Een handig boekje ligt voor mij, niet te dik, 135 pagina’s. Ik doorblader eventjes en vind een reeks filosofische namen van Plato tot Charles Taylor. Opvallend zijn de gekke foto’s van elk van die (Ik tel even) 25 filosofen. Het geheel intrigeert mij uitermate. Wat is het verband tussen de inhoud en die digitaal bewerkte afbeeldingen, vooral omdat het allen filosofen zijn over wie eerder al uitgebreid geschreven werd? De omslag leert mij dat de auteur Ger Groot is en de binnenpagina dat de illustraties van Marc Suvaal zijn. Ger Groot ken ik reeds aangezien ik een trouwe lezer ben van Filosofie Magazine en hij daar geregeld in voorkomt. Ik surf even op Wikipedia en vind dat hij thans hoogleraar ‘Filosofie en literatuur’ is aan de Radbout Universiteit te Nijmegen. Verder is hij uitgesproken atheïst maar ergert hij zich blijkbaar aan de missioneringdrang van het Nederlandse Humanistisch Verbond en meteen ook aan dogmatische vormen van atheïsme. De laatste heb ik al eerder gehoord, hoewel ik het nog altijd niet goed snap, maar enfin, laat ik zijn boek even doornemen, want ik ben nog nieuwsgieriger geworden naar de inhoud.

Een inleiding is er niet, wel een voorwoord dat mij al iets wijzer maakt. De term ‘Photoshop’ in de titel duidt erop dat die filosofen dan wel in een wereld leven die concreet totaal verschilt van vroeger maar dat filosofische vragen de tijd doorstaan. De confrontatie met het heden moet een schok teweeg brengen om de denkwereld pertinenter te laten uit komen tegenover de vanzelfsprekendheid. De Photoshop staat dan symbool voor de ver-vormgeving van de werkelijkheid. We maken immers de werkelijkheid tot wat we wensen dat ze is, zei Nietzsche reeds. Groot ziet onze wereld door de ogen van filosofen die onze wereld niet gekend hebben en andersom presenteert hij ons hun denken in termen van vandaag. De concreet onbestaande, voorbeeldige ideeën van Plato worden de in werkelijkheid onbestaande geretoucheerde beelden van ideale mensen op Internet. Hij laat de filosofen over de eeuwen heen met elkaar en met ons ‘twitteren’, Plato met Nietzsche bijvoorbeeld. Die contrasterende confrontatie brengt bijkomend licht op hun en ons denken.

Aan elke filosoof besteedt hij slechts een drietal bladzijden, gevolgd door een uiterst beknopte maar wel rake informatie over diens leer. Achteraan kan de lezer dan over elk van hen bijkomende literatuur vinden. Plato wordt voorgesteld met een weelderige haardos en dromerige ogen. Zoals zijn beeld heden en verleden laat versmelten, brengt Groot rechts-extremistisch populisme, Oudgrieks sofisme, wetenschappelijk denken en waarheidsaanspraken samen. Kritiek komt er ook aan te pas met de opmars van Nietzsche en Karl Popper. De afbeelding van Aristoteles wordt veelvuldig herhaald in opeen gestapelde aftandse tv-toestellen. Is dat een verwijzing naar de veelheid van het waarneembare als bron van kennis en naar het schrille contrast met de ideële eenheid van Plato? Deze keer heb ik het fout. De tv-toestellen symboliseren het toneel en Aristoteles’ catharsisbegrip wordt aangewend om de functie van fictie te bespreken. Ook Freud wordt er bij gehaald. In de bijkomende uitleg compenseert Groot wel zijn eenzijdige benadering van Aristoteles door diens empirische oriëntatie en zijn logica te vernoemen.

De kerkvader Augustinus, met hoogwaardigheidsattributen rondom hem, blikt devoot naar een hedendaagse video. De beelden zijn uit het verleden, de toekomst is er niet, maar wat is het heden? Augustinus zoekt de oplossing in het innerlijke. Gezien zijn enorme invloed wordt hij gelinkt aan Gertrude Stein, Montaigne, Freud, Nietzsche, Charles Taylor, Kant en aan Groots eigen ervaringen. Groot loopt het rijtje van zijn denkers chronologisch af. Met Thomas van Aquino belanden we in de late middeleeuwen. De heilige staat afgebeeld met in de ene hand een kerkgebouw en in de andere een boek. Zijn hoofd is ontdubbeld. Wat zou dat betekenen? We krijgen een inkijkje in de manier van denken van deze grote filosoof via zijn godsbewijzen, die ook dienen om andere denkers aan hem te koppelen. Groot weet begrijpelijk te maken dat Thomas’ godsbewijs een mijlpaal in de emancipatie van de rede betekende. Is dat het tweede gezicht van Thomas?

In nog steeds dezelfde anachronistische stijl komt daarna Erasmus, afgebeeld met zotskap, aan de beurt. Groot verwaardigt zich even om zich met deze Europese icoon te vereenzelvigen, maar vooral weet hij hem psychologische te schetsen, alsook zijn psychologisch inzicht in De lof der zotheid neergelegd. Ik kan het niet laten om één zinnetje te citeren: Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding. Niccolo Machiavelli wordt afgebeeld met in zijn armen la Cicciolina, de pornoster die in 1987 een zitje in het Italiaanse parlement veroverde. In de tekst wordt er niet over haar gesproken, maar het is wel een knipoog naar de ideeën van deze politiek renaissancefilosoof. Groot plaats Machiavelli in het centrum van de Europese politiek: het is de schuld van Brussel of, met andere woorden: geef de schuld aan een ander. En, er zijn nog wel meer overeenkomsten, ook al is er nu democratie en geen vorstendom meer.

Met Michel de Montaigne, de smartphone in de hand, belanden we in de Verlichting. ‘Like’ wordt ‘ik’ en dat appelleert aan de introspectieve methode van de uitvinder van het essay. Vriendschap is hier het codewoord, maar evengoed allerlei ander aardse zaken hadden model kunnen staan. Dat Descartes afgebeeld staat met een sleutel in zijn rug om hem op te winden zal wel te maken hebben met zijn dualisme, zijnde de mens als een machine met daar bovenop een geest. Twee heren passen in het rijtje: Julien Offray de La Mettrie met zijn hommes machines en Dick Swaab met Wij zijn ons brein. Spijtig dat Groot niet gedacht heeft om de scheiding tussen geest en lichaam voor te stellen als de scheiding tussen hard ware en soft ware.

De beeltenis van Blaise Pascal wordt voorgesteld in een soort craquelé. Of moet ik het pointillisme noemen. Pascal is wat zijn geloof betreft bekend voor zijn pari, het godsbegrip als een loterij. Het bevat het kenmerkende van zijn denken. Of God bestaat weet hij niet, dat is zijn scepticisme, maar als Hij bestaat weegt een eeuwige gelukzaligheid in het hiernamaals met Zijn bestaan op tegen een kortstondig moeizaam verblijf hier zonder Zijn bestaan. Ik zie de pari als een blik in een geniale, maar introverte geest. Groot zegt dat Pascal benauwend klinkt en dat is het geschikte woord. Het craquelé verwijst naar het verward, verbrokkeld en onzeker zelfgesprek van de filosoof die tegelijk wiskundige, theoloog, natuurkundige en apologeet was. Pascals denken projecteert Groot op Nietzsches nihilisme en hij eindigt zijn vertoog met een slagzin uit de eerste Alien-film: ‘In de ruimte hoort niemand je schreeuwen.’

Het hoofdstuk over Baruch de Spinoza draagt de titel ‘God – of de natuur?’ en de afbeelding laat de filosoof zien als een verschijning aan het wolkendek boven een Hollands landschap. God is de natuur en de natuur is God. Groot brengt wiskunde, natuurwetenschap, theologie, neurowetenschap, cybernetica, Descartes en jodendom met elkaar in verband en ruimt daarin plaats voor Spinoza. Jean-Jacques Rousseau belichaamde in zijn geschriften en zijn turbulente leven de tweespalt tussen Verlichting en Romantiek. De tegenstelling rede-gevoel blijft de mens achtervolgen. Groot haalt er de zangeres Eva de Roovere illustratief bij. Rousseau wordt afgebeeld binnenin een gloeilamp, als symbool van licht en romantiek wellicht.

Groot vangt zij beschrijving van Immanuel Kant aan met een eerder lugubere mop: ‘De beklaagde zegt tot de rechter: ‘Edelachtbare, ik ben niet schuldig aan de dood van mijn schoonmoeder. Alles in de wereld verloopt via noodzakelijke wetten, vrije wil bestaat niet. Ik kon niet anders dan haar de hersens inslaan.’ De rechter zegt: ‘U hebt gelijk. Helaas heb ook ik geen vrije wil. Ik kan niet anders dan u veroordelen tot dertig jaar gevangenisstraf.’ Groot geeft een interpretatie van Kants vrijheid en stelt vast dat het begrip eigenlijk nog altijd niet doorslaggevend is vast gelegd. Wel breek ik mij nog het hoofd over de symboliek van een verfijnd mannelijk hoofd op een vrouwenlichaam met mooie tattoo’s.

Georg Wilhelm Friedrich Hegel pratend voor een legertje van microfoons.- dat moet een verwijzing zijn naar zijn grote succes als beroemd docent. Groot gebruikt dit voor ons vreemde gebeuren als vertrekpunt voor een balade in de geschiedenisfilosofie. Is er een trend? Zijn er slechts incompatibele opeenvolgingen? Hegel; Marx, Popper, Shakespeare, Hartley, ze mogen elk hun standpunt naar voor brengen. Arthur Schopenhauer steekt zijn tong uit. De misogynische filosoof breekt op een tweevoudige manier met de traditie. Niet de rede maar de wil in de natuur stuurt onze handelingen. Dat is een mannelijke kracht. De vrouw wordt nu de drager van het intellect. Zijn pessimisme leidt hem naar de Indiase mystiek. Niet minder dan negen afbeeldingen van Soren Kierkegaard vullen het blad tegenover de tekst. Dat is zeker een verwijzing naar diens vele pseudoniemen. Groot noemt hem een voorloper van het existentialisme. Ik zou hem de pionier van het existentialisme willen noemen, anderen zelfs de eerste existentialist, maar ja, dat is alles maar een kleine nuance in de labeling. Groot stelt vast dat onze cultuur een beetje Kierkegaardiaans is geworden.

Een dollarbiljet met de afbeelding van Karl Marx, kan het provocanter? Marx wordt geprojecteerd op de financiële crisis, als de voorbode van al dat leed. Groot had nog verder in de geschiedenis kunnen terug gaan, namelijk tot bij Aristoteles die enkel geld als ruilmiddel aanvaardde en de accumulatie ervan als een pervers verschijnsel brandmerkte. Dat was dan wel in de context van de grootgrondbezitter die met lede ogen de financiële macht van de metoiken waarnam. Dichter bij ons hebben we te maken met een nefaste financiële fictie-uitwas die de gehele economie aantaste. Groot waarschuwt voor een terugkeer van Marx’ ideeën. Aanvankelijk leek deze ongelijk te hebben en was het niet de middenklasse, maar het proletariaat dat verdween, maar thans lijkt de omgekeerde trend te zijn ingezet in de V.S.A., maar misschien ook in Europa. Soms gebruikt Groot een typisch Nederlandse term zoals ‘Vinexwijk’. Dat staat voor Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra om het huisvestingsprobleem op te vangen. Maar met wat gegoogel valt dat wel op te vangen.

De ideeën van Nietzsche, voorgesteld als een gitaarspelende flowerpowerboy, worden door Groot gekoppeld aan de morele en politieke ontwikkelingen van de 20e eeuw, laten we zeggen: in voor- en tegenspoed. Een van de geniaalste filosofen van de 20e eeuw, Ludwig Wittgenstein, wordt voorgesteld met de mond dicht gekleefd. Zijn tot in den treure herhaalde, maar niet versleten uitspraak: ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.’ is zekerlijk de verklaring voor dat beeld. Groot doet terecht recht aan Wittgensteins mystiek. Maar al te vaak wordt hij immers afgedaan als een positivist pur sang, wat niet correct is. Groot heeft het gelukkig evenmin over een maar al te vaak aangehaalde tweespalt in de ontwikkeling van diens denken. Hij bespreekt wel de taalspelen, die een vruchtbare aanvulling werden van zijn denken. Ik volg Groot ook in zijn kritiek op Wittgenstein, namelijk dat er over moraal wel te praten valt en dat dit niet te reduceren valt tot smaak. Ik ga waarschijnlijk nog iets verder dan Groot in mijn bewering dat ethiek perfect als wetenschap mogelijk is.

Martin Heidegger zit surrealistisch als panda verstrikt in een boomstam. Mag ik dat de voorstelling van de onomkoombaarheid van het bestaan noemen? Het is ook in die richting dat Groot denkt, wanneer hij Heidegger laat aansluiten op de ecologische eindigheid van de planeet. Ons lot is onlosmakelijk verbonden met de wereld waarin wij leven. Je weet wel, de ‘geworpenheid’ van Heidegger. Dat Sartre staat voor vrijheid staat buiten kijf. Sartre als vrijheidsstandbeeld, met het typerende onwillige oog achter zijn bril en met de pijp in de mond, vind ik een geslaagde zet. Volgens Groot staan het neoliberalisme en het existentialisme van Sartre lijnrecht tegenover elkaar. Voor Sartre is zelfs onverschilligheid en niet reageren een gebrek aan morele verantwoordelijkheid, terwijl voor het neoliberalisme (Wat daar ook mee bedoeld mag worden.) alles mag wat niet verboden is. Protagoras, Kierkegaard en Meister Eckhart passeren terloops de revue.

Groot neemt geen blad voor de mond wanneer hij in de naloop van de 11 septembergebeurtenis van 2001 met lede ogen de aanval op democratische rechten en vrijheden beschrijft, door een al dan niet verlichte dictatuur. Het was uiteraard ver weg van wat Hitler ooit had gedaan, maar niet zo ver af van het Duitsland van 1933. Wat zou Hannah Arendt, de aanklager van alles wat maar naar dictatuur neigt, daarvan gedacht hebben? Vrijheid ging voor deze uit Nazi-Duitsland gevluchte joodse vrouw voor alles. Op de voorgrond van haar afbeelding staan de Twin Towers en een aanstormend vliegtuig.

Groot stelt Ayn Randt tegenover Emmanuel Levinas, om wie het in dat hoofdstuk gaat. De eerste is de vertegenwoordiger van individualisme de ander van moreel bewustzijn. Dat is niet fout, maar toch ook niet helemaal correct weergegeven. Daarom wil ik het herformuleren. Randt staat voor een radicaal egoïsme; Levinas voor een moraal dat niet uit de collectiviteit voortkomt, zoals soms wordt gedacht, maar uit een dialoog met de ander. Moraal is een individuele aangelegenheid, want ik ontdek mijn verantwoordelijkheid in de blik van mijn medemens. Ik zeg hier niets anders dan Groot, maar door andere accenten te leggen komt er wel iets anders uit te voorschijn.

Voor de bespreking van Albert Camus ontbloot Groot zich. Net als hij schippert tussen steun aan ontwikkelingslanden en vaderzorg, zo schipperde Camus tussen universeel humanisme en realisme, waarin de mens moet erkennen dat een opperste harmonie een utopie blijft. Waren de Algerijnse zaak en de veiligheid van zijn moeder te verzoenen? Camus heeft in plaats van een sigaret tussen de vingers een kleurrijke stempel met het woord ‘Mother’ op de rug van zijn hand. Jacques Derrida wordt 9 maal afgebeeld, doch slechts één foto is origineel (of toch niet?). Alle andere zijn deconstructies. Deconstructie is een kernbegrip in Derrida’s denken. Een tekst is nooit wat ze schijnt te zijn en is altijd het product van verwijzingen naar andere teksten, waardoor we nooit tot de originaliteit doordringen. Groot gebruikt het beeld van Baron von Münchhausen die zichzelf bij de haren uit het moeras trekt.

De laatste filosoof in de rij is Charles Taylor. Hij staat religieus afgebeeld in een glasraam met drie gratiën, een reiskoffer, een laptop en een smartphone. Geloof en wetenschap, godsdienst en Verlichting, staan niet tegenover elkaar, maar liggen in elkaars verlengde zegt Taylor. De Verlichting zou alles te danken hebben aan het christendom en zelfs de wetenschap mag haar dankbaar zijn. Er is dus geen strijd tussen achterlijke religie en moderne vrijheid. Hoewel Taylor geen pasklare oplossingen biedt om de kloof te overbruggen, houdt hij de weg optimistisch open. Ik ben geen aanhanger van Taylor.

Mijn hoge verwachtingen werden bij het lezen van het boekje niet beschaamd, niet dat er fundamenteel nieuwe dingen in staan, maar wel omdat de dingen die er in staan zo speels en daardoor juist accuraat en voor ons, mensen uit de 21ste eeuw, aanwezig overkomen. Ik denk dat Ger Groot zelf bij het schrijven genoten heeft van zijn vondsten. Af en toe laat hij zich echter verleiden tot een sneer naar het individualisme en het liberalisme, meestal zonder onderscheid als neoliberalisme afgedaan. Maar waar staat dat ‘neo’ dan wel voor? Dat alles is onterecht, omdat beide, individualisme en liberalisme, garant staan voor de bescherming van het individu tegenover de dwang van de meerderheid en het paternalisme. Het woord ‘paternalisme’ is overigens uit de mode geraakt. Het wordt tijd om hem terug te halen, want er is een trend aan de gang, waarin Groot meedrijft en dat door de excessen van een casinokapitalisme alle verworvenheden van het liberalisme op hun retour wil zetten en een bemoeizuchtig en nefast paternalisme terug wil invoeren. Want, wat staat er tegenover individualisme? Collectivisme, juist! Het boek blijft echter een leuke manier om kennis te maken met 25 belangrijke filosofen.


Recensie door dr. Hendrik Vanmassenhove

Ger Groot, Plato in tijden van Photoshop, Lemniscaat, Rotterdam, 2014, 135 p.

Links
mailto:hendrik.vanmassenhove@hotmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be