Comment l'ONU enterre les droits de l'homme

boek vrijdag 08 mei 2009

Malka Marcovich

Op 26 maart 2009 heeft de Mensenrechtenraad van de Verneigde Naties in Genève met 23 stemmen tegen 11 en 13 onthoudingen een niet-bindende resolutie goedgekeurd over het belasteren van godsdiensten. De resolutie die een concept hanteert dat de westerse landen verwerpen, werd ingediend door Pakistan namens de Organisatie van de Islamitische Conferentie (OIC). De dag voordien riep een collectief van niet minder dan 180 NGO's de Raad op om de resolutie te verwerpen omdat zij daarin een ernstige bedreiging zagen van de vrije meningsuiting. De ondertekenaars kritiseerden een begrip ‘dat geen enkele grondslag heeft in het nationaal en internationaal recht’ en op flagrante wijze indruist ‘tegen het beginsel zelf van de mensenrechten die bescherming geven aan de enkeling tegen geweld maar niet aan geloofsovertuigingen tegen een kritisch onderzoek’. Voor de NGO's illustreert de resolutie ‘de niet aflatende campagne van de OIC om VN resoluties, verklaringen en internationale conferenties, uit te lokken om het begrip “belastering van de godsdiensten" ingang te doen vinden’.

Dit, noch de tegenstemmen van ondermeer de Europese landen en Chili konden de goedkeuring van die resolutie voorkomen tegen de massieve steun van de niet gebonden staten en de groep van islamstaten. De resolutie gewaagt van de ‘ernstige bezorgdheid over de negatieve stereotypes en de belastering van de godsdiensten, de uitingen van onverdraagzaamheid en discriminatie inzake godsdiensten en geloofsovertuigingen die nog steeds voorkomen in de wereld’. Zij stelt dat de belastering van een geloof ‘een ernstige krenking van de menselijke waardigheid is, die leidt tot beperking van de vrijheid van gelovigen en tot het aanzetten tot geweld’. Tevens wordt geaffirmeerd dat ‘de islam ten onrechte dikwijls in verband wordt gebracht met krenkingen van de mensenrechten en terrorisme’. De leden van de VN worden opgeroepen om, onder meer in de media, ‘de belastering van godsdiensten en het oproepen tot godsdiensthaat in het algemeen te bestrijden’.

In tijden van herdenking van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en John Stuart Mill's belangrijkste werk On Liberty, blijkt helaas dat er nooit een einde is gekomen aan aanvallen op de erfenis van de Verlichting, op de democratie, op de individuele vrijheid en gelijkheid. Zij hebben diverse wegen, de ene al subtieler dan de andere, gezocht en gevonden. Na de Wereldconferentie tegen het racisme (Durban, augustus 2001) en de aanval op de Twin Towers in september 2001, beleven wij een ongekend offensief onder het voortouw ondermeer van de OIC, China, Rusland en Cuba om nieuwe totaliserende normen ingang te doen vinden om de vrije meningsuiting te beperken, de laïciteit te veroordelen en de sedert 50 jaar geboekte vooruitgang inzake vrouwenrechten opnieuw in vraag te stellen. Met verbijstering ziet men dat niemand hier te lande wakker ligt van het onopvallend gestaag verworden van de VN. Door de dekolonisatie, haar grootste succes, evolueerde de organisatie van een forum van overwegend democratische en westerse landen naar een vergadering van meestal nieuwe landen heel dikwijls bestuurd door dictaturen en die zich niet kunnen vinden in de beginselen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948.

Deze beangstigende ontwikkeling heeft Malka Marcovich aangezet tot een bijzonder waardevol en uitstekend gedocumenteerd boek met een titel die onder de handtekening van een historica wars van lichtvaardige uitspraken, als een striemende veroordeling klinkt. In de kern van haar overdenking ligt de botsing tussen cultureel relativisme en universele beginselen. Marcovich geeft een klaar inzicht in de vermenigvuldiging van de aanvallen door repressieve regimes op de universele menselijke waarden en de rechten van de vrouw, die via de VN doorgevoerd worden in naam van de ‘culturele verscheidenheid’ en cultureel relativisme, het respect voor de godsdiensten en de strijd tegen de ‘islamofobie’ en dergelijke meer. Marcovich ziet die aanvallen hoofdzakelijk uitgaan van de landen van de OIC aangevoerd door Iran, Pakistan, Saoedi-Arabië en Libië, daarin geruggensteund door China, Rusland, Cuba en Venezuela en soms ook met de actieve of passieve medeplichtigheid van westerse landen met een grote moslimbevolking zoals Groot-Brittannië en Frankrijk.

Dit is niet zo verwonderlijk met een nieuwe Raad voor de Mensenrechten die hoofdzakelijk samengesteld is uit landen die in deze materie alles behalve toonbeelden zijn. Vandaar dat bijvoorbeeld het onderzoek naar de status van de mensenrechten op het niveau van de landen, in die nieuwe Raad dikwijls herleid wordt tot een bedroevende parodie. Het boek geeft tussen vele andere een voorbeeld van tot wat het surrealisme van de Raad leiden kan, waar het de felicitaties aanhaalt van Cuba, Venezuela en Noord Korea aan het adres van Pakistan, zittend voorzitter de OIC, omdat dit land van de OIC ‘de drijfveer heeft gemaakt van de Mensenrechtenraad’. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de resoluties en conventies die eruit voortvloeien blijven evenmin buiten schot. Zo heeft de Iranese president Ahmadinejab naar aanleiding van de vergadering van de niet gebonden landen in september 2007 in Teheran de aanneming gevorderd van een nieuwe universele verklaring onder het voorwendsel dat de islamitische landen onvoldoende vertegenwoordigd waren bij de oorspronkelijke aanneming in 1948. Die klacht werd de daaropvolgende maand door de OIC doorgezonden naar de algemene VN vergadering.

Cuba zou een nieuw charter van de rechten van de mens en van de volkeren voorgesteld hebben, en voor China komt het er op aan dat de mensenrechten niet in tegenspraak mogen zijn met de ‘historische, culturele en religieuze tradities van de verschillende landen’. De ‘Alliantie van de beschavingen’ werd door Iran opgezet om naar verluid, conflicten tussen de volkeren te voorkomen en het onderling begrip tussen de beschavingen te bevorderen. Daartoe heeft zij de drie monotheïstisch godsdiensten ten koste van de politiek in het hart van de culturen en beschavingen geplaatst, een achteruitstelling die retrograde tradities en inbreuken op de mensenrechten legitimeert. Die Alliantie heeft de oplaaiende moslimofobie naar aanleiding van de Al-Qaïda aanslagen van 11/09 aangegrepen om kritiek op de vrouwonvriendelijke en met de mensenrechten conflicterende dimensie van de islam gelijk te stellen met racisme en religieuze onverdraagzaamheid, wat het voor de landen van de OIC - meestal tevens lid van die Alliantie - vergemakkelijkt om het terugschroeven te eisen van de vrijheid om religies te belasteren en een mening te uiten.

Die ‘Alliantie’ heeft het overigens ook nodig geacht om de Franse wet van 15 maart 2005 die het dragen verbiedt van uitwendige religieuze tekens in de openbare school, als racistisch te verguizen. Een groot aantal NGO's waarvan sommige opgezet zijn door de repressieve regimes, zijn intussen ook vergiftigd geraakt door het cultuurrelativisme, waardoor zij soms de verdediging opnemen van reactionaire stellingen. Zo zijn NGO's zoals Antislavery International en Franciscain International (leunt aan bij het Vaticaan) onder druk van de seksindustrie erin geslaagd om de Internationale Conventie tot beteugeling van mensenhandel en de uitbating van andermans prostitutie te doen opheffen. Diezelfde repressieve regimes zijn er dikwijls met dezelfde bondgenootschappen in geslaagd om de democratie te reduceren tot verkiezingen waarbij de vrijheid van meningsuiting en de gewetensvrijheid genegeerd worden. En zo kon het dat op de Wereldtop van 2005 die aan haar werd besteed, de democratie gespeend werd van haar universele dimensie door haar voor te stellen, als ‘verscheiden’ en ‘ondergeschikt aan de soevereiniteit’ van de staten.

Het boek brengt zeer gepast in herinnering hoe de Conferentie van Durban van 2001 ontaarde in een storm van antisemitisch geweld met daartegenover een oorverdovend stilzwijgen over de rechten van de vrouw. In het voorwoord tot het boek schets Elisabeth de Fontenoy op treffende wijze wat er op het spel staat: "het cultureel relativisme roept weerstanden op tegen de westerse opvatting van de universaliteit; zij zijn ondermeer zo tragischer dat zij ten dele gegrond zijn. Maar wanneer men een internationaal recht wil ontwikkelen moet men bereid zijn die botsing van waarden dialectisch te aanvaarden, hun werkelijkheid te erkennen en te proberen ze te overstijgen door eerlijke onderhandelingen". En dat is niet gebeurd. De kracht van het boek ligt hem in de stapsgewijze beschrijving van de afwijkingen die sedert de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948, het lot zijn geweest van een instelling die muteerde tot een klankkast van de autoritaire regimes waarvan sommige zich de eerbaarheid van religieuze wetten aanmeten. Dekolonisatie en ontmanteling van het sovjet imperium zouden een betere wereld baren, maar in plaats daarvan krijgen wij vandaag de betwisting van de fundamentele principes van de mensenrechten.

Een handvol democratische westerse landen wordt er nu van beschuldigd die principes helemaal alléén te hebben uitgewerkt, wat niet het geval was zoals de schrijfster bewijst. Die landen worden ook beschuldigd van het miskennen van diezelfde principes, wat ten dele juist is, ook al gaat het wellicht om een gedeelde schuld. En dus houden die landen zich gedeisd, ook al betekent dit het opofferen van mensen die het ergst door dit verraad getroffen worden: de vrouwen. Cijfers zijn onverbiddelijk. De democratische regimes zijn een minderheid op deze aarde. De internationale gemeenschap heeft zich in vijftig jaar tijd verdrievoudigd en evolueerde van 58 landen bij de afkondiging van de Universele Verklaring naar de 185 landen van vandaag. Wat is er gebeurd in de afgelopen 60 jaar opdat vandaag het universeel karakter van de mensenrechten in vraag wordt gesteld? Welke internationale instrumenten werden van hun oorspronkelijke doelstellingen afgewend; wat waren de kleine en grote trouweloosheden van staten en NGO's - de echte en de door totalitaire staten gestuurde valse pseudo's -; welke perversie van woorden en concepten moet men blootleggen om de ware schuldigen van deze ramp te ontmaskeren. Dat is precies het opzet van het boek van Marcovich die zich sedert 1983 onverdroten inzet voor de vrouwenrechten.

De analyse van de auteur is bijzonder belangrijk door precieze antwoorden over het hoe, het wanneer en het waarom der dingen die in twee decennia zulke diepgaande wijzigingen hebben ondergaan. Waarom is wat 1983 nog slechts een overblijfsel van de geschiedenis scheen - de extreme onderdrukking van de vrouw - vandaag tot model geworden dat zich volop uitbreid en wordt opgeëist als diep verknocht met religie en identiteit. Een model, haaks op dat van de universele rechten en dat de segregatie der geslachten en het versluieren van de vrouw als een van de grondlegende kenmerken heeft. Vandaag valt ook die bevreemdende alliantie op van theocratische staten met andere landen zoals China en ook Cuba, allen hand in hand om met de zegen of het schuldig stilzwijgen van de internationale instanties, ongestoord verder te boeren zoals het hen past. Terecht wordt herinnerd aan de Commissie voor de rechten van de vrouw die sedert 1993 een aantal resoluties heeft goedgekeurd, maar ook daar toont het bevreemdend bondgenootschap zijn kracht, immers: ‘nooit werd een resolutie goedgekeurd over de duizenden verkrachte, gefolterde, verminkte en verplaatste vrouwen in Darfour; niets over de gestenigde vrouwen in Iran; geen woord over de eremoorden in Jordanië; totale stilte over de seksuele gewelddadigheden gebruikt als oorlogswapen in de Democratische Republiek Kongo, allemaal daden die vatbaar zijn voor vervolging door het Internationaal strafhof…".

Slotsom. De opsomming waaruit de invloed van de niet democratische landen blijkt en het stilzwijgen van zich democratisch beschouwende staten, is markant. De globale bijdrage van de OIC en zijn 57 leden is met minder dan 3% van de VN-begroting quasi te verwaarlozen, wat niet belet dat deze staten politiek steeds zwaarder gaan doorwegen en de beginselen zelf van de VN in vraag stellen "…om te beginnen met de universaliteit van de rechten en de hele nalatenschap van de Verlichting". Nadat zij de veroordeling van de spotprenten bekwamen, gaat het nu om de legitimering van de sharia niet enkel op hun nationaal grondgebied, maar ook ver daarbuiten. Doudou Diène bijzonder verslaggever van de VN over de hedendaagse vormen van racisme en sociale discriminatie komt ertoe om in de meerderheid van zijn verslagen de ‘islamofobie’ achterna te zitten, het ‘multiculturalisme’ te promoten, en te poneren dat ‘verklaringen die de sluier of de boerka stigmatiseren racistisch en onverdraagzaam zijn’. Wat is nog het nut van een organisatie zoals de VN tenzij van spreekbuis en verstrekker van stukjes macht aan alle tegenstanders van vooruitgang en Verlichting.

Voor de auteur zijn de VN vandaag verworden tot een ‘rovershol’. Niet te verwonderen dus dat om al die redenen Marcovich de oprichting door de democratische landen bepleit van een nieuwe VN, gebaseerd op de waarden van de Verlichting en de democratische spelregels. Waarlijk, men moet dit boek lezen om de sleutelmomenten te begrijpen van dit brokstuk menselijke geschiedenis en na te gaan wie hier verantwoordelijk is voor dit duizelingwekkend scheeftrekken van een prachtig ideaal. Het is een onverbiddelijk en schitterend opgebouwd requisitoir tegen de VN en haar opvatting over de verdediging van de mensenrechten. De auteur die terugkomt op het ontstaan van de VN, wijst er onermeer op dat Saoedi-Arabië dat ook reeds in 1948 weigerde in te stemmen met de inhoud van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, met veel andere islamitische landen het primaat verkondigt van Gods wetten en vooral, dat de internationale gemeenschap ‘zich niet zonder reden in te laten heeft met andermans aangelegenheden’. En daarmee is alles gezegd.

Nogmaals verdient is verplichte lectuur. Want het gebrek aan respect voor de mensenrechten heeft zich reeds ver verspreid over een groot deel van de mensheid en het probleem is intussen aanbeland tot bij ons, in onze eigen democratieën, die met schuldgevoelens overladen en in hun eigen waarden aangevallen, bij gebrek aan reactie het risico lopen verplicht te worden om een geweldige terugslag te moeten aanvaarden op het vlak van de individuele vrijheden. Men kan er niet meer omheen: sedert een tiental jaren heeft de toestand zich danig verergerd en wij zijn vandaag de getuigen van een ideologisch offensief van dictatuur en theocratie tegen de democratie.


Recensie door Erik Willaert

Malka Marcovich, Les Nations Désunies, Comment l'ONU enterre les droits de l'homme, Essai (broché). Paris Editions Jacob-Duvernet, 2008, ISBN 2847241973

Links
mailto:e.willaert@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be