Het plezier van het zoeken

boek vrijdag 25 maart 2011

Rik Pinxten

“Alle vormen van rabiaat uniformisme of onverdraagzaam omgaan met wie anders is, passen niet in een open en pluralistische visie op vrijzinnig humanisme”, schreef Pinxten in 2009 in De strepen van de Zebra. Daarin nam de toenmalige voorzitter van het Humanistisch Verbond uitgesproken stelling voor tolerantie, openheid ten aanzien van andersdenkenden en een actief pluralisme. Binnen de humanistisch-vrijzinnige gemeenschap in Vlaanderen kwam in de loop van de voorbije jaren evenwel een roep naar een meer strijdvaardige opstelling van de vrijzinnigheid en dan vooral van het atheïsme, en dit als reactie op de toenemende impact van orthodoxe geloofsvormen waarin het individu opnieuw ondergeschikt wordt gemaakt aan de groep. Tal van humanistische vrijzinnigen en atheïsten vinden dat het actief pluralisme door mensen wel met de mond beleden wordt, maar dat dit geen antwoord biedt op de hedendaagse maatschappelijke spanningen tussen kerk (of geloof) en staat. De roep naar een universele seculiere moraal klinkt luider dan ooit. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de Gentse moraalfilosoof Etienne Vermeersch de tweejaarlijkse Prijs voor het Vrijzinnig Humanisme 2011 won. Het tekent de koerswijziging binnen de humanistisch-vrijzinnige beweging van een eerder berustende naar een meer strijdbare houding, waarbij de opeising van de grondwaarden van de Verlichting en de strijd tegen intolerantie centraal staan.

In Het plezier van het zoeken. Filosofie tegen angst wijst Rik Pinxten ook op deze omslag en stelt ‘dat er nu een golf van “radicaal atheïsme” door de Angelsaksische wereld stroomt’ en dat die niet nieuw is. Het ‘radicaal atheïsme’ stroomt evenwel ook buiten de VS en het VK, niet in het minst in Frankrijk, België en Nederland. Dat die radicale variant niet nieuw is, is historisch wel juist. In zijn boek Het verdorven genootschap wijst Philipp Blom op het verschil tussen allerlei voorstanders van bepaalde Verlichtingsidealen, zoals Rousseau, Voltaire en d’Alembert (die als het er echt op aankwam toch in de luwte bleven staan om het gezag niet te tornen) en mensen als Denis Diderot en Baron d’Holbach die op gevaar voor eigen leven hun principes trouw bleven en daarvoor ook heel wat risico’s namen. Eenzelfde trend zien we vandaag. Binnen vrijzinnige middens heb je mensen die de dialoog en het compromis met de vertegenwoordigers van de geloofsgemeenschappen verkiezen boven de radicale strijd tegen het obscurantisme en de patriarchale tradities die binnen geloofsgroepen nu eenmaal dominant zijn. Waardoor onvermijdelijk de vraag komt: hoever en hoelang kunnen we als voorstanders van de tolerantie de intoleranten verdragen?

Persoonlijk volg ik al langer de stelling van Karl Popper dat we onze tolerantie niet mogen te grabbel gooien ten bate van de intoleranten. ‘Indien we onbeperkte verdraagzaamheid zelfs uitstrekken tot diegenen die onverdraagzaam zijn, als we niet bereid zijn een verdraagzame samenleving te verdedigen tegen de woedende aanvallen der onverdraagzamen, dan zullen de verdraagzamen vernietigd worden, en verdraagzaamheid met hen.’ Vandaar mijn probleem met diegenen die omwille van de ‘goede vrede’ zwijgen en laten betijen. Pinxten blijft evenwel met een hardnekkige zendingsdrang het actief pluralisme verdedigen. Om zijn positie helemaal duidelijk te maken, keert hij zich dan ook vooral tegen de zogenaamde ‘nieuwe atheïsten’, genre Dawkins, Dennett, Cliteur en Vermeersch, van wie hij niet alleen de strategie in twijfel trekt maar ook hun kennis ‘over religie buiten de mediterrane vijsvijver’. Nu kan het zijn dat Pinxten als culturele antropoloog en kenner van de Navajo-indianen een stap voor heeft op zijn vermeende tegenstanders, maar echt overtuigend is dat niet. In die zin is zijn verwerping van de gedachte dat de hedendaagse westerse maatschappij superieur is ten aanzien van culturen die bijvoorbeeld religieuze regels naleven, met alle vreselijke gevolgen voor de betrokken gelovigen, vooral voor vrouwen, gewoon verkeerd. Culturen waarin de gelijkwaardigheid van man en vrouw wordt aanvaard en verdedigd, zijn superieur ten aanzien van culturen waarin mannen zich het recht toekennen om vrouwen te onderdrukken.

Maar Pinxten wijst ook op een ander aspect van het atheïsme. Hij betreurt dat het vaak een soort antibeweging is en daarin heeft hij gelijk. Zo kunnen ongelovigen heel goed de fouten en malversaties van religies benoemen, maar gaan ze zelden uitleggen waarom het niet geloven in een God een ethisch waardevolle houding kan zijn. Die vaststelling werd eerder al gemaakt door Anne Provoost in haar pamflet Atheïstisch sermoen waarin ze oproept om de waarden die het christendom en andere religies claimen, een eigen humanistische invulling te geven. En op dit vlak overtuigt Pinxten wel. Zo wijst hij op de ecologische grenzen van onze welvaartstaat, op de noodzaak van een milieubewust humanisme, op de gevaren van de reductie van de mens tot een louter economisch goed, en de platte commerciële belangen die elke andere vorm van medemenselijkheid verpletteren. Volgens Pinxten kunnen mensen maar actief als burger fungeren als ze beschikken over een basisinkomen en als de samenleving het belang van onze ecologische voetafdruk inziet. En hij besluit dat ‘mensen nood (blijken) te hebben aan ritueel en gemeenschappelijkheid’. Dit alles kan niet langer gerealiseerd worden binnen traditionele natiestaten maar enkel in een postnationale wereld waarbij rekening wordt gehouden met de belangen ‘van alle mensen en van de komende generaties’.

Pinxten maakt komaf met de pretentie van het Westen dat ze het steeds beter wisten. Wie de geschiedenis van het kolonialisme bekijkt, weet dat hij op dat vlak gelijk heeft. Hij verwijst dan ook naar de filosofe Martha Nussbaum en haar pleidooi voor de ‘capability approach’ waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de belangen van de ‘eigen’ mensen maar ook met die van de anderen: de armen in de wereld, de gehandicapten en zelfs de dieren. In die zin valt hij het neoliberalisme aan dat zich weinig aantrekt van het lot van de medemens, maar hij maakt de fout dit te vereenzelvigen met het individualisme. Pinxten wijst op het belang van ‘wijkinitiatieven, rommelmarkten, solidariteitsacties voor zieken en behoeftigen’, en dat is ook zo, maar daar heeft het individualisme geen enkele nefaste impact op. Hij verwart het individualisme met egoïsme. Individualisme betekent het recht van elke mens om zelf te beslissen over de meest belangrijke stappen in zijn of haar leven. Of men gaat trouwen of niet, en zo ja met wie. Of men kinderen wilt of niet. Over welk beroep men gaat studeren en uitoefenen. Over de plaats waar men gaat wonen. Over de vriendschappen die men vrijelijk aangaat. Of men gelooft of niet gelooft, of er gewoon uitstapt. In die letterlijke betekenis van het begrip individualisme zit geen enkel negatief aspect, integendeel, het is pas als men echt beschikt over zelfbeschikkingsrecht, dat men ook echt solidair kan zijn met anderen.

De auteur verwijst ook naar de voorstellen van de econoom Amartya Sen en de politieke filosoof Avishai Margalit ‘om de maatschappij kwalitatief hoogwaardiger te maken’. En hij beklemtoont dat we minderheidsgroepen zoals holibi’s, migranten en vluchtelingen niet mogen laten vernederen door wat hij de meerderheidmaatschappij noemt. Want, zo zegt hij Margalit na, ‘als de rechten en ontplooiingsmogelijkheden van een bepaalde groep langdurig gefrustreerd worden, of individuen of groepen structureel vernederd worden op basis van bepaalde eigenschappen, dan ligt het probleem niet bij die individuen of groepen, maar aan de dominante maatschappij.’ Dat is grote mate juist, vandaar de reden om verder te strijden tegen elke vorm van discriminatie en uitsluiting op basis van afkomst of overtuiging. Maar deze visie mag voor die minderheidsgroepen geen vrijgeleide zijn om regels toe te passen die tegen het individu ingaan. Hoezeer er nog discriminatie en racisme ten aanzien van bijvoorbeeld moslims bestaat, dit kan en mag geen vergoelijking zijn van bijvoorbeeld onderdrukking van vrouwen binnen die gemeenschap. Hiermee komen we op een essentieel verschilpunt tussen de ‘actief pluralisten’ en de ‘nieuwe atheïsten’. Voor die laatsten staat niet de groep maar het individu centraal en kan er geen sprake zijn van toe te geven op de cruciale uitgangspunten van de universele mensenrechten.

Het klopt natuurlijk dat een democratie betekent dat we moeten leren samenleven met mensen met uiteenlopende overtuigingen. Maar dat betekent niet dat we elke mening of handeling die de democratie wil inperken, moeten aanvaarden. In die zin zijn noch het cultuurrelativisme, noch het monoculturalisme geschikt om te komen tot een harmonisch samenleven. De beste weg daartoe is wat Cliteur, een universele seculiere moraal noemt waarbij iedereen een reeks liberale basiswaarden aanvaardt zoals de vrijheid van meningsuiting, de gelijkwaardigheid van elke mens, de scheiding van kerk en geloof, en het recht op zelfbeschikking. En voeg daar de kritisch wetenschappelijke methode in het onderwijs aan toe. Zolang men die basiswaarden aanvaardt en respecteert, is alle diversiteit verder mogelijk. Hier lijkt Pinxten nog niet aan toe. Hij blijft er bij dat we al te vaak Europese categorieën gebruiken ‘om de waarde (of het gebrek eraan) van culturen en religies te beoordelen’. Daarmee keert hij zich tegen het universalisme van de waarden van de Verlichting die nochtans hun uitdrukking vonden in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hij gaat zelfs zover om de aanhangers van het Verlichtingsdenken, type Cliteur, gelijk te schakelen met rechtse militaristische ideologen, type Huntington, en daartegenover de andersglobalisten als alternatief te plaatsen. Nu zijn heel wat eisen van andersglobalisten terecht, maar de ideologieën die velen onder hen volg(d)en heeft in het verleden zeker niet geleid tot voorspoed en rechtvaardigheid.

‘God is de grote comeback kid van vandaag’, schrijft Pinxten, en dat is ook zo. Nochtans lopen kerken en zelfs moskeeën leeg. Hij hekelt daarbij de negatieve instelling van atheïsten en humanisten die onvoldoende invulling geven in wat we gemeengoed de ‘zingeving’ noemen. Daar heeft hij, zoals gezegd, een punt. Daarvoor hoeven we echter geen oecumenes te organiseren waar ongelovigen dan mogen bij aanschuiven, maar moeten we een reeks begrippen die door religies geclaimd worden, opnieuw een niet-religieuze invulling geven. Denk aan de zogenaamde kardinale deugden rechtvaardigheid, wijsheid, zelfbeheersing en moed. Ook de vermeende goddelijke deugden zoals geloof, hoop en liefde kunnen vanuit een rationeel standpunt verklaard worden. Zelfs het idee van de schepping is des mensen (kijk naar de vele prachtige kunstwerken). Om die deugden te stimuleren en flagrante overtredingen ervan te vermijden, moeten we de ‘heilige teksten’ als middel opzijschuiven en ze vervangen door universele wetten die de mensheid zelf in stenen tafelen beitelt.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Rik Pinxten, Het plezier van het zoeken. Filosofie tegen angst, Houtekiet, 2011

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be