leerrijke grafieken en tabellen over de wapendracht, het beroep van deze wapendragers en hun geografische herkomst. Verder zijn er noten, een rijke bibliografie met ook Nederlandstalige boeken, een register en een flink pak foto’s. De vertaling is onberispelijk. In het register staan helaas niet de eindeloos vele Duitse begrippen en afkortingen die overal in de tekst voorkomen. Het verwijst ook niet naar de foto’s. Plisnier verliest ook uit het oog dat Franstalig België in de jaren vóór de oorlog met Rex een fascistische beweging had die in 1936 minstens evenveel uitstraling had als haar Vlaamse evenknie (VNV). In zetels uitgedrukt : 21 voor Rex in 1936, 16 voor VNV. In 1939 was het omgekeerd: 4 tegen 17. Ze geeft ook de indruk dat bijna alle ‘goede’ Franstaligen vanaf het begin tegen de Duitsers waren en dat bijna enkel slecht opgeleide jongens uit louche milieus collaboreerden. Helaas laat ze geen enkele betrokkene zelf zijn verhaal vertellen.


Recensie door Jef Abbeel

Flore Plisnier, Te wapen voor Hitler. Gewapende collaboratie in Franstalig België 1940-1944, Meulenhoff/Manteau, 2008, 183 blz.

Links
mailto:jef.abbeel@skynet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be