School aan de grens

boek vrijdag 13 juni 2008

Géza Ottlik

Anders dan in de flaptekst staat vermeld van zijn vorig jaar in Nederlandse vertaling verschenen School aan de grens, was Géza Ottlik (1912-1990) niet slechts een ‘schrijver van één roman’. Zijn overige werken – essays, kritieken, korte verhalen, novellen en ook zijn onvoltooid gebleven, postuum verschenen tweede roman Buda, het vervolg op, maar ook een tegenhanger van School aan de grens – zullen voor het Nederlandse publiek waarschijnlijk niet toegankelijk worden gemaakt, maar het bestaan ervan is zeker het vermelden waard. Al halen ze het niveau van dit boek niet, ze maken duidelijk dat Ottlik wel degelijk een oeuvre trachtte op te bouwen en dat zijn levenswerk niet louter uit de optelsom van zijn afzonderlijke geschriften bestaat, maar ook het leven zelf van de auteur omvat. Al zijn werk wijst rechtstreeks naar School aan de grens, of het is een vervolg of een aanvulling op deze roman of een toevoeging van een nieuw perspectief. Dit oeuvre, geënt op de modernistische avant-garde van het legendarische tijdschrift Nyugat (Het Westen), de morele houding van de auteurs rondom dit blad en vooral de literatuuropvatting van de dichter en romancier Dezső Kosztolányi, was het lichtende voorbeeld voor nieuwe, naoorlogse generaties van schrijvers, van wie ik in deze korte verhandeling Péter Esterházy en Imre Kertész wil noemen.

Ottliks allesbepalende levenservaring was de tijd die hij tussen zijn tiende en veertiende jaar op een militair internaat doorbracht. Zonder kennis van de maatschappelijke verhoudingen in het Hongarije van de jaren 1920 is het bijna niet voor te stellen dat een intelligent en gevoelig kind als Géza Ottlik, afkomstig uit een ontwikkeld, rijk milieu, een dergelijke schoolcarričre wacht. De Eerste Wereldoorlog was uitgelopen op een voor het land catastrofaal vredespact, waardoor tweederde van het grondgebied samen met een derde van de bevolking bij de omringende staten was gevoegd. Na een burgerlijke revolutie gevolgd door een bloedige, een klein half jaar durende, en met behulp van aartsvijand Roemenië ook bloedig neergeslagen communistische dictatuur begon onder leiding van admiraal Horthy de restauratie van de halffeodale, gezagsgetrouwe en sterk van militarisme doortrokken oude orde. Ottliks vader, telg uit een van de oudste adellijke families van het land en in leven secretaris op het ministerie van binnenlandse zaken was vóór de oorlog al overleden. Ottlik groeide op omringd door de liefde van zachtaardige vrouwen – tot er besloten werd dat hij zich in de wereld staande moest kunnen houden, en dat hem de vaardigheden daarvoor het beste op een militaire school bijgebracht konden worden.

In School aan de grens zijn Gábor Medve en Benedek ‘Bébé’ Both tien jaar, wanneer ze in de herfst van 1923 in de tweede klas van een militair internaat terechtkomen. Met vier andere nieuwelingen moeten ze hun plek vinden in de al bestaande hiërarchie. Al spoedig blijkt dat de regels op het internaat niets te maken hebben met die van de wereld waaruit ze afkomstig zijn: een warm, liefdevol, burgerlijk milieu. Hier gelden alleen bevelen, vooral die van de sadistische sergeant Schulze, die de rekruten fysiek en psychisch afbeult en vernedert. Maar naast de zichtbare rangorde is er binnen de groep jongens ook een onzichtbare, wredere pikorde die evenzeer logisch als onverklaarbaar is. Eén van hen, Merényi, heeft met zijn vrienden de macht om zijn medeleerlingen te terroriseren en wee degene die tegen hen in opstand komt. Merényi is niet de sterkste, de slimste of de knapste, maar als leider heeft hij zich die macht toegeëigend. Ieder kind heeft een eigen strategie om zich onder deze omstandigheden staande te houden – de een onderwerpt zich, de ander probeert zich onzichtbaar te maken. Dani Szeredy, Bébés buurman in de slaapzaal, met wie hij zijn kast deelt, houdt zich afzijdig – niet meedoen is op zich al gevaarlijk en vereist fysieke kracht en morele ontwikkeling. Bébé schurkt voorzichtig tegen de machtigen aan, maar tegelijk heeft hij groot ontzag voor Medve, die als enige in opstand komt. Medve neemt het niet alleen tegen Merényi op, maar ook tegen het hele systeem: op een nacht loopt hij uit de kazerne weg. Zijn vluchtpoging slaagt, maar hij komt de volgende ochtend uit zichzelf terug naar de school. Niet bang of verslagen, nee. Vanaf die nacht is Medve vrij, en zijn terugkeer naar de onvrijheid is dan ook zijn eigen, vrije keuze.

Uit de biografische gegevens blijkt al dat School aan de grens – evenals de rest van het oeuvre – veel autobiografische elementen bevat. Sommige van zijn critici verweten Ottlik dat hij over niets anders dan zijn ervaringen op de militaire school kon schrijven. Hierover zei Ottlik in een interview met Miklós Hornyik, opgenomen in zijn in 1980 verschenen bundel Próza (Proza), het volgende: ‘Toen ik een jaar of zeven-acht was, had ik me al voorgenomen om schrijver te worden. Velen nemen dit besluit omdat ze iets te vertellen hebben, iets wat volgens hen van wezenlijk belang is – dan worden ze schrijver en kunnen ze hun ideeën wereldkundig maken. Maar er zijn er ook – net als Kosztolányi of ikzelf – die geen bijzondere boodschap te verkondigen hebben, die alleen maar besloten hebben om schrijver te worden. Zo iemand moet over het hele leven, het universum, de volledigheid van het bestaan vertellen – en daarover is het verdomd moeilijk verhalen te schrijven.’ [vert. GD] Inderdaad, het leven in het internaat omvatte het universum, de volledigheid van het bestaan.

De manier waarop Ottlik deze volledigheid in literatuur omzet is echter nog revolutionairder dan het inzicht zelf in het fenomeen. Bébé is aanvankelijk de subjectieve verteller en begint met zijn terugblik op een hete julidag in 1957. De aanleiding hiervoor is het manuscript van zijn overleden vriend Medve dat hij er al snel bijhaalt als houvast. Medve schrijft in de derde persoon enkelvoud en duidt zichzelf aan met zijn initiaal M. Hiermee creëert Ottlik bij aanvang al een dubbel perspectief. De twee verhalen vloeien in elkaar over zodat de lezer het gevoel krijgt uiteindelijk in een soort alleswetend perspectief te zijn beland – wat echter maar schijn is. In plaats van elkaar te versterken, halen de twee perspectieven juist elkaars geloofwaardigheid onderuit, en daarmee impliciet de geloofwaardigheid van elke vertelling. De tegenstelling tussen realiteit en fictie verliest zo zijn geldigheid, wat Ottlik al met de titel van het eerste hoofdstuk aangeeft: ‘De moeilijkheden van het vertellen’. Het lijkt op een bewuste toepassing van inzichten van de moderne fysica: de realiteit is slechts hypothetisch en wordt bovendien verstoord door de observator. Wat de wetenschapper, en zo ook Ottlik, er niet van mag weerhouden de hoogst mogelijke objectiviteit na te streven. Esterházy, die Ottlik als zijn grootste leermeester beschouwt – ‘om het schrijven te leren’ schreef hij School aan de grens eigenhandig, met potlood over op één tekenblad – ontwikkelde hieruit een van zijn karakteristieke werkwijzen. Deze bestaat eruit, zoals hij zelf uitlegt, dat zijn zinnen als het ware zichzelf optekenen, en hij pas achteraf bekijkt of er een werkelijkheid bestaat die door de woorden wordt beschreven.

Ottlik, die na voltooiing van de militaire school overigens voorgoed afzwaaide en wiskunde ging studeren – bij de toen al internationaal vermaarde professor Lipót Fejér – putte veelvuldig uit de gereedschapskist van de wiskunde om zijn gedachten aanschouwelijk te maken. Op de verzamelingenleer stoelt bijvoorbeeld zijn ‘begrippenleer’: een zaak is niet alleen het object zelf, maar omvat tegelijkertijd alle mogelijke associaties. Zo is de pet van Medve niet alleen een hoofddeksel van een militair, maar ook de manier waarop Medve hem draagt die zijn individualiteit, zijn vrijheid uitdrukt. De vrouw is niet alleen de moeder of de echtgenote, maar staat voor zorgzaamheid, liefde, huiselijke warmte. In School aan de grens symboliseert een schilderij van Velasquez, Las Meninas, een verzameling die zichzelf omvat – op het doek staat niet alleen de infanta Margarita met haar hofdames, maar in de spiegel achter haar ook haar ouders die naar haar kijken, en zelfs de schilder met zijn ezel. De spiegel en de open deur op de achtergrond van het schilderij geven aan dat er getracht wordt de volledige werkelijkheid af te beelden, terwijl de onmogelijkheid van de onderneming ook onmiddellijk duidelijk wordt gemaakt. Esterházy, ook afgestudeerd in de wiskunde, bleef zich, evenals Ottlik, er ook door laten inspireren. Zijn roman Egy nő (Een vrouw, De Arbeiderspers, 1996, vert. Henry Kammer) bestaat bijvoorbeeld uit 97 fragmenten die lijken te gaan over verschillende, willekeurige vrouwen – of misschien toch wel over één en dezelfde vrouw? Esterházy zet het priemgetal 97 neer als symbool voor de uniekheid van ‘de’ vrouw.

Ottliks zoektocht naar een manier om de wellicht niet eens bestaande realiteit weer te geven leidde tot een poging een geheel nieuwe taal te ontwerpen, aangezien de bekende, alledaagse taal ontoereikend bleek. Hij creëerde een op het klassieke Grieks geënte woordenstelsel, maar zijn inspanningen leidden niet tot het gewenste resultaat. Toch moet hij invloed hebben gehad op Imre Kertész die eveneens worstelde met de beperkingen van de bestaande taal om er zijn ervaringen mee uit te drukken. Voor Onbepaald door het lot, zijn roman over de ervaringen van een kind in Auschwitz, ontwierp Kertész uiteindelijk ook een eigen taalstelsel dat hij ‘atonaal’ noemt. Het begrip is ontleend aan de muziek en Kertész gebruikt het in de eigenlijke betekenis. Als tonaliteit op een cultuur, een stelsel van universeel geldende waarden en normen berust, dan drukt atonaliteit, het ontbreken van een basisklank, uit dat het stelsel uit elkaar is gevallen en alle referentiepunten verdwenen zijn. Kertész’ ervaringen – of die van zijn hoofdpersoon Gyuri Köves – zijn op een bepaalde manier vergelijkbaar met die van Ottlik – beter gezegd met die van zijn helden Bébé en Medve.

Ik bedoel uitdrukkelijk niet dat de mate van het fysieke lijden of de psychische vernederingen op een militair internaat te vergelijken zouden zijn met een concentratiekamp. Nee, het gaat om de belevingen van kinderen die terechtkomen in een hermetisch gesloten systeem waarover ze de buitenwereld niet kunnen berichten omdat hun ervaringen niet in woorden te vatten zijn. In dit verband is het ook interessant dat het begrip vrijheid in beide romans op vrijwel identieke manier wordt ontdekt en beleefd. Vrijheid blijkt een autonoom begrip te zijn dat men geheel los van de omstandigheden ervaart. Het is ook een keuze die men zelf maakt – een keuze die beide auteurs in hun leven zelf hebben gemaakt. Kertész weigerde zich te conformeren aan de communistische dictatuur en nam zijn buitensluiting uit de literaire wereld voor lief. Ottlik deed hetzelfde tijdens twee dictaturen: hij hield op met publiceren in de tijd dat Hongarije door de nazi’s was bezet, maar redde vervolgden, onder anderen de dichter István Vas, door hen onderdak te verlenen. Hun personages doen het ook: Medve keert na zijn vlucht uit eigen beweging terug naar het internaat, Bébé en Szeredy verwerpen het grove taalgebruik en daarmee het mechanisme van de onderdrukking en Gyuri Köves beleeft zelfs een gevoel van geluk, waardoor hij graag ‘nog een tijdje’ wil ‘doorleven in dit mooie concentratiekamp’.

In Ottliks oeuvre is zwijgen ook een uiting van vrijheid – zwijgen met een schreeuw, het verhaal laten beginnen in de zomer van 1957 maar uitdrukkelijk niet vertellen over de opstand van 1956, aangeven dat de liefde van Szeredy in 1944 begon toen deze het joodse meisje Magda met gevaar voor eigen leven redde, maar verder zwijgen over de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog. Maar het is tegelijk ook een kwestie van goddelijke genade, zoals de titels van de inhoudsopgave aangeven: non est volentis, noch van degene die rent… Ottlik zinspeelt hiermee op een uitspraak van Paulus uit Romeinen 9:15-16: ‘Non est volentis, neque currentis, sed miserentis Dei.’

Over het noodzakelijke zwijgen van de schrijver laat Ottlik zich in zijn eerder genoemde bundel Próza veelvuldig uit. Zolang de schrijver zwijgt, verkondigt hij in ieder geval geen domheid, leugen of onnodige kletspraat over al bekende zaken. Maar dit is maar de eenvoudigste laag van het begrip zwijgen. Belangrijker en ingewikkelder is om zich te onthouden van het beantwoorden van vragen die anderen stellen. Ook moet een schrijver zich niet inlaten met abstractie of met duiding. Zijn taak is te concretiseren, zaken uit te beelden. Hij moet de aanschouwelijkheid van de zaken, de situatie waaruit meningen ontspringen, herstellen en daarmee als het ware de wereld opnieuw scheppen. Hij moet ervoor waken de boodschap van zijn werk uitdrukkelijk te maken. Ottlik refereert hierbij aan verschillende van zijn inspiratiebronnen. Een vriendin, de dichteres Ágnes Nemes-Nagy, eveneens behorend tot de kunstenaarsgroep rondom het tijdschrift Újhold (Nieuwe maan), geestelijke erfgenaam van Nyugat, vatte het aldus samen: ‘je moet niet trachten het onzegbare te zeggen, zeg maar wat moeilijk onder woorden te brengen valt.’ De zeventiende-eeuwse wiskundige en filosoof Blaise Pascal stelde al vast over axioma’s: ‘le cśur a ses raisons que la raison ne connaît point’. Maar voor Ottlik, de onafhankelijke denker die desondanks zijn leven lang zijn morele religiositeit bewaarde, gold wellicht het verbod op het maken van afgoden het sterkst. De schrijver moet zijn onwetendheid onder ogen zien en beseffen dat de essentie niet kan worden afgebeeld, want elke voorstelling kan niet anders dan vals zijn. Alleen ‘sed miserentis Dei’, door goddelijke genade, als per toeval, kan men een facet van de essentie, van het universum begrijpen.

In 1996 verscheen in Hongarije een gedenkboek over Géza Ottlik waarin zijn collega-schrijvers hun indrukken over zijn persoon en zijn oeuvre optekenden. Die van Imre Kertész was een van de meest beknopte bijdragen: slechts twee bladzijden. Hij gaf waarschijnlijk het nauwkeurigst weer wie Géza Ottlik was: ‘een leraar, die zijn taak in zichzelf ziet, in het uitwerken van zijn eigen persoonlijkheid. […] Hij doet meer dan artistiek scheppen: hij vormt zijn eigen leven om tot het meesterwerk dat generaties opvoedt.’ Ottlik is de ‘schrijver van één oeuvre’, één levenslange morele verhandeling. Zijn werk kan worden beschouwd als de sleutel tot de twintigste-eeuwse Hongaarse literatuur.


Péter Esterházy, Egy nő, 1995. Een vrouw, vertaling Henry Kammer; De Arbeiderspers, 1996



Imre Kertész, Sorstalanság, 1975. Onbepaald door het lot, vertaling Henry Kammer; Van Gennep, Amsterdam 1995/2003



Recensie door Györgyi Dandoy

Géza Ottlik, Iskola a határon, 1959. School aan de grens, vertaling Mari Alföldy; Wereldbibliotheek, Amsterdam 2003

Links
mailto:egbert@liberales.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be