Weg met de wetenschap

boek

Willem Otterspeer

Een bachelor-opleiding dient breed en algemeen vormend te zijn met nadruk op de humaniora. Dat stelt de Leidse historicus Willem Otterspeer in het pamflet Weg met de wetenschap. Pleidooi voor de universiteit (2015). Na een brede algemeen vormende bachelor kunnen de studenten ofwel de maatschappij in, waar ze dan nog praktijkkennis kunnen en moeten opdoen, of ze kunnen doorstromen naar een specialiserende master-opleiding en eventueel nog een promotietraject. Voorts meent Otterspeer dat de hegemonie van de natuurwetenschappen in de academie doorbroken moet worden. Otterspeer stimuleert met dit geschrift tot nadenken over het doel van de universiteit, maar hij onderschat het belang van de natuurwetenschappen, ook voor niet bčta-studenten.

‘Wie een open maatschappij wil en verantwoordelijke burgers, moet investeren in het onderwijs.’ Is dat zo? Er zijn gesloten maatschappijen die investeren in onderwijs, denk aan Noord Korea en Saoedi-Arabië. Blijkbaar staat Otterspeer een bepaald soort onderwijs voor ogen. Jammer dat hij die ambiguďteit in zijn essay toelaat. Inderdaad pleit Otterspeer niet voor puur instrumenteel technisch en natuurwetenschappelijk onderwijs, maar voor brede algemene vorming waarbij kritische maatschappij- en zelfreflectie een vooraanstaande rol spelen. Volgens Otterspeer dient universitair onderwijs breed te zijn en spelen de humaniora (geesteswetenschappen) daarbij een belangrijke rol.

Weg met de wetenschap is een prikkelende titel, maar slaat het ook ergens op? De auteur blijkt namelijk wetenschap helemaal niet te willen afschaffen. Misschien dat een kenmerk van een pamflet ongenuanceerdheid is met het oogmerk een polemiek te entameren. In dat geval is Otterspeer in zijn opzet geslaagd. Wat Otterspeer bedoelt is dat hij zich verzet tegen de hegemonie van de natuurwetenschappen over de humaniora. Otterspeer ziet de universiteit primair als een onderwijsinstelling. Dat is tegen de stroom in, want de vigerende opvatting is dat universiteiten primair onderzoekscentra zijn, die zelf geld moeten zien te acquireren. ‘Volgens mij is de universiteit bedoeld als opleiding van een zo groot en breed mogelijke elite, die in staat is de wereld te begrijpen en overzichtelijk te maken.’

Voor mij echter is de wereld grotendeels onbegrijpelijk en totaal onoverzichtelijk. Mijn academische studies hebben mijn onwetendheid alleen maar vergroot: er is nu veel meer dat ik weet dat ik niet weet dan toen ik niet wist wat ik nu weet. Ik heb zelf, in de pre BaMa tijd, een brede academische opleiding genoten (in Leiden en Utrecht) waar ik Japanologie, filosofie, kunstgeschiedenis en geschiedenis aanvulde met vakken als literatuurwetenschap, sterrenkunde en Chinese literatuurgeschiedenis. Ik heb genoten van mijn studententijd. Over die brede vorming op de universiteit merkt Otterspeer op: ‘Dit wil zeggen dat ze in de eerste plaats een algemeen-vormende instelling is, eentje die wel duidelijk maakt wat wetenschap is maar die niet beoefent.’ Filosofie, met name wetenschapsfilosofie, en wetenschapsgeschiedenis gaan over wat wetenschap is, zonder dat er zelf wetenschap beoefend wordt.

Ik ben van mening dat (wetenschaps)filosofie aanvullend is en dat studenten wel degelijk in staat moeten zijn om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek uit te kunnen voeren. Volgens Otterspeer is de universitaire wereld de afgelopen decennia ingrijpend, en ten nadele, veranderd van onderwijs naar onderzoek, van generalisme naar specialisme. Het managers-syndroom en de kwantificering zijn de universiteiten binnengerukt. Het natuurwetenschappelijke model van het publiceren van Engelstalige papers in peer reviewed journals is de norm geworden voor alle wetenschapsbeoefening, inclusief de humaniora. Wetenschap is tijdschriftwetenschap geworden, geen boekenwetenschap ‘Wie een boek wil schrijven doet dat maar in z’n eigen tijd.’

Dat leidde ertoe dat de algemene vorming teloor is gegaan. ‘Juist op een moment dat daar grote behoefte aan is’ voegt Otterspeer er nog aan toe. Zou er ooit een periode zijn wanneer er geen behoefte is aan algemene vorming? De stelling ‘er is behoefte aan algemene vorming’ is een vage bewering. Hoe zou deze met argumenten onderbouwd kunnen worden? Als generalist ben ik het van harte eens met de stelling, maar ik zou de stelling niet generaliserend durven te stellen. Maakt het uit of een medisch specialist ook een brede bachelor heeft waarin zij ook literatuur heeft bestudeerd, of is smalle specialisatie niet ook goed, of zelfs juist te verkiezen?

Otterspeer pleit niet alleen voor een algemeen brede academische vorming in de bachelor waarin de humaniora centraal staan, maar ook voor een academisch canon voor een gemeenschappelijk referentiekader, want dat ontbreekt volgens hem vandaag de dag. ‘Om met elkaar van gedachten te kunnen wisselen, moet er een zekere overlap zijn. Als die er niet is, praat je volledig langs elkaar heen. Je hebt dan twee monologen in plaats van een dialoog.’ Dit is een stelling die argumenten behoeft gebaseerd op onderzoek. Toen ik een groep van 80 bachelor studenten onlangs vroeg of ze De aanslag van Harry Mulisch gelezen hadden stak de meerderheid de hand omhoog. Bij de Max Havelaar van Multatuli daalde het aantal handen, maar niet tot nul. Bij mijn vraag of ze Karl Popper en Peter Singer kenden – twee filosofen die volgens mij in een academisch canon dienen te zijn opgenomen – waren er nul handen, maar dat zal aan het einde van mijn cursus wetenschapsfilosofie en ethiek anders zijn.

Otterspeer bekritiseert het sciëntisme van bioloog Edward Wilson die bepleit dat er maar één wetenschappelijke methode is, namelijk de natuurwetenschap. Wilson meet met de criteria van de natuurwetenschappen (science) de sociale wetenschappen en de kunsten (liberal arts). ‘Specialisering, kwantificering, de klemtoon op het tijdschriftartikel ten koste van het boek, de invoering van het Engels als communicatiemiddel, het zijn allemaal bčta-invloeden, vreemd of vijandig aan de humaniora.’ Dat is appels met peren vergelijken. Maar appels en peren zijn allebei fruit! Ik heb een oom die emeritus hoogleraar scheikunde is die er net zo over denkt: volgens hem zijn alleen de natuurwetenschappen echte wetenschap en is de rest charlatanerie. Filosofie voorop.

Dat getuigt echter van een verkeerd begrip (zeg maar: totaal onbegrip) van wat wetenschap is, zowel van E.O. Wilson als van oom Gerard. Het is als het stellen dat peren geen fruit zijn omdat ze niet rond zijn. Wie zoiets beweert begrijpt niet wat fruit is. In de sociale wetenschappen is het moeilijker om te kwantificeren, te voorspellen en experimenten te doen. De uitkomsten van sociaal wetenschappelijk onderzoek hebben door de bank genomen een lagere waarheidswaarschijnlijkheidsgraad dan de ‘harde’ natuurwetenschappen. Maar dat maakt ze niet minder wetenschappelijk. De sociale wetenschappen gebruiken naast deductie en inductie ook de methode van abductie, dat wil zeggen het zoeken naar de meest plausibele verklaring op grond van het beschikbare bewijsmateriaal, wetende dat je misschien niet voldoende bewijsmateriaal hebt en dat de hypothese wellicht bijgesteld moet worden in het licht van nieuwe bewijsmateriaal.

Wilson schrijft: ‘too many social-science textbooks are scandals of banality.’ Een probleem met de humaniora is dat ze soms wel eens te onkritisch bezig zijn, zoals de postmodernen laten zien, met mensen als Derrida en Deleuze c.s. Wilson is hier fel tegen gekant, en terecht. Wetenschap is niet anything goes, ook niet in de humaniora. Otterspeer is vaag over zijn positie hierin. Een vroege voorstander van de reductionistische wetenschapsopvatting is de Schotse filosoof David Hume: ‘Does it contain any abstract reasoning concerning quantity or number? No. Does it contain any experimental reasoning concerning metter of fact and existence? No. Commit it then to the flames: for it can contain nothing but sophistry and illustion.’ Waarschijnlijk was Hume onder de indruk van de successen van de opkomende natuurwetenschap en bekritiseerde hij hiermee, in de traditie van de grondlegger van de wetenschappelijke methode Francis Bacon, de theologie en de metafysica. Die kritiek is geheel terecht. Alleen gooide Hume het kind met het badwater weg. Een filosoof die –hopelijk figuurlijk – pleit voor een autodafe is verontrustend barbaars.

Otterspeer is positief over het Amerikaanse universiteitsmodel van de brede colleges waar het core curriculum centraal staat: ‘Het legt de klemtoon op rationeel denken en helder schrijven en wil inzicht geven in dominante culturele en artistieke, wetenschappelijke en morele problemen.’ De afspraken in 1999 in Bologna hebben ervoor gezorgd dat in Europa het Angelsaksische bachelormaster model wordt gekopieerd. De uniformering van het onderwijsstelsel had ten doel de mobiliteit tussen universiteiten te vergroten. De centrale stelling van Otterspeer is: ‘De kern van de universiteit ligt niet in de wetenschap maar in het onderwijs, niet in het onderzoek maar in de algemene ontwikkeling, niet in de master- maar in de bachelor-fase.’ Na de master-fase is er dan de graduate school voor als geavanceerde onderzoeksopleiding en promotie (PhD.).

Het doel van de brede bachelor is ‘de ontwikkeling van (1) een wetenschappelijk wereldbeeld en (2) het bijbrengen van discipline die zorgvuldigheid en inventiviteit, kritiek en zelfkritiek verbindt.’ De vraag is echter hoe het wetenschappelijke wereldbeeld onderwezen kan worden zonder een grote component van natuurwetenschappen. De afgelopen decennia is er het concept Big History ontstaan, waarbij wetenschappelijke kennis over de het universum door de verschillende disciplines wordt geďncorporeerd. Het is zodoende beter om te spreken over universumbeeld, dan over wereldbeeld. ‘Zo’n wereldbeeld moet in staat stellen de verschillende culturen waarin de wetenschap verdeeld werd te overstijgen en de fragmentatie van de kennis ongedaan te maken.’ In de bachelor gaat het dus om generalisme, niet om specialisme, om uitzoomen, niet om inzoomen.

Het tweede door Otterspeer genoemde doel, namelijk discipline, is zo breed en algemeen dat het niet noodzakelijk aan academisch onderwijs verbonden lijkt, maar ook voor sport of muziek kan gelden. ‘Wat moet er dan geleerd worden op die universiteit voor een curriculum aan die bachelors in spé?’ vraagt Otterspeer zich retorisch af. Hij meent dat het vooral moet gaan om leren kritisch nadenken door met studenten in kleine groepjes onderwerpen te bespreken, een beetje zoals Socrates door de straten van Athene struinde met groepjes studenten om zich heen: ‘In een klas of een collegekamer moet in de eerste plaats gesproken worden: van mening verschild.’

Otterspeer heeft een wonderlijke opvatting over college geven: ‘een docent is een regisseur die samen met zijn of haar spelers een stukje opvoert.’ Het klinkt erg literair, maar wat betekent het? Otterspeer pleit voor kleinschalig onderwijs, oftewel tutorials: ‘kleine groepjes verzameld rondom een gedreven docent.’ Immers: ‘Ieder die met plezier terugkijkt op zijn schooltijd of universiteit ziet geen boeken of vakken, die ziet docenten.’ De academische vaardigheid waarvan Otterspeer meent dat die moet worden aangeleerd is schrijven. ‘Ook het schrijven moet, sedert de afschaffing van het ouderwetse schoolopstel, opnieuw aan de universiteit onderwezen worden.’ De vraag is: moeten alle academici dat kunnen, ook ingenieurs als computerwetenschappers en wiskundigen? ‘De universiteit moet in haar onderwijs prioriteit geven aan probleemoplossend vermogen.’ Dat is een goed punt van Otterspeer, maar het is wel iets heel anders dan schrijfvaardigheid. En wat moeten studenten dan leren schrijven: essays of Engelstalig papers?

Het is niet helemaal duidelijk of Otterspeer het volgende beweert of dat hij Bernard Crick aanhaalt in diens boek In Defence of Politics (1992): ‘Elke aanhanger van een absoluut ideaal, de fundamentalisten en de zuiveren, de eens-en-voor-altijd ijveraars, de van-tweeën-een types, de het-kan-niet-zo-zijn drammers, ze zijn de doodsvijanden van de politiek.’ Als Otterspeer helder schrijven bepleit, is een dergelijke zin dan wat hij als ideaal voor ogen staat? Ik ben aanhanger van een flink aantal absolute idealen, zoals het streven naar waarheid, het streven naar het uitbannen van onderdrukking en onnodig leed. Ik ben absoluut tegen slavernij. Ik sta pal voor mensenrechten. Ik ben een ‘fundamentalistisch atheďst’, dat wil zeggen: niet een klein beetje wel, een klein beetje niet atheďst. Volgens Otterspeer ben ik daarmee een fundamentalist en een doodsvijand van de politiek.

Is dit ook wat Otterspeer wil zeggen? Moet de universiteit niet juist wel denkers ontwikkelen en stimuleren die absolute idealen hebben? Maar dan wel de goede. Volgens Otterspeer leidt het aanhangen van een absoluut ideaal tot mensen als Fidel Castro en Mao. Otterspeer haalt meeloper Harry Mulisch aan die over Mao zegt in zijn boek Het woord bij de daad: ‘Niets bewijst beter wat Mao voor iemand is, dan dat dit zonder noemenswaardige ongelukken kon gebeuren.’ In het Leids universiteitsblad Mare merkt sterrenkundige Simon Portegies Zwart in een vraaggesprek met Otterspeer op: “Door de natuurwetenschappen kun je een betere fiets bouwen zodat je minder hard hoeft te trappen. Maar de echte vraag luidt: hoe gaan we met elkaar om op deze planeet? Dat wordt beantwoord door de geesteswetenschappen. Dat kunnen jullie veel beter uitbuiten dan nu gebeurt.” Otterspeer antwoordt: ‘Dat neem ik onszelf ook kwalijk.’

Het is van groot belang om na te denken over academisch onderwijs en de functie van de universiteit. Dat Otterspeer een lans breekt voor de humaniora en het brede Bildungsideaal is nobel. Het een sluit echter het ander niet uit. Iedereen zou een zekere bekendheid moeten hebben met het wetenschappelijke wereldbeeld en de wetenschappelijke methode (wetenschapsfilosofie). Interdisciplinariteit en multidisciplinariteit zouden meer aandacht moeten krijgen. Het idee van een canon van algemeen gedeelde culturele en maatschappelijke kennis, is een ideaal om te promoten, maar het hoeft dunkt mij niet geformaliseerd te worden. Het lezen van verplichte en aanbevolen literatuur kan worden gestimuleerd in het onderwijs.

Een taak van docenten is, dunkt mij, studenten aansporen tot Bildung en life long learning. En de beste methode om dat te doen is door studenten te enthousiasmeren. Ik ben van mening dat een universiteit algemene brede vorming moet faciliteren, zoals door het aanbieden van universiteitsbrede cursussen, zoals een cursus Big History of duurzaamheidsproblematiek. Ook ben ik het eens met Otterspeers bezwaar tegen de publicatiedruk van het schrijven van Engelstalige artikelen voor peer reviewed journals. Maar verder gaat het eigenlijk best wel goed in academia in Nederland. De universiteit is gedemocratiseerd. En wel in twee opzichten. Ten eerste dat er meer inspraak is, zowel door studenten als stafleden. Ten tweede dat de universiteit breed toegankelijk is geworden en dat het aantal studenten groter is dan ooit.

Een hiaat van Otterspeers kritiek is dat hij de universiteit opsplitst in alfa en bčta, maar grotendeels voorbij gaat aan de morele dimensie van academische opleiding. Volgens mij is het belangrijker dat alle studenten 1) kennis krijgen over wat wetenschap is door middel van een cursus wetenschapsfilosofie en 2) kennis nemen van ethiek en dan met name ethiek toegepast op de praktische problemen van onze tijd: de milieucrisis, mondiale armoede, terrorismedreiging, oorlogen, mens-dierrelaties et cetera.

Wat is eigenlijk de rol van een universiteit? Volgens Otterspeer is dat onderwijs. Maar hij reflecteert niet over waar dat onderwijs dan weer toe moet leiden. Ik denk dat een universiteit primair als taak heeft om door middel van het streven naar kennis van de wereld en de rest van hun universum, naar een betere wereld, dat wil zeggen een wereld met minder leed en meer geluk. De mensheid zit middenin een ecologische crisis waarbij de leefbaarheid van de planeet op het spel staat. Het is van het grootste belang dat universiteiten zich toeleggen op het oplossen van dit probleem. Otterspeer rept nauwelijks over de milieuproblemen.

Ik denk dat de universiteit zich op drie gebieden moet inzetten voor een betere, duurzamer en rechtvaardiger wereld, namelijk 1) in het onderwijs (zoals kennis over mensenrechten, eerlijke handel, dierethiek en duurzaamheid), 2) onderzoek. Geen onderzoek dat deel uitmaakt van het probleem, dus bijvoorbeeld naar schaliegas, maar wel onderzoek dat zoekt naar oplossingen, zoals permacultuur, en 3) de universiteit als instituut dient een voorbeeld- en voortrekkersrol in de samenleving te zijn op het gebied van ethiek en duurzaamheid. Als de universiteit er niet in slaagt om als kennisinstituut zelf niet duurzaam te zijn, waarom zou de samenleving als geheel daar dan wel in slagen?

Morele vorming en morele reflectie dienen, volgens mij, een wezenlijk onderdeel van academische vorming te zijn. Filosofie en met name ethiek zijn daarom van fundamenteel belang. In tegenstelling tot Otterspeer die pleit voor een algemene brede vorming in de humaniora gedurende de BA fase, bepleit ik morele vorming door het verplicht stellen van enkele filosofievakken (wetenschapsfilosofie en toegepaste ethiek) aan alle studenten. In dit vak kan dan ook aandacht zijn voor de vaardigheid van het schrijven, met name het schrijven van essays voor een breed publiek. Het rommelige en warrige pamflet van Otterspeer zet in ieder geval aan tot reflectie en zelfreflectie over academisch onderwijs en de aard van de universiteit. En er is noodzaak tot zelfreflectie en herijking van de ‘mission statement’ (en in ieder geval van het concretiseren daarvan) van de universitaire wereld.


Recensie door Floris van den Berg

De recensent werkt op de Universiteit Utrecht en doceert zowel aan bachelor, master, graduate en honours studenten. Onlangs publiceerde hij ‘Beter weten. Filosofie van het ecohumanisme’.

Willem Otterspeer, Weg met de wetenschap, Horzels-reeks, De Bezige Bij, Amsterdam, 2015, 62 pagina’s.

Links
mailto:info@liberales.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be