Onze sociale zekerheid: anders en beter

boek vrijdag 12 februari 2010

Danny Pieters

Waar moet het naartoe met de sociale zekerheid? Vele participanten aan dit noodzakelijke debat komen helaas niet verder dan gemeenplaatsen. Danny Pieters, professor socialezekerheidsrecht aan de KU Leuven, hoort zeker niet in die categorie thuis. In zijn boek Onze sociale zekerheid: anders en beter werkt hij heel wat voorstellen tot hervorming van de sociale zekerheid uit. Daarbij heeft de auteur geprobeerd om voorstellen te formuleren waarvan hij hoopt dat die op enige consensus binnen de maatschappij kunnen rekenen. In ieder geval bevat het boek heel wat nuttige input voor de discussie over de toekomst van de sociale zekerheid. Dit neemt evenwel niet weg dat toch een paar economische, organisatorische en sociale kanttekeningen bij sommige voorstellen kunnen worden gemaakt. Het is namelijk enkel door kritisch te reflecteren en te discussiëren dat een debat aan inhoud en dus aan relevantie kan winnen.

Het opzet van het boek

In Onze sociale zekerheid: anders en beter schetst Danny Pieters de contouren van de sociale zekerheid zoals die er het best zou uitzien in 2020. Tot deze denkoefening is hij gekomen vanuit een oprechte bekommernis voor het behoud van een effectieve en sterke sociale zekerheid, zoals blijkt aan de hand van het volgende citaat uit Il Gattopardo van Giusseppe Tomasi di Lampedusa: “Als we willen dat alles blijft wat het is, is het nodig om alles te veranderen” (blz. 18). Als we de sociale zekerheid willen bewaren, moeten we ze steeds weer kunnen her-denken. Dat een herdenking van de sociale zekerheid noodzakelijk is, daarvan zijn veel mensen overtuigd. Onze sociale zekerheid is immers, zoals Danny Pieters terecht vaststelt, nog steeds in ruime mate het antwoord dat 50 jaar, soms 100 jaar geleden werd gegeven op de problemen van die tijd. Zo gaat de huidige sociale zekerheid nog altijd te veel uit van het traditionele gezinsmodel: één man en één vrouw huwen één maal en hebben samen kinderen die ze samen grootbrengen. Dit beeld stemt uiteraard niet overeen met de werkelijkheid van vandaag. Toch gaat de sociale zekerheid ervan uit dat andere levenspatronen als uitzonderingen op het traditionele gezin moeten worden opgevat.

Wat is het doel van de sociale zekerheid?

Minder consensus bestaat er al over het doel van de sociale zekerheid. Een aantal hervormingsvoorstellen vertrekt van een conceptie van de sociale zekerheid als een minimum vangnet, als een systeem van minimumvoorzieningen die moeten voorkomen dat burgers in armoede terechtkomen. Het enige doel van de sociale zekerheid zou, in die visie, het beschermen tegen armoede en uitsluiting zijn. Danny Pieters verzet zich tegen een dergelijke omschrijvingbegrip van de sociale zekerheid dat in zijn ogen te eng is. Volgens hem is een sociale zekerheid die enkel tegen armoede moet beschermen al gauw zelf een arme sociale zekerheid (blz. 89). Dan bestaat er namelijk al gauw het risico dat de middengroepen en de hogere inkomensklassen niet langer willen bijdragen tot de sociale zekerheid. Waarom zouden ze nog sociale bijdragen betalen, wanneer ze daar zelf nauwelijks baat bij hebben in de vorm van adequate uitkeringen?

Daarom moet de sociale zekerheid ook tot doel hebben de levensstandaard zo veel mogelijk te handhaven, wanneer mensen vanwege ouderdom, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid geen inkomen meer uit arbeid kunnen verwerven. Wat dit aspect betreft laat de huidige sociale zekerheid steeds meer steken vallen. Zo is het wettelijk rustpensioen alleen nog in theorie gelijk aan 60 % of 75 % van het loon. In werkelijkheid wordt enkel met een deel van het loon rekening gehouden, wanneer dit loon een bepaald plafond overschrijdt. Op het deel van het loon dat boven dit plafond ligt, wordt totaal geen acht geslagen. Dit leidt ertoe dat het wettelijk rustpensioen gemiddeld gelijk is aan slechts 32 % van het laatste loon (de zogenaamde vervangingsratio). Eenzelfde vaststelling kan gemaakt worden voor de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en de werkloosheidsuitkeringen.

Solidariteit

Tevens breekt Danny Pieters een lans voor solidariteit. Volgens hem kunnen alleen regelingen die een element van solidariteit in zich dragen als sociale zekerheid gekwalificeerd worden. Daarom vindt hij het misplaatst dat allerhande particuliere verzekeringen worden aangeduid als particuliere of private sociale zekerheid, aanvullende sociale verzekeringen en dergelijke meer. Immers, via dergelijke systemen kunnen individuele burgers wel voor zichzelf meer zekerheid verschaffen (een individueel quid pro quo), maar wie zich dergelijke verzekeringen niet kan veroorloven, valt uit de boot. Men kan het opnemen van particuliere verzekeringen natuurlijkstimuleren via fiscale stimuli zoals belastingsaftrekken. Maar is er dan geen sprake van een omgekeerde herverdeling? Het probleem van de mensen die niet genoeg verdienen om dergelijke verzekeringen te betalen wordt er nog altijd niet door opgelost. Tegelijkertijd worden de financieel sterksten door de fiscus gesubsidieerd om verzekeringen aan te gaan die zij al gemakkelijk kunnen opnemen. Danny Pieters vindt het trouwens merkwaardig dat sommige werkgevers steen en been klagen dat de lasten op arbeid te hoog zijn, terwijl ze wel meteen bereid zijn om zelf belangrijke sommen geld te besteden aan aanvullende pensioenen, hospitalisatieverzekeringen enz. (blz. 43).

De collectieve dimensie

Evenmin mag volgens Danny Pieters de collectieve dimensie van de sociale zekerheid uit het oog worden verloren. De laatste decennia wordt de sociale zekerheid vooral vanuit individuele invalshoeken benaderd (bijvoorbeeld vanuit het standpunt van de sociaal verzekerde, de werkgever enz.). De sociale zekerheid is er evenwel niet alleen voor het individu. Ze beschermt ook de gehele gemeenschap, de maatschappij, het collectief. Ze moet en kan mee zorgen voor een samenleving waarin men niet alleen gedreven wordt door de eigen zelfontplooiing, maar ook ruimte wil scheppen voor anderen, waar men zelf verantwoordelijkheid opneemt voor het welzijn van die anderen (blz. 24).

Vanuit die optiek valt het te verklaren dat Danny Pieters het niet zo begrepen heeft op een trend van de laatste jaren om sociaal verzekerden te gaan bejegenen als cliënten, ja zelfs als consumenten van de sociale zekerheid. Dergelijke handelwijze vertrekt vanuit een tegenstelling van belangen tussen de sociale verzekerde en de sociale zekerheid: ik of wij tegenover de sociale zekerheid en diens instelling. Hierdoor dreigt het besef dat de sociale zekerheid van ons allemaal is, dat wij allen een deelnemer, een participant aan de sociale zekerheid zijn, dat wij zelf de sociale zekerheid zijn, ondergesneeuwd te raken (blz. 80).

De uitgangspunten voor de hervormingen.

Het zou te ver leiden om in deze recensie alle voorstellen per individuele tak van de sociale zekerheid de revue te laten passeren. Aan de basis van al deze hervormingen liggen trouwens dezelfde uitgangspunten. Deze vier basislijnen zijn de volgende: transparantie, arbeidsgerichtheid, legitimiteit en gelijke principes, aangepaste toepassing. Ten eerste moet het stelsel opnieuw transparanter worden. Zo wordt de basislogica opnieuw begrijpelijk voor de bevolking. Een sociale zekerheid kan enkel door de hele bevolking gedragen worden als die inzicht heeft in de grote lijnen van de sociale zekerheid. Ten tweede moet de sociale zekerheid meer mensen aan het werk krijgen. Nu lijkt dit op vloeken in de kerk in het midden van een zware economische crisis, maar straks zal echt iedereen aan het werk moeten zijn. Alle handen zullen aan de ploeg geslagen moeten worden, al was het maar om de financiële toekomst van de sociale zekerheid zelf te garanderen. Of zoals Danny Pieters het zelf verwoordt: “We hebben de inzet van allen nodig om de vele noden in onze samenleving te lenigen. Aan de kant gaan zitten niksen, kan voor ons niet” (blz. 126). Daarom moet de sociale zekerheid het arbeidsethos versterken.

Ten derde moet de sociale zekerheid als billijk kunnen worden ervaren. Deze legitimiteit houdt onder meer in dat wie meer inkomen uit arbeid verwerft hierdoor aanspraak moet kunnen maken op hogere uitkeringen. Er moet een redelijke verhouding tussen bijdragen en uitkeringen zijn. Legitimiteit betekent eveneens dat de strijd tegen zwart en grijs werk prioritair is. Ten vierde pleit Danny Pieters niet voor één stelsel dat de werknemers, de zelfstandigen en de ambtenaren zou verzekeren. Ze zouden elk, voor sommige delen van de sociale zekerheid, onder een apart stelsel blijven. Het inkomen van een werknemer zit nu eenmaal anders in elkaar dan dat van een zelfstandige. De principes die aan de basis van deze drie stelsels liggen zouden wel gelijk moeten zijn. Zo zou de overstap van het ene naar het andere stelsel makkelijker moeten verlopen, zodat er meer mobiliteit op de arbeidsmarkt zou zijn.

Kostencompenserende en inkomensvervangende regelingen

Zeer algemeen stelt Danny Pieters voor om de sociale zekerheid in te delen in twee grote takken: de kostencompenserende, niet-arbeidsgebonden regelingen (de volksverzekeringen) enerzijds en de inkomensvervangende, arbeidsgebonden regelingen (de professionele verzekeringen) anderzijds. Onder de kostencompenserende regelingen vallen in essentie de gezondheidszorg en de kinderbijslag. Dit zijn prestaties die zouden moeten toekomen aan iedereen die hier woont (ingezetenschap). Daarbij zouden deze regelingen voor iedereen gelijk moeten zijn. Dus geen aparte stelsels voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren wat deze volksverzekeringen aangaat. Eveneens zou iedereen tot de financiering ervan moeten bijdragen. Daarom stelt de auteur een Algemene Sociale Bijdrage (ASB) voor die door iedereen op al zijn inkomsten, ongeacht hun oorsprong, zou moeten worden betaald. De volksverzekeringen zouden ook mede bekostigd worden vanuit de algemene middelen van de overheid.

Onder de inkomensvervangende regelingen vallen in essentie de pensioenen, de werkloosheidsuitkeringen en de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Deze regelingen zouden wel apart ingericht worden voor de werknemers, de zelfstandigen en de ambtenaren. Deze stelsels zouden zelfbedruipend moeten zijn: ze zouden er zelf voor moeten zorgen dat hun inkomsten en hun uitgaven in evenwicht zijn. Hierbij zou een grote rol toebedeeld worden aan de sociale partners. Zij zouden onder meer zelf de hoogte van de uitkeringen en de hoogte van de verschuldigde sociale bijdragen bepalen.

Een aantal kritische bedenkingen

Voor een indeling tussen kostencompenserende en inkomensvervangende regelingen valt zeker iets te zeggen. Dergelijke indeling is al door vele anderen bepleit. Vanuit dergelijke benadering is het dan ook logisch dat de auteur pleit voor een ASB: de kostencompenserende regelingen komen iedereen ten goede, dus dient iedereen naar vermogen in de kosten ervan bij te dragen, ongeacht de oorsprong van dat vermogen. Alleen stelt zich dan de vraag of hierdoor niet één van de vier basislijnen van de hervormingsvoorstellen, de arbeidsgerichtheid, in het gedrang dreigt te komen. De ASB zou geheven worden op de inkomsten die men uit arbeid haalt. De ASB zou echter ook geheven worden op inkomsten, zoals onroerende en roerende inkomsten, die men bijkomend verwerft door bijvoorbeeld een deel van het loon uit arbeid opzij te zetten en te sparen.

Zo zou een deel van het inkomen uit arbeid drie maal belast worden, één maal via de personenbelasting en de ASB die daarbovenop zou komen, één maal via de ASB op de andere inkomsten die men via het loon uit arbeid verkregen heeft en één maal via de belastingen die men nu al op die andere inkomsten verschuldigd is (bijvoorbeeld roerende en onroerende voorheffing). Dreigt dit dan geen prikkel te zijn voor sommigen om juist minder te gaan werken? Immers, hoe hoger de marginale belastingsvoet, dit is hoe meer belastingen men moet betalen omdat men meer verdient, des te minder mensen zullen werken en des te meer ze hun tijd aan andere zaken zullen besteden. (1) Meteen valt te begrijpen waarom bijvoorbeeld Karl Marx en Friedrich Engels al in hun Communistisch Manifest (1848) voorstander waren van een zware progressieve belasting.

Daarnaast laat de auteur veel over aan het sociaal overleg zoals het beheer van de professionele verzekeringen of de inkomensvervangende en arbeidsgebonden regelingen. De actualiteit van de afgelopen weken en maanden doet uiteraard de nodige twijfel rijzen of het sociaal overleg tegen dergelijke belangrijke taak is opgewassen. Maar nog afgezien daarvan hoeft het niet noodzakelijk zo te zijn dat sociaal overleg altijd tot het beste of meest optimale resultaat leidt. Sociale partners handelen nog altijd vanuit hun eigenbelang of het eigenbelang van de groep die ze vertegenwoordigen. Wanneer ze dan uiteindelijk een compromis vinden, kan dit compromis wel in het eigenbelang van hun achterban zijn, maar het algemeen belang kan er niet mee gediend zijn. De optelsom van de individuele belangen hoeft niet noodzakelijk gelijk te zijn aan het algemeen belang.

Stel bijvoorbeeld dat werkgevers- en werknemersorganisaties het erover eens raken dat de lonen in België serieus gematigd moeten worden om de concurrentiekracht van de Belgische ondernemingen te versterken. Dergelijke uitkomst is positief voor de werkgevers (hun kosten worden in de hand gehouden) en kan positief zijn voor de werknemers (de kansen op het behoud van hun werk of het vinden van nieuw werk kunnen erdoor vergroten). Ze kan echter negatief zijn voor de mensen die van een te lage uitkering leven. Dergelijk negatief effect zal zich manifesteren, wanneer die uitkering afhangt van de evolutie van de lonen. Dan mag namelijk verwacht worden dat door de loonmatiging het te lage niveau van de uitkering niet zal worden verholpen. Daardoor blijven die uitkeringstrekkers in bestaansonzekerheid leven, een resultaat dat niet echt conform lijkt met het algemeen belang. Om dergelijke onbillijke resultaten te voorkomen, lijkt toch actief overheidsingrijpen nodig te zijn.

Tevens is de auteur voorstander van fusies van de openbare en private instellingen van sociale zekerheid. Voor de kostencompenserende regelingen zou slechts één openbare instelling belast zijn. Voor de inkomensvervangende regelingen zou er per stelsel een openbare instelling van sociale zekerheid zijn, één voor de werknemers, één voor de zelfstandigen en één voor de ambtenaren. Alle private instellingen van sociale zekerheid van hun kant (ziekenfondsen, kinderbijslagfondsen, etc.) zouden moeten samensmelten tot sociale verzekeringsverenigingen die de burger in zijn dagelijkse contacten met de sociale zekerheid zouden moeten bijstaan. Leiden deze fusies echter niet tot grotere bureaucratische mastodonten? Dreigt hierdoor niet meer bureaucratie te ontstaan in plaats van minder? Dreigt hierdoor de kwaliteit van de dienstverlening niet af te nemen in plaats van toe te nemen? Dreigt de sociaal verzekerde hierdoor niet onpersoonlijker behandeld te worden? Dreigt hij hierdoor niet als het zoveelste anonieme dossier te worden aangezien? Er kunnen overigens vragen gesteld worden over de haalbaarheid van de fusievoorstellen. Organisaties oprichten gaat relatief makkelijk. Organisaties opheffen om ze te doen samengaan in nieuwe organisaties is een ander paar mouwen. Zou het misschien niet beter zijn om te vertrekken van de bestaande structuren, hun taken en verantwoordelijkheden opnieuw af te bakenen en aan te passen aan de hedendaagse noden, hen nog meer te laten samenwerken en hen nog meer de juiste prikkels te geven om de sociale zekerheid efficiënt te beheren en tegelijkertijd alle deelnemers aan de sociale zekerheid een correcte behandeling te geven?

Voorts lijkt de schrijver weinig oog te hebben voor de problematiek van de laaggeletterdheid. Uit onderzoek van onder andere de Nederlandse Taalunie blijkt dat 1 op de 7 volwassen Vlamingen niet genoeg kan lezen en schrijven om ‘gewoon’ maatschappelijk te kunnen functioneren. (2) Hoeveel inspanningen men ook doet qua verstrekken van begrijpelijke informatie, er zal dan ook altijd een belangrijke groep blijven bestaan die men hiermee niet zal bereiken. Hun aanspraken op bijvoorbeeld uitkeringen zullen bijgevolg op andere manieren moeten worden veiliggesteld dan door het verbeteren van de kwantiteit en de kwaliteit van de informatie. Voor hen kan in het bijzonder de automatische toekenning van prestaties van groot nut zijn. Bedoeld wordt dat de sociale zekerheid administratie over voldoende gegevens beschikt of kan beschikken om een uitkering toe te kennen, ook al wordt daarvoor geen aanvraag toegekend. Weliswaar erkent de auteur dat “voor sommige gevallen van non take up en sommige bevolkingsgroepen” de automatische toekenning van prestaties een goede benaderingswijze kan zijn (blz. 84). Een probleem van laaggeletterdheid waarmee 1 op de 7 volwassen Vlamingen te kampen heeft, is toch geen probleem dat beperkt zou zijn tot ‘sommige bevolkingsgroepen’.

Bij wijze van uitsmijter

Ten slotte nog dit. Danny Pieters was van 1999 tot 2003 Kamerlid, eerst voor de Volksunie, later voor de N-VA. Verwacht echter geen pleidooi voor een eigen Vlaamse sociale zekerheid. Dit is al het voorwerp van andere publicaties geweest. Onze sociale zekerheid: anders en beter gaat over de inhoud die een sociale zekerheid, die naam waardig, zou moeten hebben, ongeacht het bestuursniveau dat voor de sociale zekerheid verantwoordelijk zou zijn. Voor het broodnodige debat over waar het met de sociale zekerheid naartoe zou moeten, reikt de auteur zeker genoeg stof tot nadenken aan.


Recensie door Lieven Monserez

Voetnoten:

(1) E.C.PRESCOTT, “Why Do Americans Work So Much More Than Europeans?”, Federal Reserve Bank of Minneapolis Quarterly Review, juli 2004, 2-13.

(2) E. BOHNENN c.s., “Laaggeletterd in de Lage Landen. Hoge prioriteit voor beleid”, Nederlandse Taalunie, 2004, blz. 5 en blz. 10.

Danny Pieters, Onze sociale zekerheid: anders en beter, Kapellen, Uitgeverij Pelckmans, 2009, 159 blz.

Links
mailto:lmonserez@laga.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be