Het pauperparadijs. Een familiegeschiedenis

boek vrijdag 09 mei 2008

Suzanna Jansen

We dromen er allemaal weleens stiekem van het natuurlijke kind van een koning te zijn, maar over het algemeen blijken we simpelweg af te stammen van een stel paupers. Dat mag echter geen reden zijn om ons beroerd te gaan voelen, we zouden juist trots moeten zijn dat we de goot zo ver ontstegen zijn dat we Łberhaupt enige interesse vertonen voor onze persoonlijke geschiedenis. Zo zou je ongeveer de instelling kunnen noemen van Suzanna Jansen toen ze rommelend door de ouwe spulletjes van haar moeder en vader ontdekte dat haar voorouders in een armengesticht hadden gezeten en dat haar overgrootmoeder onterfd was omdat ze het had aangedurfd met een katholiek te trouwen. Het was er allemaal: de realiteit van de armoede en het mogelijke drama van een dochter die van het bordes van een imposant landhuis was gestuurd omdat ze naar haar hart in plaats van naar haar verstand luisterde. Jansen werd meteen gegrepen door het mysterie van haar afstamming en ging op zoek naar de vork en de steel, en hoe deze in elkaar pasten. Wat ze ontdekte, bleek een perfecte mix van een persoonlijk verhaal en een stuk boeiende sociale geschiedenis.

Centraal in Het pauperparadijs staat Veenhuizen, een sociaal opvoedingsproject dat in 1823 werd gestart door Johannes van den Bosch. De man, later gouverneur-generaal van Nederlands-IndiŽ, zag dat de steden uitpuilden van de bedelaars en de kanslozen - er waren er volgens hem zo'n 142.000 - en wist dat er in Drente genoeg braakliggende grond was om zeker 200.000 mensen aan het werk te zetten. Voeg die twee bij elkaar, zo ging zijn redenering, en je lost meteen twee problemen op. Dus stichtte hij de Maatschappij der Weldadigheid, waar binnen de kortste keren 20.000 burgers aandeelhouder van werden, en begon hij te plannen. Waar hij mee voor de dag kwam, deed bij veel filantropen de mond openvallen van verbazing: Frederiksoord, een verzameling huisjes en huizen op het platteland waar door armoede geplaagde gezinnen op vrijwillige wijze zouden mogen wonen en werken. Ze kregen huisraad, kleding en voedsel. Er werd een gasfabriek gebouwd en een van de eerste stoommachines van het noorden van Nederland werd er geÔnstalleerd. Er kwamen een spinnerij en een weverij, ieder had zijn moestuin en om de twee weken was er een feest waarop de voorbeeldigste kolonisten - zoals de bewoners werden genoemd - een medaille op de borst gespeld kregen. Vanaf hun zesde moesten de kinderen - nota bene een eeuw voor de invoering van de leerplicht - naar school om te leren rekenen en schrijven, en zo een uitweg uit de kansloosheid te vinden.

Frederiksoord was een fenomeen en uit heel Europa kwamen gezagsdragers kijken hoe men in Nederland met arme sloebers omsprong. Maar niet iedereen was natuurlijk laaiend. Toen de schrijver Jacob van Lennep het complex bezocht, vroeg hij zich af wat voor nut het had arbeiderskinderen naar school te sturen. Dat zou hun gedachten toch alleen maar op onnodige zaken brengen? Maar daar stopten de plannen van Van den Bosch niet. Frederiksoord was nog maar een begin. Uiteindelijk wou hij uitbreiden tot een complex waar 40.000 mensen, vrijen zowel als gestraften, samen zouden wonen en werken. In een eerste fase liet hij drie gestichten bouwen, bedoeld om landlopers en wezen op te vangen. Ze waren vierkant van vorm, met een Engelse tuin in het midden. Aan de binnenzijde van het gebouw woonden de 'verpleegden' en aan de buitenzijde, in afzonderlijke appartementen, de opzichters en ambtenaren die ervoor moesten zorgen dat Veenhuizen draaide als een liertje. En er werden ook bijhuizen gecreŽerd, waaronder het toen nog in Nederland liggende Merksplas en Hoogstraten.

Suzanna Jansens voorvader Tobias Braxhoofden, een voormalige soldaat van Napoleon die het zelfs tot lid van de Garde Impťrial had geschopt, arriveerde in 1827 in Veenhuizen. Omdat de plannen van Van den Bosch toch iets utopischer uitdraaiden dan gedacht - de stedelingen verkozen de wispelturige armoede boven een zekerder, maar ook saaier leven op het platteland, en Veenhuizen grotendeels leeg stond - was immers beslist dat ook invalide militairen hun intrek zouden mogen nemen in de kolonie. Tobias greep zijn kans, werd opzichter en maakte zo dat enkele generaties van zijn nageslacht getuige zouden zijn van de geleidelijke neergang van het project van Van den Bosch. Er lag immers een diepe kloof tussen wens en realiteit en van tijd tot tijd bleken aanpassingen noodzakelijk. Zo bleken er bijvoorbeeld geen toiletten te zijn op de slaapzalen van de landlopers en werd er ergens een emmer in een hoek gezet, wat, aangezien zij met tachtig samen sliepen, hallucinante taferelen opleverde. Soms werden gezinnen gesplitst, met veel verdriet en agressie tot gevolg. De ondervoeding was bij momenten zo schrijnend dat zij zelfs tot een broodopstand leidde, en de gezondheid van de duizenden kolonisten was zo ondermaats dat er zelfs een oogziekte naar de instelling werd genoemd: Trachoma Veenhuizianum.

In 1939 zaten er in Veenhuizen 9.000 kolonisten en leed de Maatschappij der Weldadigheid gigantische verliezen, maar niemand dacht eraan de boel te sluiten. Waar zouden al die mensen immers naartoe moeten? Dus nam de overheid in 1859 de zaak over en maakte van Veenhuizen een strafinrichting. Eerst gingen de wezen eruit, een jaar later de vrouwen. Landlopers waren opeens geen sukkelaars meer die geholpen maar misdadigers die opgesloten dienden te worden. Armoede was een misdaad geworden. Jansen beschrijft aan de hand van wat haar familieleden overkwam hoe erfelijk dit soort armoede en kansloosheid wel is. Als je in Veenhuizen geboren werd, raakte je er nog maar moeilijk weg. Je mocht een jaar op proef de maatschappij weer in, maar de overgrote meerderheid - Jansens overgrootouders incluis - konden het buiten niet redden en klopten net voor het jaar rond was opnieuw op de deur van de instelling. Dat Jansen er tenslotte toch in geslaagd is te ontsnappen uit de kluisters die haar voorouders zo lang knechtten, dankt ze aan twee zaken. Ten eerste was er natuurlijk de steeds socialer wordende wetgeving. Mensen kregen een beter loon, pensioen, ziekte- en invaliditeitsverzekering en er kwamen sociale woningen, al waren die in het prille begin, zo rond de jaren 1935, nog onderverdeeld in drie klassen.

Tekenend is de passage waarin Jansen beschrijft hoe aan de overzijde van het Amsterdamse IJ, achter het Centraal Station en alleen bereikbaar met de pont, drie nieuwe 'dorpen' uit de grond werden gestampt. Er was Tuindorp Oostzaan, een tuinwijk naar Engels model, zoals die ook bij ons bestonden. Daarnaast verrees Floradorp, waar vrije mensen mochten wonen die wekelijks begeleid werden om brave en sociale burgers te worden. Er werd bijvoorbeeld op gelet dat ze geen winteropslagplaats maakten van het toilet of geen handeltje in kolen begonnen te drijven vanuit de woonkamer. Er werd hen hygiŽne bijgebracht en indien nodig ook financiŽle raad gegeven. Daar nog eens naast lag Asterdorp, een gesloten instelling die duidelijk nog veel gemeen had met Veenhuizen en waar mensen onder constante begeleiding afgewerkt werden voor de reclassering.

Maar misschien nog belangrijker om de ketting van armoede, geweld, alcoholisme en zwerfdrang te doorbreken, was de beslissing om de kinderen naar school te sturen en hen zo de kans te geven een goed betaalde baan te vinden. Dat deed Jansens oma Roza. Zij was getrouwd met een manusje-van-alles met een gat in zijn hand ter grootte van een Zuid-Amerikaanse aardverschuiving. Wanneer hij geld had, kocht hij een borrel, en wanneer hij een borrel ophad, begon hij rondjes te geven, soms voor honderden guldens op een avond, waarna hij naar huis waggelde, zich de dag nadien realiseerde wat hij aangericht had en vervolgens voor een paar weken verdween. Roza leefde grotendeels van de Onderstand, wat een beledigende en tot paranoia leidende zaak was in die tijd omdat er overal controleurs rondslopen. Uiteindelijk kreeg ze een huis toegewezen in Tuindorp Oostzaan, maar omdat de studiekosten van haar dochters te hoog opliepen koos ze er een paar jaar later voor naar Floradorp te verhuizen, waar de huurgelden lager waren. Het leidde ertoe dat Jansens moeder Elisabeth kon studeren en een aanvangsloon had dat vier keer zo hoog lag als dat van een ongeschoolde.

Wat dat betreft was Roza trouwens geen uitzondering. Alle vrouwen in dit boek blijken haar op de tanden te hebben, terwijl de mannen lapzwanzen, leeglopers en praatjesmakers zijn. Uit Jansens onderzoek blijkt dat het negentiende-eeuwse clichť van de arbeider die na het werk zijn zuurverdiende centen opdrinkt in de kroeg van de baas terwijl zijn vrouw in haar eentje het hele gezin rechthoudt, maar al te waar geweest te zijn. De oma's Jansen waren zelfs niet te beroerd om een verhaal over een onterving te verzinnen in de hoop zo de schande van de armoede te verbergen.


Recensie door Marnix Verplancke



Deze tekst verscheen in De Morgen van 20 februari 2008

Suzanna Jansen, Het pauperparadijs. Een familiegeschiedenis, Balans, Amsterdam, 2008, 255 p., 17,95 euro.

Links
mailto:marnixverplancke@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be