Het schandaal van de filosofie

boek vrijdag 11 februari 2011

Henri Oosthout

Twijfel is inherent aan de menselijke natuur. Toch zijn er heel wat mensen, onder meer volgelingen van religies, die zonder enige vorm van twijfel de hen opgelegde of aangeleerde dogma’s volgen. En heel wat anderen zijn zodanig overtuigd van hun gelijk dat ze ondanks bepaalde twijfels hun eigen meningen niet langer aan de toets van de kritiek willen of kunnen onderwerpen. Echte sceptici zijn zeldzaam. Op filosofisch vlak onderzoeken ze voortdurend of het mogelijk is de echte waarheid te vinden, en op wetenschappelijk vlak of de beweringen van anderen de toets van de wetenschappelijke methode kunnen doorstaan, en dus herhaalbaar en falsifieerbaar zijn. Een van de bekendste sceptici in België is de moraalfilosoof Etienne Vermeersch die mee aan de wieg staat van SKEPP, een vereniging die zich richt tegen pseudowetenschappelijk te kwalificeren verklaringen en als paranormaal aangeduide verschijnselen. Zo looft de vereniging de Sisyphusprijs uit van 10.000 euro voor diegene die meent paranormaal begaafd te zijn en dat onder gecontroleerde omstandigheden wenst aan te tonen. Ze heeft dat bedrag in haar vijftienjarig bestaan nog nooit moeten uitkeren. Toch is het scepticisme geen nieuw verschijnsel. Het bestaat al even lang als het filosofisch denken zelf.

In zijn omvangrijk boek Het schandaal van de filosofie bespreekt de publicist Henri Oosthout de hoofdlijnen van het sceptische denken (vooral in de filosofie) van de oudheid tot heden. De filosofische scepsis ‘een twijfel of, beter nog, een opschorting van oordeel, op beredeneerde gronden. Ze relativeert de macht van de rede en moet toch een minimum aan rationaliteit bewaren om te voorkomen dat zij zichzelf verslindt als de slang die in zijn staart bijt’, aldus de auteur die er het paradoxale adagium van de scepticus aan toevoegt: ‘Ik weet niets en zelfs dat weet ik niet’. Die twijfel zit al in de leer van Xenophanes die duidelijk maakte dat een onfeilbaar weten onmogelijk is, hooguit bestaan er vermoedens. Ook Heraclitus wees erop dat mensen wel zaken kunnen waarnemen maar dat ze zich ‘gemakkelijk (laten) misleiden met betrekking tot wat voor hun ogen ligt’. Aristoteles beklemtoonde dan weer dat kennis alleen mogelijk is via waarneming, iets wat volgens Oosthout tot dogma werd verheven door stoïcijnen en epicureeërs, en de sceptici aanleiding gaf tot ‘een gedetailleerde kritiek op de betrouwbaarheid van de zintuigen’. De auteur gaat daarna dieper in op diverse vormen van antidogmatisch denken zoals verwoord door Pyrrho van Elis (die stelde dat doordat onze premissen gebaseerd zijn op andere premissen, we niets zeker kunnen weten en we bijgevolg de betrouwbaarheid van alles in twijfel moeten trekken), Arcesilaus, Carneades, en Sextus Empiricus tot met de opkomst van het christendom een nieuw tijdperk begon.

De christelijke denkers, met Augustinus als belangrijkste vertegenwoordiger, zagen in de scepsis echter al snel een bedreiging voor hun religieus geïnspireerde dogmatisme. Ze keerden zich dan ook tegen het ‘pyrronisme’ en het ‘scepticisme’, waardoor het kritische denken in het Westen zowat duizend jaar een sluimerend bestaan kende. Meer nog, ‘de middeleeuwse scepticus twijfelde aan de betrouwbaarheid van onze kennis van de natuurlijke orde’, schrijft Oosthout. Pas vanaf het einde van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw begonnen intellectuelen opnieuw het nut van de twijfel openlijk te erkennen. Zoals Erasmus in 1509 schreef in zijn Lof der zotheid: ‘Zo veel duisternis en verscheidenheid is er in menselijke zaken, dat men niets duidelijk kan weten.’ Al bleef hij heel voorzichtig om de kerkelijke gezagsdragers niet tegen zich in het harnas te jagen. Zo betoonde hij zich alleen sceptisch ‘in alle gevallen waarin het onschendbare gezag van de heilige schrift en de besluiten van de kerk dat toelaten.’ De belangrijkste bron van twijfel ontwikkelde zich binnen enkele universiteiten, in het bijzonder die van Padua waar men vooral onderzoek deed naar de geneeskunde. Een opmerkelijke figuur was Francisco Sanchez, bijgenaamd ‘de scepticus’, die kennis had gemaakt met het werk van Vesalius en Eustachio, en bijzonder kritisch stond tegenover de anatomische theorieën van Galenus en het aristotelische wetenschapsmodel.

De werkelijke trendbreuk kwam er met Bacon en Descartes die door de auteur wordt aangeduid als ‘een hoofdfiguur in de geschiedenis van de scepsis’ al vertrok die laatste van de zekerheid ‘ik denk, dus ik besta’. Descartes zag scepsis vooral als een filosofische methode. ‘De twijfel bevrijdt ons van vooroordelen, onthecht de geest van de zintuigen en bewerkstelligt tenslotte dat wij niet meer kunnen twijfelen aan de dingen waarvan wij constateren dat zij waar zijn’, zo schreef hij in zijn Meditationes, alhoewel ook hij zich haastte om te stellen dat het bestaan van God voor hem ondubbelzinnig vaststond. Toch kan de invloed van het cartesiaanse denken niet voldoende onderstreept worden. Want door zijn rationele methodiek inspireerde hij tal van latere denkers om ook de uitgangspunten van het christendom in vraag te stellen. Oosthout verwijst naar de zeventiende-eeuwse katholiek Isaac la Peyrère die in zijn Praeadamitae ‘betoogde dat het bijbelse scheppingsverhaal niet de werkelijkheid van de menselijke geschiedenis weerspiegelt’. En naar Spinoza die brandhout maakte van de juistheid van profetieën en wonderen. De Joodse filosoof die in Nederland woonde en werkte zou al snel uitgespuwd worden door zijn eigen gemeenschap en gebrandmerkt worden als een atheïst, zowat de zwaarste beschuldiging die in die tijd bestond.

Tijdens de overgang van de zeventiende naar de achttiende eeuw dacht men verder na over het bereiken van een houvast buiten de Goddelijke creatie om. Zo beoefende Thomas Hobbes een vorm van ethisch scepticisme terwijl Isaac Newton op zoek ging naar hypotheses om zijn natuurwetenschappelijke bevindingen te omschrijven. John Locke stelde dan weer dat alles ‘wat oner intuïtie of bewijs valt, hoe zeker we ervan ook mogen zijn, eigenlijk geen kennis (is) maar geloof of mening’. En Kant noemde in zijn beruchte Kritik der reinen Vernunft het feit dat we het bestaan van dingen buiten ons maar op goed geloof moeten aannemen zelfs ‘een schandaal van de filosofie’. Toch was Kant geen scepticus in de ware zin van het woord want volgens hem bestond echte kennis uit proposities die a priori zijn. En zijn categorische imperatief laat weinig ruimte voor twijfels. Pas in de loop van de achttiende eeuw begon men de twijfel als een methodisch uitgangspunt te beschouwen. ‘Wat men nooit in twijfel heeft getrokken, is niet bewezen. Wat men niet zonder vooringenomenheid heeft onderzocht, is nooit goed onderzocht’, aldus Diderot, en ook Condorcet aanvaardde geen zekerheden, alleen maar ‘grote waarschijnlijkheden’. In die zin waren ze voorlopers van Nietzsche die het bestaan van absolute waarheden verwierp, maar nog meer van het kritisch rationalisme dat Karl Popper als denkmethode zo hartstochtelijk verdedigde, maar dat is enkel mogelijk binnen een open samenleving waar elke mening mag verkondigd en bekritiseerd worden.

Vandaag zijn twijfel, woord en wederwoord normale onderdelen van zowel het filosofische als wetenschappelijke denken waarbij men werkt met hypotheses die dan aan de felst mogelijke kritiek worden onderworpen. Daarbij wordt overeenkomstig Popper aangenomen dat ‘wat principieel niet falsifieerbaar is, geen onderwerp van wetenschappelijke discussie (kan) vormen’. In zijn metasceptische overwegingen besluit Oosthout dat ‘niet kenniskritiek maar slaafse hang naar autoriteit de wetenschap blokkeert. Niet morele scepsis maar morele zelfoverschatting leidt tot machtswellust en immoraliteit’. Daarbij bepleit hij geen extreme scepsis, want die kan uitdraaien op nihilisme en cynisme, maar wel een milde scepsis ‘als smeermiddel van de rede’. Dit boek geeft alvast een originele kijk op de geschiedenis van de westerse filosofie die zich alleen dank zij de twijfel heeft kunnen ontwikkelen tot wat ze vandaag is. Wantrouw alvast diegene die je zegt: ‘hier hoef je niet aan te twijfelen’.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Henri Oosthout, Het schandaal van de filosofie, Klement/Pelckmans, 2010, blz. 560

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be